|
De
baadster
Ben ik
hier, kale kamer, ijzeren ledikant,
raam dat opent op niks en nergens? Ben ik het beest (uit je
dagdroom, nachtmerrie, schemerangst) dat
wegduikt, een miserabel mysterie van zich afwast
bij de aanblik, de kilte van het koude blauw, in een bar bassin
aarzelt voor de duik, de wereld ziet vanuit dat
oog, dat akelige, aarzelend?
Ben ik
wie in de muur bij het bed in een vaag verleden
het getal tien kerfde, het uur of hoeveel
dagen reeds of nog, ik of een eerder & evenzo
geïsoleerde: magisch teken, onderliggende lagen,
duistere symboliek? Nee. Nee! Ik ben slechts aangegeven, aangezet
door de schilder met de snelste borstelstreek in
het westen.
Ik ben
hier, kale kamer, ijzeren ledikant, raam dat
opent op niks & nergens, een schaduw van, een
herinnering aan een vrouw die baadt, de baadster,
en droomt van le grand bleu. Jouw visie is je dagdroom,
nachtmerrie, schemerangst. Hoe argwanend toch,
hoe misleidend wie de wereld ziet vanuit jouw
oog. |