|
WONING
Hannie Rouweler
Alweer een huis, een nieuwe straat zo oud als de
oudste zandweg naar mijn jeugd maar zo glansrijk
nieuw in het avondlicht van deze nazomer waarin
alles uit zichzelf gaat stralen. En ik vergeet
de talrijke hoge ramen met uitzicht op pleinen,
grasvelden, boomgaarden, rivieren met dijken
nu de enige boom in mijn volkstuin zo trots naar
boven roept: ik ben er nog, ik ben niet dood, ik
leef
Kom terug in het hart van alle levende dingen als je
boeken opbergt in een kast, brieven opruimt
in laden, foto's bewaart voor later. De nacht is nog
jong al is het verleden kwetsbaar en klinkt
gemis in mijn woorden, stamelend, als ik mijn mond
op jouw zinnen leg en een hand jouw leegte streelt.
|