|
 |
Geboren in Bukavu (Belgisch
Congo) op 15 februari 1959. Wegens de politieke onrust die
n.a.v. de nakende onafhankelijkheid in Congo heerste, keerde zij
met haar ouders, broer en zus in 1960 definitief naar België
terug.
Reeds op zeer jonge leeftijd
“zat |
|
het er al in” en
vanaf een jaar of acht begon het
“natekenen”, mede geïnspireerd door haar vader, die zeer
bedreven was in het tekenen en gouache schilderen.
Vanaf haar twaalfde werd zij
een zeer regelmatige bezoeker van de pas opgerichte Academie
voor Beeldende Kunsten van Wilrijk. Zij volgde er de
richtingen Grafiek (bij Geert Bosschaert) en
tekenen/schilderen (bij Julia Peeters), later ook nog
tekenen/schilderen aan de Academie van Hoboken (bij Erika
Chaffart en Jan Vanriet). Daar ontdekte zij de aquarel,
gebaseerd op een gedetailleerde tekening en realistisch
geschilderd.
Na 12 jaar academie, enkele
tentoonstellingen en de Publieksprijs evenals een eervolle
vermelding in de wedstrijd “Nacht van de Aquarel 1982”
(organisatie Lions Club), raakte het tekenen en schilderen
omstreeks 1987 vervolgens wat op de achtergrond door
familiale en beroepsbezigheden.
In 2000 kwam zij in contact
met de Nederlandse kunstenares Joyce Oey, waardoor zij de
aquarel opnieuw ging ontdekken vanuit de kleur en het licht.
Nat-in-nat of laag-over-laag
groeien haar werken op een intuïtieve, niet vooraf bedachte
manier, enkel vanuit kleur, zonder tekening. Het is steeds
weer verrassend hoe een werk evolueert : een reeks
kleurenvlekken wordt een engel, gesluierde lagen over elkaar
heen worden vuur of een vijver met een lotusbloem. Tekenen
doet zij daarbij met het penseel.
|
|
“De natuur is duidelijk een inspiratiebron voor mijn werk, maar dan
eerder een detail in de natuur dat mij raakt, of een gevoel
dat daarmee samenhangt. Het gaat vaak over schoonheid van
vorm, verwondering, uitdrukking van sfeer in kleur. Met
concrete thema’s uit de natuur probeer ik meer te doen dan
de dingen gewoon “fotografisch” na te schilderen. Daarmee
bedoel ik : een stap verder gaan dan het “plaatje” te
schilderen. Een werk moet ook eigen zeggingskracht hebben.
Maar de uitdaging om iets moois uit te drukken – al dan niet
uit de natuur - blijft mijn belangrijkste drijfveer. Ik
denk dat schoonheid van vorm en kleur, net als klank
trouwens, een mens kunnen helen. Sommige kunstenaars geven
via hun werk uitdrukking aan hun gevoelens of de uitdagingen
in hun leven. Voor mij is het een tegengewicht : ik tracht
ze eerder te sublimeren. Mijn werk is de laatste jaren ook
vaker abstract, maar zeker niet altijd.
Elementen als poëzie, het intimistische, waren altijd al zeer
belangrijk in mijn werk. Nu komt daarbij ook harmonie van
lijn en vorm, en vooral kleur en licht.
Het effect van kleuren op ons hele wezen wordt vaak onderschat.
Bepaalde kleuren trekken ons aan omwille van hun kwaliteit,
hun trillingsfrequentie, omdat ze resoneren met ons eigen
energiesysteem. Kleuren omringen niet alleen, maar
doordringen ook de mens. Het is
meer dan een visuele prikkel, het gaat veel dieper : zelfs
blinden voelen kleuren. Kleur spreekt een eigen taal. Dat
fascineert me.
Het licht in een werk ontstaat pas door contrasten neer te zetten,
waarbij het wit van het papier (en dus ook water) zijn eigen
rol speelt. Daartoe is aquarelverf, met haar transparantie
en haar diepe en tegelijk tere kleuren, het medium bij
uitstek.” |