|
QUARTIER LATIN |
||||||
|
START: MONUMENT 'DE HAND' - Meir, ter hoogte van de Diesel Store. Wie met de trein komt, kan vanaf Antwerpen-Centraal in metrostation 'Diamant' de lijnen 2 en 15 nemen richting Linkeroever, uitstappen in metrostation 'Meir'. Kom je met een streekbus aan op de Franklin Rooseveltplaats, ga dan bij de Frankrijklei linksaf tot je aan je rechterhand het standbeeld van David Teniers ziet. Wandel zijn richting uit en ga een flink eind voort tot je 'De Hand' ziet op de Meir. Wie met de auto komt, kan die kwijt in parkeergarage 'Meir' aan de Eiermarkt, die rechts van de KBC-wolkenkrabber ligt. Fietsen kunnen op de Meir vastgemaakt worden aan de blankmetalen stangen, de zogeheten 'spinnen'. De HAND De naam van de stad Antwerpen wordt legendarisch afgeleid van het woord 'handwerpen', vandaar dat de hand vaak als symbool wordt gebruikt, bijvoorbeeld vroeger op de grenspalen van de stad. Dit monument is daarop geïnspireerd, al is het niet oorspronkelijk gemaakt voor Antwerpen, maar eigenlijk een onderdeel van het monument 'L'Écoute' van Henri de Miller, dat in Parijs naast de Saint-Eustachekerk ligt, in de wijk Les Halles. Daar rust de hand naast een reusachtig kaal hoofd. Deze Antwerpse Hand uit 1993 zou oorspronkelijk op een golvende schijf komen te rusten, hemelspiegel zowel als watergolven. Dat deel van het kunstwerk moest gefinancierd worden door de verkoop van gouden, bronzen of kristallen handjes. Maar dat zag het Antwerpse publiek kennelijk niet zitten, zodat onze Hand nu op een wat kale cirkel van gebetonneerd dolomiet rust. Voor een groepsfoto is deze plek wél een topper geworden. Wandel richting wolkenkrabber maar blijf dicht bij het midden van de Meir om wat afstand te houden van de gevels aan je linkerzijde, dan zie je ze beter in hun geheel. GENERAL BUILDINGS + EAGLE STAR - Meir 14 (JBC/Torfs) + Meir 12 (Springfield). Nabij de middeleeuwse Handelsbeurs - die aan de overzijde diep weg in het smalle straatje ligt - ontwikkelt zich reeds vroeg het verzekeringswezen. Die traditie heeft zich voortgezet tot in de 20ste eeuw, zoals je ziet aan deze gebouwen uit 1920 en 1923-'24 voor verzekeringsmaatschappijen 'General Accident Fire and Life Assurance Corporation Limited' en 'Eagle Star'. Architect A. Portielje tekende de bouwaanvraag van het linkerpand. De schrijver Willem Elsschot laat het in zijn boek Lijmen/Het Been figureren als de “Compagnie Continentale d’Assurances Générales sur la Vie et de Rentes Viagères”. Het hoekpand is ontworpen door het architectenduo Jan Van Riel en Eduard Ceurvorst in een soort Beaux-Artsstijl. Als sierstuk is er een koepel op de afgeronde hoek, waarop een bronzen arend neerstrijkt van beeldhouwer Arthur Pierre. In de deurwaaiers de initialen 'E.S.’ Waar nu het verkeer zich in een knoop wurmt, begint de Meirbrug, waar het een eeuw geleden een stuk rustiger was. Begin 16de eeuw wordt op wat dan nog een echte brug over een gracht in het midden van de straat is, een ijzeren kruis geplaatst. Dat eerste kruis wordt in 1566 door de Beeldenstormers vernield en later vervangen door een houten exemplaar. Dat wordt op zijn beurt nogmaals vervangen door een koperen kruis in 1633, dat het tot eind 18de eeuw hier uithoudt. Er wordt gezegd dat het nu in de katedraal hangt, maar daarover bestaat twijfel. Ter herinnering aan dit kruis is voor je op de KBC-wolkenkrabber rechts tegen de middentoren een groot kruisbeeld in beton aangebracht met een Mariabeeld van de Fransman Rogier de Villiers. KBC-TORENGEBOUW - BOERENTOREN, Eiermarkt 20. Van 7 tot 9 oktober 1914 wordt dit stukje stad in puin geschoten door de Duitse artillerie, die de Antwerpse fortengordel aan het veroveren is. Omdat er hier nog weinig overeind staat, wordt er na de oorlog een wedstrijd uitgeschreven om deze plek weer zinvol in te vullen, maar het zal nog een decennium duren, voordat er werkelijk een plan wordt gerealiseerd. Dat komt van de Algemeene Bankvereeniging, een groep financiers rond Frans Van Cauwelaert, die voor dit project steun krijgt van de Boerenbond uit Leuven, waardoor deze wolkenkrabber als Boerentoren bekend staat. Oorspronkelijk telt het gebouw 24 verdiepingen en is het 87 meter hoog. De bank neemt aanvankelijk slechts een deel van die ruimte in, de rest wordt gewoon verhuurd als woonappartementen, terwijl er ook een publiek caféterras in huist op de tiende verdieping, een Chinese theesalon vol Boeddhabeelden, vazen en draken boven een winkel van 'Cuperus' op het gelijkvloers en in de kelder een heuse Duitse Bierhalle. Helemaal bovenaan kan het publiek in die dagen tegen betaling de Panoramazaal bezoeken, waar verrekijkers gehuurd kunnen worden. Bij de realisatie in 1929-'32 is dit de eerste wolkenkrabber met een woonfunctie in Europa, ontworpen door Jan Robert Vanhoenacker en voor de binneninrichting Jos Smolderen, in samenwerking met stadsarchitect Emiel Van Averbeke. Omdat de Willebroekse hoofdaannemer Dumon & Vander Vin wel alles wist van betonnen sluizen, maar absoluut geen ervaring had met stalen wolkenkrabberskeletten, moest in zeven haasten een beroep gedaan worden op de Duitse firma Demag om uit 3.400 ton staal met 430.000 klinknagels en 180.000 schroeven een stevig geraamte op te trekken, wat in amper 4 maanden tijd lukte. Daaraan zijn dan de stenen buitengevels opgehangen. Vandaag piekt deze toren 97,75 m naar de hemel, want er is een enorme waterbak van 120.000 liter boven de panoramazaal gebouwd. Geen zwembad voor gestresseerde bankemployees, maar bluswater voor het geval dat oververhitte beurskoersen de zaak in vuur en vlam zetten. De gestileerde bronzen beelden boven de zwart marmeren hoofdingang met art deco-trekjes zijn van de reeds eerder genoemde Arthur Pierre. Suggereren zij dat Nederlanders met hun zwart geld meer dan welkom zijn? Steek maar over naar de Meirbrug en blijf de linkerzijde volgen, zodat je op de Schoenmarkt belandt. Daar slaan we de Schrijnwerkersstraat in, een van de vijf voetgangersstraatjes die de winkelwandelwijk De Wilde Zee vormen. In dit straatje heeft de bekende kunstenaar Vic Gentils samen met zijn vrouw in 1952 korte tijd een kunstgalerie opengehouden. De straatnaam is ook beslist geknipt voor Gentils, die kort daarop veel assemblages zal maken met lijsten, kasten en meubelonderdelen. Aan het eind van dit straatje kom je langs een CALVARIEBERG - Schrijnwerkersstraat. Deze calvarieberg uit 1710 - tel de Romeinse cijfers in het opschrift maar samen - vervangt een alleenstaand kruisbeeld met lantaarn op een brug die hier over de vestinggracht lag. Stap even tot op het pleintje, om een idee te krijgen van de loop van die stadsomwalling. Rechts zie je de Lombardenvest, schuin links loopt de Wiegstraat, die vroeger Ramshooftvest heette, richting Sint-Katelijnevest. In feite liepen deze straten aan de buitenzijde van de gracht, die dus mooi onder de huidige calvarie door liep - en ondergronds nog steeds bestaat. Door de stompe hoek tussen de Lombardenvest en de Wiegstraat, klotste het water dat bij vloed uit de Schelde deze stadsgrachten binnen stroomde op dit punt nogal hevig. Men duidde deze plaats daarom aan als de 'Wilde Zee', vandaag de naam van de wijk. Ga rechtuit de Korte Gasthuisstraat in. Kijk meteen naar een etalage aan je linkerhand. HUIS BURIE - Korte Gasthuisstraat 3. In de etalage van deze chocolade-specialist worden vaak hele scènes uitgebeeld, waarin zowel decor als figuren volledig uit chocolade gemaakt zijn. Dikwijls is het een commentaar op een grote of lokale politieke gebeurtenis. Hans Burie was daar een echte artiest in. Na zijn dood heeft zoon Lieven de leiding van de zaak overgenomen. Burie verkoopt als Antwerps souvenir chocolade diamanten. Wandel naar het andere eind van de Korte Gasthuisstraat, maar let intussen aan je linkerhand even op BAKKERIJ GOOSSENS - Korte Gasthuisstraat 31. Ongetwijfeld de bekendste bakker van Antwerpen. Omdat het winkeltje zeer klein is, staan de klanten vaak tot buiten te wachten. Er gaat de anekdote, dat hier vroeger vaak fotografen van de Russische krant 'Pravda' werden gesignaleerd. Met hun opnamen wilden ze bewijzen dat ook in het Westen de mensen in rijen voor de winkels stonden ... Maar nog bekender is een speciaal rozijnenbroodje dat hier wordt verkocht, het roggeverdoemeke, waar een verhaal bij hoort. Nog opmerkelijk: bakkerij Goossens is op zondag gesloten, zéér abnormaal voor Belgische bakkers! Sla hier rechtsaf, de Everdijstraat in. Tegenover het fitnesscentrum zie je aan de gevel van een advocatenkantoor op nr.41 een koperen plaat met de tekst: "In dit pand woonde en werkte verzamelaar en mecenas François Franck (1872-1932) bezieler van de vereniging "Kunst van Heden". Vanaf de oprichting in 1905 was Kunst van Heden naast Ça ira! de belangrijkste vereniging van avant-gardistische kunstenaars in Antwerpen. Zo'n vereniging organiseerde 'salons' waar leden en gelijkgezinde kunstenaars hun werk aan een geïnteresserd publiek konden tonen en waarvan de kunstcritici verslag uitbrachten. Ça ira! gaf een eigen tijdschrift uit sinds april 1920, waarin meningen over kunst naar voren werden gebracht, waarop andere tijdschriften als Lumière (vanaf april 1919), Ruimte (maart 1920) en Sélection (augustus 1920) reageerden. Zo ontstond een geanimeerd kunstklimaat in Antwerpen op een moment dat de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog heel wat oude idealen stukgeschoten hadden. Verderop tijdens de wandeling komen we een werk tegen van Oscar Jespers, aanvankelijk lid van Sélection, in 1924 ook lid geworden van Kunst van Heden. Naast Frans Franck waren ook zijn broers Louis en Charles als mecenas bij Kunst van Heden betrokken, terwijl R. Baseleer, V. Hageman, C. Mertens en W. Vaes als kunstenaars tot de mede-oprichters behoorden. Onder de latere leden zien we onder meer Jules Lagae, George Minne, Egide Rombaux, Victor Rousseau en Ernest Wynants. Het volgende huis met de wit getraliede ramen met de paarse ruitjes was het WOONHUIS Dr. JAN MANIEWSKI - Everdijstraat 41. In dit huis heeft dr. Jan(os) Maniewski gewoond, de kleinzoon van schrijver Willem Elsschot, wiens dochter met een Pool was gehuwd. Als grootvader Elsschot op een dag met de kleine Janos in de tuin aan het wandelen is, ziet hij enkele mussen op het gazon hippen. Vanaf dan noemt hij zijn kleinzoon Tsjip en dat zal ook de titel van het boek worden, waarin hij deze familiegebeurtenissen beschrijft. Na de Tweede Wereldoorlog komt daarop het vervolg De Leeuwentemmer, dat doorgaans samen met Tsjip wordt gebundeld. Ga links de smalle doorgang naast het fitnesscentrum door, zodat je op een veelhoekig binnenplein belandt. Hier zie je twee opmerkelijke zaken: dit winkelcentrum is opgebouwd uit elementen in honingraatvorm en rechts van je rijst het torengebouw van de Antwerpse politie op. Waar je nu staat zou eigenlijk een tweede - lagere - toren gebouwd worden, met tussen beide een lager verbindingsstuk. Het geheel was dan bedoeld als Administratief Centrum voor alle stedelijke diensten. Van dat project is enkel de hoogste toren gerealiseerd door architect Renaat Braem. Ga met je rug naar het torengebouw staan en verlaat deze plek via de doorgang recht voor je. Je passeert links een bronzen plaat met het profiel van oud-burgemeester Lode Craeybeckx. Hij heeft nog de goedkeuring voor dit project van bouwpromotor Marcel Peeters gegeven. Het geheel draagt de naam Winkelforum Oudaen en dit zou dan op voorstel van stadsgids Georges van Cauwenbergh de Cammerpoort zijn. Maar die naam gebruikt niemand en ook het winkelaanbod is hier altijd uiterst schaars gebleven, bij gebrek aan een echte publiekstrekker en de ligging buiten enig loopcircuit. Meteen als je deze doorgang uitkomt, zie je bij de plantenbakken Den DEUGNIET
Dit bronzen beeldje is zowat de Antwerpse tegenhanger van
het Brusselse 'Manneken Pis'. Eronder staat een liedjestekst
van John Lundström, Antwerps volksliedzanger. Onze Deugniet
heeft duidelijk schijt aan de burgerlijke Sinjoor, zoals de
bijnaam van de Antwerpenaars luidt, hen door de Spanjaarden
gegeven. Maar zijn gatje glanst van het wrijven. Dat brengt
geluk. Wandel rechts het laatste stukje Korte Gasthuisstraat uit en steek over naar de Lange variant, recht voor je, waardoor je bij een toonzaal van Mini's en bijbehorende gadgets uitkomt. De Lange Gasthuisstraat is hier recent wat veranderd van een straat met vooral veel bankfilialen in een entree met luxe shopping. Links speelt in een smal neo-rococo pandje uit begin 20ste eeuw de Nederlandse couturier Stephan Badal het chic op een manier die we in België eigenlijk niet gewoon zijn, zo'n besloten boetiek waar de klant eerst moet aanbellen. Bijna daarnaast een breed huis, waarin Verso ook veel luxe mode etaleert en een aparte eet- en drinkhoek met openhaard voor zijn klanten reserveert. Eigenlijk is dit pand een verbouwing van twee huizen met enige geschiedenis: Het POSTMEESTERHUIS - Lange Gasthuisstraat 9 (linker deel Verso). Hier huisde sinds 1544 het Antwerpse filiaal van de Keizerlijke Post, die in handen was van de familie de Tassis. De posthoorn tussen de twee wapenschilden midden in de driehoek wijst daar nog op. De wapenschilden komen van de huidenvetters en de boogschutters van de Oude Voetbooggilde. De eersten hadden hun leerlooierijen hier en aan de Huidevettersstraat (om de hoek), de schutters oefenden op terreinen langs de nabije Schuttershofstraat. Boogschutters vormden een van de verdedigingsgilden van de stad, samen met de kruisboogschutters, de kolveniers en de schermers. HERENHUIS GRISAR - Lange Gasthuisstraat 11 (rechter deel Verso). In 1534 liet de Italiaanse koopman J.B. Graffini drie woningen en een oude leerlooierij slopen om er een fraaie grote woning voor in de plaats te laten zetten. Die is in 1653 herbouwd, later voorzien van een nieuwe gevel en begin 20ste eeuw door architect Jos Hertogs gerestaureerd. Op dat moment woont er de familie Grisar, een van de belangrijkste Antwerpse zakenfamilies van de 19de en begin 20ste eeuw. De familie heeft haar roots in het Franstalige Luik, zoals de naam laat vermoeden, maar is daar in 1680 weggetrokken naar Duitsland. Wanneer Jean-Martin en Charles Grisar zich rond 1800 in Antwerpen vestigen, behoren ze dan ook in de eerste plaats tot de Duitse kolonie, die heel wat meer beroemde Antwerpse namen omvat. Via de scheepsmakelaardij krijgt de familie Grisar de handel in huiden, wol en leer stevig in handen, samen met de ook al Duitse familie Osterrieth. De eerste telefoonlijn in Antwerpen liep in 1879 tussen de kantoren van Osterrieth en Grisar. De Grisars waren dan ook niet toevallig mede-oprichters van The Antwerp International Bell Telephone Company, vandaag Alcatel-Lucent. Alfred Grisar sticht in 1900 de Beerschot Athletic Club op een stuk grond dat grootvader Ernest op het Kiel heeft gekocht. En omdat die kort tevoren overleden is worden de clubkleuren aangepast aan de rouw: paars-wit. Nog altijd het kenteken van deze Antwerpse voetbalclub. In 1923 zijn beide panden samengevoegd en wordt de linkergevel aan de rechter aangepast. Het smeedwerk van het balkon is waarschijnlijk gemaakt door J.B. Lamour, de Fransman die ook de beroemde hekken van de Place Stanislas in Nancy heeft vervaardigd. Wie even binnenstapt, ziet een enorme lichtkoepel met daarop de dierenriem en nog wat 'comptoirs' van de vorige bewoner, het Crédit Lyonnais, later opgeslorpt door de Deutsche Bank. We schuiven enige huizen op en staan dan voor een ogenschijnlijk middeleeuwse gevel. MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH - Lange Gasthuisstraat 19. Een museum voor de kunstcollectie van één man: ridder Fritz Mayer van den Bergh. Hij is op 22 april 1858 geboren als oudste zoon van de uit Keulen afkomstige zakenman Emil Mayer en diens Antwerpse vrouw Henriëtte Van den Bergh. De Mayers maken deel uit van de Duitse kolonie in Antwerpen. Met het vooruitzicht op een diplomatieke carrière, begint Fritz aan de Gentse universiteit eerst Letteren en Wijsbegeerte te studeren, om het jaar daarop over te schakelen op Rechten. Hij breekt die studie af, als zijn vader in november 1879 overlijdt en blijft van dan af bij zijn moeder wonen en samen wijden zij zich helemaal aan Fritz' passie, het verzamelen van kunstvoorwerpen. Wanneer Fritz in 1887 in de adelstand wordt verheven, voegt hij de naam van zijn moeder aan de zijne toe, vandaar Mayer van den Bergh. Wanneer haar zoon in 1901 omkomt bij een val van zijn paard, laat zijn moeder door architect Jos Hertogs tussen 1901 en 1904 pal naast de familiewoning (rechts) een gebouw optrekken om er de kunstverzameling van haar zoon in onder te brengen. Het lijkt een 16de-eeuwse patriciërswoning, maar in feite gaat het om een voor die dagen hypermoderne constructie in beton, volgens het Hennebique-systeem. Daarvóór is een natuurstenen gevel van 'De Dry Coningen' gereconstrueerd. De in 1884 gesloopte gevel van de voormalige pastorie van de Sint-Walburgiskerk aan de Werf en een ook reeds verdwenen gevel in de Zakstraat stonden model. Boven de deur zie je een naar de huisnaam verwijzend reliëf, 'de aanbidding der wijzen'. De museumverzameling omvat kunst uit de Nederlanden uit de gotiek en de renaissance, met veel laat-gotisch beeldhouwwerk. Daarnaast zijn er oudere archeologische stukken en 18de-eeuwse kunstvoorwerpen. Het pronkstuk is het schilderij Dulle Griet van Pieter Bruegel de Oude, dat Fritz in 1894 op een veiling in Keulen kan kopen voor het geringe bedrag van 390 mark, omdat er in die tijd weinig interesse voor dit soort kunst bestaat. We dwarsen de Arenbergstraat en vervolgen onze weg tot het MAAGDENHUIS - Lange Gasthuisstraat 33. Op 27 april 1552 sticht specerijenhandelaar Jan Van der Meeren een school voor vondelingen en arme weesmeisjes in de achterbouw van het Vrouwkenshuis, een gasthuis voor vrouwen uit 1353. Als tien jaar later het Vrouwkenshuis naar elders verhuist, krijgt dit Maagdenhuis het hele gebouw. In 1634-1635 wordt het complex uitgebreid met een aangrenzend pand uit de erfenis van de familie Van Schoonbeke en met uitzondering van het poortgedeelte wordt alles herbouwd. Rechts is de puntgevel van de voormalige kapel. De renaissancepoort met beeldhouwwerk wordt soms aan Cornelis Floris de Vriendt toegeschreven, de bouwer van het Antwerpse stadhuis. Je ziet hoe rechts weesmeisjes vriendelijk worden ontvangen. Links blijkt wat hen te wachten staat: schoolbanken! Boven dekt de Heilige Drievuldigheid de lading. Boven de poortdoorgang een Christuskop en op de lat tussen de beide deurhelften Houten Clara, het weesmeisje uit het gelijknamige boek van Hendrik Conscience. In de poortomlijsting de Latijnse tekst uit het Oude Testament: 'Beat, qui intelligit svper egenvm et pavperem in die mala liberabit evm dominvs, PS XL.36' (= Zalig hij die bezorgd is voor zwakken en armen, op de dag van rampspoed zal de heer hem redden). En onder de ramen links van de poort: 'Egenos vagosq indvc in domvm tva et carnem tva ne despexeris. Tvvnc ervmpet qvasi mane lvmen tvvm, et sanitas tva citivs orietvr. Isa, LVIII cap.37' (= Neem de arme zwervers op in uw huis en verstoot uw eigen broeder niet, dan eerst zal uw licht als de dageraad gloren en uw wonde spoedig genezen). Op de binnenplaats is er een 17de-eeuwse rondbooggalerij met Toscaanse zuilen en een kopie van het Mariabeeld dat Filip le Roy hier rond 1636 laat plaatsen bij de uitbreiding van het Maagdenhuis. Hijzelf was een van de aalmoezeniers en in 1636 regent van het weeshuis. Hij was als onderhandelaar in 1648 betrokken bij de Vrede van Münster, waarbij de noordelijke Nederlanden als Republiek der Verenigde Nederlanden door Spanje als zelfstandige staat worden erkend. Steek over naar het Mechelseplein met tussen wat groen een beeld. WILLEM ELSSCHOT - Mechelseplein. "Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren." Op 7 mei 1882 wordt aan de Antwerpse De Keyserlei 'Fonne van den bakker' geboren, zoon van banketbakker Christaan De Ridder. Met een diploma handels- en consulaire wetenschappen op zak, richt Alfons in 1912 de Revue Continental Illustrée op, een reclameblad voor de zakenwereld. Of het ooit verschenen is, blijft onduidelijk, maar het tekent de ondernemingsgeest van de jongeman. Het jaar nadien debuteert hij met een literair product, de roman Villa des Roses, al heeft hij reeds eerder enkele gedichten geschreven. Vanaf dit moment bewonen twee personen hetzelfde lichaam: reclameman De Ridder en literator Willem Elsschot - een pseudoniem dat wellicht tijdens een vakantie in het gehucht Helschot tussen Westerlo en Veerle-Laakdal is ontstaan. Zijn latere ervaringen in de reclamewereld leveren Elsschot de stof voor romans als Lijmen (1924) en Het Been (1938). In 1933 verschijnt de roman Kaas, superieur werk dat de aanloop zou geven tot een nieuwe creatieve periode, die afsluit met Het Dwaallicht (1946). Laermans en Boorman zijn de bekendste figuren uit zijn literaire oeuvre. Op 31 mei 1960 is deze populaire schrijver in zijn geboortestad overleden. Postuum wordt hem datzelfde jaar de Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan toegekend. Alfons De Ridder is begraven op Ereperk N van het Schoonselhof, het Père Lachaisse van Antwerpen. Onze beroemde beginzin komt uit Willems gedicht Het Huwelijk. Dit beeld uit 1994 is van de Antwerpenaar Wilfried Pas, stilaan zowat de eigentijdse stadsbeeldhouwer met naast Elsschot ook een bronzen Paul Van Ostaijen (Pottenbrug), Koning Boudewijn (Voetgangerstunnel Linkeroever) en binnen ons gezichtsveld aan het eind van de Maarschalk Gérardstraat schuin rechts Gerard Walschap. Kijk nog even naar de witte muur van het O.C.M.W.-gebouw. Hier beslaat het gedicht Een Minimum bijna de volledige hoogte van deze muur. Ramsey Nasr heeft het geschreven in 2005, het jaar waarin hij stadsdichter van Antwerpen was. Steek het plein diagonaal over naar de zijde van het Vleminckveld / Maarschalk Gérardstraat. De brei- en haakmachetten en –hangers die je hier rond palen en aan en rond bomen ziet zijn het werk van de ‘wildbreiers’ van Knit the City. Het is een vorm van straatkunst die is komen overwaaien uit de USA, Engeland en Brazilië. In Antwerpen zijn de zussen Lies en Lot Saldien de drijvende krachten achter het initiatief. STUDIO HERMAN TEIRLINCK - Maarschalk Gérardstraat 4. Rond 1780 laat bankier Frans Jozef van Ertborn zijn eigendom aan het Mechelseplein verbouwen tot een prachtig herenhuis. Sinds 1970 huist er het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst Studio Herman Teirlinck. Heel wat Vlaams talent, zowel op toneel- en musicalplanken, als in het kleinkunst- en kabaretgenre hebben dit gebouw en de omliggende cafés aan het Mechelseplein van binnen leren kennen. Wat 'name-dropping': Els De Schepper, Kurt Van Eeghem, Stef Bos, .... Aan het eind van de Maarschalk Gérardstraat wacht ons GERARD WALSCHAP - Maarschalk Gérardstraat. Walschap woont tot zijn dood in de Lemméstraat in het zogeheten Leikwartier. Zijn overbuurman is Willem Elsschot, maar beiden hebben blijkbaar nauwelijks of nooit contact met elkaar gehad. Ook hier staan beide grote schrijvers in elkaars nabijheid, doch niet op dialoogafstand. Terwijl Willem voldaan de krant zit te lezen, is Gerard Walschap verdiept in een van zijn boeken. Dat ook Walschap door Wilfried Pas in brons werd gegoten, is eveneens passend: beiden zijn in Londerzeel geboren en inmiddels ereburger van dat Vlaams-Brabantse dorp tegen de grens van de provincie Antwerpen. Terugkeren naar het Mechelse Plein en daar de poort van het Sint-Elisabethziekenhuis door. SINT-ELISABETHGASTHUIS - ELZENVELD - Lange Gasthuisstraat 45. Vanaf de 12de eeuw verhuizen steeds meer kleine boeren uit armoede van het platteland naar de stad. Rijkere burgers vinden het tot die tijd een vanzelfsprekende plicht om armen bij te staan en zo hun eigen plaats in de hemel veilig te stellen. Maar deze enorme toevloed van paupers wijzigt hun houding. Armen worden voortaan gezien als een gevaar voor de sociale rust en de gezondheid. Daarom worden instellingen opgezet, die voor berooide medemensen moeten zorgen: gasthuizen voor zieken en arme bedevaarders, leprozerieën voor melaatsen, later ook pesthuizen om mensen met een besmettelijke ziekte te isoleren en aalmoezeniershuizen voor werkloze arme stedelingen. Begin 13de eeuw wordt op particulier initiatief een verpleeginstelling voor arme zieken opgericht nabij de Onze-Lieve-Vrouwekerk, een Mariagasthuis. Om in eigen onderhoud te voorzien, bezit het op de plaats waar je nu staat een boerderij Ter Elst, dan nog buiten de stadswallen. Wanneer er steeds meer zieken verpleegd worden in het kleine gasthuis, wordt het gevaar voor besmetting alsmaar groter. Schout, schepenen en rijke burgers schenken daarom op 6 januari 1238 een flink stuk grond nabij hoeve Ter Elst aan het gasthuis, dat nu in een uitgebreidere nieuwbouw wordt ondergebracht. Precies dertig jaar later nemen de lekenzusters de regel van Sint-Augustinus aan en worden daarmee kloosternonnen. Rondom het hospitaal op de gasthuisbeemden komen een kerkhof, weilanden voor het vee, een boomgaard, een moestuin en een graanakker. En ook een brouwerij behoort erbij, want bier wordt gebrouwen met gekookt water, dus is het gezonder dan het gewone water uit de stadsgrachten of uit de grond. Maar stel je geen dagelijks dronkemansgelag voor, het was zeer slap bier. In 1235 wordt Elisabeth van Thüringen heilig verklaard en aangezien haar dochter Sofia de vrouw is van onze hertog Hendrik I van Brabant, veranderen veel instellingen voor zieken hun naam in Sint-Elisabethgasthuis. Achter het grote ingangsgebouw ga je direct rechtsaf en kom je voorbij de ONZE-LIEVE-VROUWEKAPEL Van ons middeleeuwse gasthuis rest vandaag nog deze kapel uit 1400 (schip) tot 1450 (koor). Grote namen als Herman de Waghemakere en Peter Appelmans hebben daarbij een handje toegestoken. Bij een restauratie in 1959-'61 zijn 16de-eeuwse muurschilderingen ontdekt van heiligen die met de geneeskunde te maken hebben. Door een poortje kom je in de AALMOEZENIERSTUIN Rond deze tuin liggen het oude kloosterpand, de kloosterkeuken en de 17de-eeuwse pastorie met trapgevels. Daar woonde de pastoor die aan het gasthuis was verbonden. Nu worden deze gebouwen deels gebruikt als congres- en seminariezalen, deels als luxueuze residentieflats en studio's. Naast een monumentale trompetboom staan De kreupele en de blinde, de spookachtige beelden van Albert Szukalski. Deze uitgeholde polyester gestalten stellen verstarde mensen voor, niet in staat tot een echt gesprek, enkel tot holle frazen. Letterlijk blind en moeizaam bewegend staan ze voor het gebrek aan communicatie in onze samenleving. Een beetje 'opgehokt' staat tegen de zijmuur nog een Madonna met Kind, waarbij een slang het onderspit moet delven onder de sikkel van de maan. En dan maar beweren dat appels gezond zijn! Voor de zijgevel van de kapel staat de Antwerpse auteur Maurice Gilliams. Tussen eind 1938 en medio 1943 wordt hij zes keer voor langere tijd in het Stuivenberggasthuis opgenomen, waar hij verpleegster Maria de Raeymaeckers ontmoet, die in 1976 zijn tweede vrouw wordt. Ze heeft dus geduld moeten hebben! Wanneer zijzelf dan in 1982 wegens een ziekte in dit Elisabethgasthuis wordt opgenomen, krijgt Maurice tijdens een bezoek aan haar op 18 oktober een hartaanval en overlijdt ter plaatse. Daarom staat hier dus dit beeld van Rik Poot als eerbetoon. Terug door de poort en aan het eind van de kasseien naar rechts langs de vroegere ziekenhuisgebouwen, nu deels in gebruik als cultureel centrum Elzenveld. Je passeert een halfronde opstap naar een deur. Daarachter kan je - do. t/m zo. 12.30-17.30u. - de lift nemen naar een tentoonstellingsruimte. PROFESSOR SOMMÉZAAL Deze expositiezaal is genoemd naar de geneesheer-directeur die op het terrein van de vroegere moestuin en boomgaard van het ziekenhuis een plantentuin aanlegde, die we zo meteen gaan bekijken. Deze ruimte ligt bovenop de Kanunnik Van Gesselzaal, de vroegere ziekenzaal uit 1464 van het middeleeuwse gasthuis, waar de patiënten vanuit hun bed de mis konden volgen, die gecelibreerd werd aan een speciaal altaar in de achterwand van het koor van de kapel. Nu wordt die zaal vooral gebruikt voor recepties. Er hangt een origineel schilderij van Jacob Jordaens, 'De Gasthuiszusters', waarop deze zusters de Zeven Werken van Barmhartigheid beoefenen: dorstigen laven, hongerigen spijzen, naakten kleden, daklozen herbergen, gevangenen bevrijden, doden begraven en uiteraard zieken verplegen. Via een zijdeur kan je een blik werpen in het Dr.LAZARUS MARQUISAUDITORIUM Haaks op de gotische ziekenzaal staat deze tweede oude ziekenzaal uit 1509, waarvan de zolder als auditorium wordt gebruikt. Vooral het dakgebinte is bezienswaardig. De ruimte op het gelijkvloers is nog altijd in gebruik bij het ziekenhuis. Lazarus Marquis was de lijfarts van schilder Peter Paul Rubens en een autoriteit op zijn gebied in de 17de eeuw. Terug naar buiten en rechts de gevelwand van het Sint-Elisabethziekenhuis volgen tot aan de Leopoldstraat. Daar even links en dan meteen een hoge stenen poortomlijsting door en nog voor lunch-lounge "Het Gebaar" rechts het groen in. PLANTENTUIN - Leopoldstraat 24. Eertijds diende deze groenzone voor de voedselvoorziening van de zusters die het ziekenhuis draaiende hielden. Er was een moestuin, een boomgaard en een kruidentuintje. Dat blijft zo tot de komst van Claude Louis Sommé. Sommé wordt in 1772 in Parijs geboren. Na een artsenopleiding doet hij enige jaren dienst als legerarts in het Franse leger en komt in het kielzog van de revolutionaire Franse troepen in België terecht. Vanaf 1806 wordt hij dokter-chirurg in het Sint-Elisabethziekenhuis en de daaraan verbonden medische opleiding. Als fervent amateur-botanist begint hij nog datzelfde jaar een plantenverzameling aan te leggen op wetenschappelijke basis volgens het classificatiestelsel van Carl von Linné (Linnaeus). Bij de verbouwingen aan het ziekenhuis in 1825 wordt de oude moes- en fruittuin opgeruimd om plaats te maken voor een Hortus Botanicus, een Plantentuin, die meteen begrensd wordt door de in die tijd nieuw aangelegde Leopoldstraat. Op 16 augustus 1825 wordt Sommé tot directeur van deze Plantentuin benoemd. Hij laat stadsarchitect Pierre Bourla het jaar daarop een poort en een afsluitende muur optrekken langs de Leopoldstraat. In 1828 trekt Bourla ook een eerste, inmiddels gesloopte, orangerie op, die als een paviljoen midden in de tuin oprijst en als plantenserre dienst doet. Sommé wil ook een grote vijver in de tuin aanleggen, maar dat project raakt niet verder dan de graafwerken, waarvan de heuvel in de tuin het restant is. In 1891 is alsnog een bescheiden waterpartij gerealiseerd. Als griezelverhaal wordt dan graag verteld, dat hierin de bloedzuigers werden gekweekt voor aderlatingen, in vroeger eeuwen een gangbare praktijk om bepaalde ziekten te genezen. De bloedzuigers moesten dan het besmette bloed uit je lichaam zuigen, waar ze zich op vastkleefden totdat ze er boordevol vanaf vielen. En dan te bedenken dat sommige mensen al bang zijn van een prik met een injectienaald ... Claude Louis Sommé wisselt al zaden uit met diverse andere botanische tuinen, zoals de Parijse Jardin des Plantes, en laat zaden meebrengen door kooplui en scheepskapiteins, waardoor de tuin wordt verrijkt met kruiden en planten uit Batavia, Suriname, Brazilië, de Verenigde Staten en zo meer. Uit een Haarlemse collectie komen vetplanten over. Sommés opvolger F.J. Rigouts voert vanaf 8 februari 1855 een vernieuwend beleid en gaat zadenlijsten toezenden naar allerlei Belgische en buitenlandse tuinen, om tot uitwisseling te komen. Hovenierschalet In 1866 bouwt stadsbouwmeester Pieter Dens een hovenierswoning in Zwitserse chaletstijl, waarin vandaag dus lunch-lounge ‘Het Gebaar’ is gevestigd. Standbeeld Peeter van Coudenberghe Sinds 24 oktober 1996 staat nabij de vroegere woning van de hovenier dit drie meter hoge en ca. 300.000 kilo wegende beeld, gemaakt door Pieter Jozef De Cuyper in 1861 ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Société de Pharmacie d'Anvers. Het stond toen op het glacis - het schootsveld - van het lunet Herentals, een klein fort voor de Spaanse stadswallen van Antwerpen, waarop vandaag ons Stadspark is aangelegd. Al in 1869 komt het naar hier, maar de inslag van een Duitse granaat vernielt dit beeld in oktober 1918, amper een maand voor het einde van de Eerste Wereldoorlog. De brokstukken worden evenwel keurig bewaard en zijn medio in 1995 door professor Peter Sanders en kunstenaars Frans Herbaut en Geneviève Hardy in zes maanden geheel gerestaureerd en hersteld in opdracht van de Koninklijke Apothekersvereniging van Antwerpen (KAVA), de Stichting Floris Jespers en de Naamse firma Assurances du Crédit. Al die apothekers waren niet toevallig zo bekommerd om het herstel van deze stenen patiënt, want Peeter van Coudenberghe is bij leven en welzijn - voor hem de 16de eeuw - zelf apotheken-botanicus geweest. Als nieuwe directeur kan Henri Van Heurck de tuin vanaf 1877 weer wat opkalefateren. In hetzelfde jaar wordt Bourla's muur vervangen door een fraaiere stenen balustrade met koperen gaslantaarns van Van Aerschot, dit alles ter gelegenheid van de Rubensfeesten dat jaar. Nu werken die lampen natuurlijk op elektriciteit. Bourla's orangerie-serre wordt in 1884 vervangen door een nieuwe kas naar ontwerp van Ernest Dieltiens. De huidige plantenserre vervangt op haar beurt sinds 1971 Dieltiens constructie en is ontworpen door E. Dick, goeddeels met behoud van Dieltiens vorm, maar nu in aluminium uitgevoerd. In 1885 is achteraan de nieuwe orangerie gebouwd die vandaag nog te zien valt, met de borstbeelden van Linnaeus en De Jussieu, plus de namen van vijf andere plantkundigen: Charles de l'Escluse (Clusius), Mathias de Lobel - gespeld als l'Obel – (Lobelius), F. Van Sterbeeck, Rembert Dodoens (Dodonaeus) en B. du Mortier. Naast de orangerie is in 1912 een 17de-eeuwse schuttersgalerij heropgericht, die voordien achter een huis aan de Arenbergstraat bleef bewaard. Het gaat om de galerij uit 1620 à 1660 van de kruisboogschutters - of Oude Voetbooggilde - van Sint-Joris, die hun oefenterrein aan de toen nog onbestaande Arenbergstraat hadden, op de raamhoven waar de volders hun linnen opspanden. Verlaat de plantentuin via het pad nabij de serre en sla de Leopoldstraat links in. We kruisen even verderop de Arenbergstraat. Als je nu recht vooruit en omhoog kijkt, zie je nog twee 'spoken' van Albert Szukalski op het dak van een huis, dat de chocolade van Guylian deelt met het tassenleer van Delvaux. De Leopoldstraat is intussen overgegaan in de Komedieplaats. Hier staat een echt monument: BOURLASCHOUWBURG - Komedieplaats 18. Vanaf 1553 staat hier het Tapissierspand, een verkoophal met opslagkelders voor de tapijthandelaars. Als begin 18de eeuw die tapijthandel teloor is gegaan, mogen vanaf 1710 de Aalmoezeniers een deel van het gebouw gebruiken voor toneelvoorstellingen, waarvan de opbrengst ten goede komt aan hun Heilige Geesttafel, een steunfonds voor de armen, een middeleeuwse vorm van bijstandsuitkeringen. Voor de overwegend Franssprekende burgerij worden rondtrekkende Italiaanse komedianten geëngageerd. Door dit Franstalige theaterleven wordt de buurt bekend als Quartier Latin, wat dus niets te maken heeft met studenten, zoals bij de gelijknamige Parijse wijk. Na een brand in 1753 bouwt Engelbert Baets binnen het Tapissierspand een nieuwe zaal, nu specifiek voor theateropvoeringen. Koning Willem I der Nederlanden krijgt het in 1815 na de Slag bij Waterloo ook in Antwerpen voor het zeggen en verleent aan die zaal in 1816 het predicaat 'Théâtre Royal'. Op Willems verzoek ontwerpt de nieuwe stadsbouwmeester Pierre Bruno Bourla in 1827 een nieuwe schouwburg ter vervanging van dit oude theater. Het Tapissierspand wordt in 1829 gesloopt en nog tijdens het Nederlandse bewind wordt met de nieuwbouw gestart. Die komt echter pas gereed in 1834, wanneer intussen een nieuwe staat is ontstaan: het onafhankelijke België onder Leopold I. Opvallend aan Bourla's schouwburg is de rotonde vooraan, waarboven een halfronde foyer is uitgebouwd. De inspiratie daarvoor heeft Pierre opgedaan bij het Parijse Théâtre Feydeau, maar ook bij een ontwerp uit 1822 van zijn oom Bruno Renard voor de Doornikse concertzaal, waaraan een halfronde overdekte markt is toevoegd. In Antwerpen was de rotonde bedoeld om de bezoekers toe te laten met hun koetsen een overdekte ruimte binnen te rijden en zo bij regenweer droog te blijven. Vandaag kan dat niet langer, omdat dit gedeelte nu trappen heeft en deel is gaan uitmaken van de entreehal. De plafondschildering in de hall Aan deze 90m² grote schildering heeft de Antwerpse kunstenaar Jan Vanriet zes weken gewerkt in putje winter 1992-'93, gehuld in een dikke laag truien en met vingerloze handschoenen op een stelling liggend, terwijl het spoelwater voor zijn kwasten stond te bevriezen. Het werk omvat drie in elkaar overlopende taferelen, gebaseerd op een tractaat over het Franse theater uit Diderots "Encyclopédie". Links: het menselijke aspect van theater, de acteur die in de huid van zijn personages kruipt, gesymboliseerd door een duimafdruk. Midden: het didactische aspect van theater, gezien als een reeks technische onderdelen uit de theatermachinerie. Rechts: het dramatische aspect van theater, een uitvergroting van een reeds bestaande litho van Vanriet, "De oude strijd" geheten en refererend naar het bekende werk van Edvard Munch "De Schreeuw". De sterrenhemel verwijst naar de droom van het theatergebeuren en maakt meteen het kleurenpalet afwisselender. Helemaal links een combinatie van vier scheepsseinvlaggen. Die verbinden het theater met Antwerpen als havenstad en vormen het woord COUR, de theaterterm 'côté cour' voor rechts van de scène, tegenover 'côté jardin' voor links. Dit theaterjargon dateert uit de tijd van Molière, toen in adellijke huizen werd gespeeld met enerzijds een binnenplaats (cour) en anderszijds een tuin (jardin). Zo was voor de spelers echt duidelijk van welke zijde ze moesten opkomen of afgaan, want 'links' en 'rechts' veranderen telkens als je op de scène ronddraait. In de bovenhall staat een houten model van het oude theatermechanisme, dat nog steeds aanwezig is in de theatertoren. De Foyer op de bel-étage (1ste verdieping) Oorspronkelijk bedoeld als zaal voor concerten van kamermuziek en expositieruimte, wordt deze halfronde zaal al snel als koffiezaal in gebruik genomen. Het is een pronkstuk vol Pompeïsch rood, spiegels en Ionische pilasterzuilen met bladgoud. In 1834 zijn de plafonddecoraties met de lier en dierenriem aangebracht. Een deel daarvan is in 1992 door Praagse studenten van een kunstacademie gerestaureerd, maar dat bleek voor hen eigenlijk gewoon herschilderen te betekenen, zodat het project niet is voortgezet. Pieter Dens, opvolger van Bourla, maakt van een brand van 1863 gebruik om het gebouw te vergroten en de binneninrichting aan te passen aan de smaak van het moment, de Napoleon III-stijl, naar het voorbeeld van de Parijse Garnier-opera. Hij brengt de koperen lusters in de foyer aan in 1865. Componist Albert Grisar, die roem oogst in Parijs, is weer een telg uit de al eerder genoemde Antwerps-Duitse familie. Zijn witmarmeren beeld is van Jacques De Braeckeleer - broer van schilder Henri - en dateert uit 1871. Sinds 1998 vindt Het Toneelhuis, een fusie van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) en de Blauwe Maandag Compagnie (BMC), in dit theatergebouw onderdak. Bourlaschouwburg van buiten In de gevel van de rotonde zijn zestien borstbeelden van toneelauteurs en operacomponisten aangebracht. Van links naar rechts passeren de revue: Shak(e)speare, Terence (Terentius), Lopez de Vega, Racine, Mozart, Molière, Grétry, P.Corneille, Schiller, Méhul, Van (den) Vondel, Eschyle (Aischulos), Gluck, Spontini, Euripides, Sophocles. Wanneer mensen een tekort aan inspiratie hebben, kijken ze vaak naar het plafond. Je ziet hier waarom: daar wonen namelijk de Muzen. Ze zijn hier alle negen afgebeeld aan weerszijden van Apollo, god van de muziek. Op de dakrand van links naar rechts: Cleo (geschiedenis), Erato (liefdespoëzie), Terpsychore (lyrische poëzie, dans), Euterpe (fluitspel), Apollo himself, Melpomene (tragedie), Thalia (blijspel), Calliope (epische poëzie, welsprekendheid), Urania (astronomie). En helemaal op de nok de muzikale lier en het theaterale masker. Wachthuisje Voor het gebouw staat nog een laatste bewaard belle-époque wachthuisje voor tramreizigers. Maar het heeft zijn functie goeddeels verloren, sinds de trams zijn omgelegd via een parallelstraat. Alleen een buslijn doet deze halte nog aan. Links van de Bourlaschouwburg gaan we naar rechts door de Kelderstraat, herinnerend aan de vroegere bergkelders van de tapijthandelaars in het Tapissierspand. Je passeert hier aan je linkerhand café GOUNOD QUARTIER LATIN - Kelderstraat 4. Vandaag een plek waar Antwerpse dertigers en veertigers hun spraakwatervallen de vrije loop laten, maar ooit een van de uitzuipcafés, waar deze wijk bekend voor stond. Dat waren gelegenheden waar animeermeisjes de klanten moesten aanzetten tot verteer. In ruil voor de 'coupkes' - brede kelkglazen - kreeg de klant dan luchtige conversatie en charmant gezelschap. Zo'n 'coupke' bevatte voor de klant duur betaalde champagne, de meisjes kregen vaak koude thee in hun glas, die uiteraard wél als champagne werd aangerekend. Er kon eventueel ook tot intiemer contact worden overgegaan in een kamer boven het café, maar dat was in vele gevallen niet direct het doel van wie zo'n café bezocht en de meisjes waren er ook niet toe verplicht. Daar lag een belangrijk verschil tussen zo'n animeermeisje en een prostituée uit het Schipperskwartier - de echte 'rosse buurt'. Zo'n uitzuipcafé was ook niet echt obscuur en de klanten waren dikwijls gekende burgers, die 'voor' en 'na' elkaar ontmoetten in een nabijgelegen 'deftig' café. Uitzuipcafés hebben hier bestaan tot in de jaren '80 van de 20ste eeuw. Napoléon Bonaparte heeft zo een eigen systeem bedacht om het vertier in kaart te brengen. Hij kende de 'cabarets' (zoals elke drankgelegenheid toen werd genoemd) allemaal een cijfer toe. Naarmate het cijfer steeg, daalde het allooi van de instelling. De meest louche gelegenheden droegen het nummer 12, in het Frans cabaret douze. In Antwerpen wordt zo'n schimmige gelegenheid daarom nog steeds aangeduid als een 'cabardoeske'. Aan het eind van de Kelderstraat even naar rechts en je staat op de GRAANMARKT Vandaag een stukje van de wijd en zijd bekende zondagsmarkt, die zich verder uitstrekt langs de Maria Pijpelinckxstraat over de aangrenzende Oude Vaartplaats, het Theaterplein en het Blauwtorenplein tot tegen de Frankrijklei. Nederlanders spreken steeds over de 'Vogeltjesmarkt', maar de juiste naam is Vogelenmarkt. Het gaat niet over kanariepietjes in een kooitje, maar over kippen, eenden, kalkoenen en ganzen voor op tafel. Zeg maar pluimvee, in goed Vlaams 'vogelen'. Een enkele marktkramer biedt ze ook vandaag nog aan. Dé attractie van de markt zijn echter de standwerkers, die met hun radde verhalen inspelen op het kijkpubliek. Jaarlijks wordt er onder hen een koning en een koningin van de Vogelenmarkt gekozen. Projectontwikkelaar Gilbert Van Schoonbeke Wie even de Graanmarkt bekijkt, ziet aan de rechthoekige vorm en het patroon van omsluitende en erop uitkomende straten, dat het allemaal nogal regelmatig oogt. En dat klopt, want dit is geen spontaan ontstane markt, zoals je die in allerhande soorten rond de kathedraal aantreft, maar een goed gepland geheel. Daar is Gilbert van Schoonbeke voor verantwoordelijk, een man die leeft in de 16de eeuw. Hij is wat we vandaag een projectontwikkelaar zouden noemen. Gilles koopt hier in 1551 een flinke lap grond, de oefenvelden van de middeleeuwse schuttersgilden en terreinen waarop ten tijde van de lakenhandel de spanramen van de volders hebben gestaan, zogenaamde raamhoven. Gezien de lakennijverheid in die dagen aan het wegkwijnen is en de schuttersgilden door de opkomst van meer geavanceerd wapentuig tot gezelligheidsverenigingen zijn gedegradeerd, liggen die gronden er toch maar wat verlaten bij. Om ze op te waarderen, stelt hij het stadsbestuur voor om de handel in granen te verplaatsen van de smalle Oude Koornmarkt nabij het stadhuis, naar dit ruimere plein. Hij zorgt door de bouw van het Tapissierspand dat er een extra economische injectie komt. Daarna trekt hij straten rondom en verkavelt die gronden op de nu interessant geworden plek in bouwpercelen, die hij te koop aanbiedt. Kassa! In de 16de eeuw vindt geleidelijk aan de overgang van gerst naar tarwe als basisproduct voor brood plaats. Doordat gerst weinig gluten bevat, geeft dat meel een donker, compact en zwaar op de maag liggend soort brood. Tarwebrood blijkt in alle opzichten veel lichter - zowel van kleur, textuur als verteerbaarheid. Die tarwe werd hier dus verhandeld. Standbeeld Victor Driessens De bronzen man op de sokkel is Victor Driessens, die in 1853 voor het eerst door zijn Nederlandstalig beroepstoneel stukken laat opvoeren in het Vlaams. Daarom staat hij terecht met zijn rug naar de Bourlaschouwburg, in Vic's dagen nog de theatertempel van de Franstalige bourgoisie, het Théatre Royale français. Huizen aan de Graanmarkt De drie kleine huisjes met trapgevels aan je linkerzijde dateren nog uit het midden van de 16de eeuw: nr.1 'Grooten Hoeksteen', nr.2 'Sarazynshooft' (nu 'Varkenspoot'), nr.3 'Coperhuys' (nu 'De Duifkens'). Zo moet in de 16de eeuw de hele Graanmarkt er hebben uitgezien. Acteurscafé De Duifkens Het kleine bruine kroegje op nr.3 is van oudsher de stamkroeg van de acteurs die hier in de diverse theaters hun 'ding' doen. In de andere cafés komt vooral het publiek na de voorstellingen in de Bourla, de Arenbergschouwburg, de Stadsschouwburg - waar vaak musicals spelen -, het Echt Antwaarps Theater en het Klein Raamtheater. Jawel, dit is vandaag echt een theaterwijk. Als je geluk hebt, loop je in 'De Duifkens' op acteur Jan Decleir, bekend als deurwaarder Dreverhaven uit de Oscarwinnende film "Karakter", als beroepsmoordenaar uit "De Zaak Alzheimer" en als de pater familias-vader uit de tv-serie "De Meiden van De Wit". Kijk ook even naar de bebouwing aan de overzijde. HOOFDKWARTIER BUNGE - Graanmarkt 2. Een complete tegenstelling met de drie trapgeveltjes, dit statige dubbele kantoorgebouw uit 1908-1910 van architecten Emile Vereecken en Max Winders. Vooral de peervormige koepel met bovenop een zogenaamde 'lantaarn' oogt indrukwekkend, wat gecounterd wordt door de dartel rondspringende kindertjes her en der op de ballustrades. Hier was de directiekamer van Edouard Bunge, een van de grote ondernemers van Duitse origine, die tussen midden 19de eeuw en de Eerste Wereldoorlog een enorm aandeel hadden in het zakenleven in Antwerpen. Bunge was onder meer actief in het Verre Oosten, waar hij in Maleisië veefokkerijen en plantages bezat. Onder koning Leopold II was Edouard zeer actief in Congo, toen nog vrijwel privébezit van de koning. Bunge zorgde ervoor dat Antwerpen de wereldmarkt in de handel in ivoor werd en later ook een eerste plaats innam bij de handel in rubber. Vandaag resteert van al die activiteiten nog de beursgenoteerde firma Sipef, een bedrijf dat plantages voor palmolie beheert, onder andere in Indonesië. Als we strakt bio-diesel tanken, kan die met hun palmolie zijn gemaakt. Aan het andere eind van de Graanmarkt slaan we voor de Stadsschouwburg linksaf, de Maria Pijpelinckxstraat in. We beginnen duidelijk Rubens te naderen, Maria was zijn moeder. BELGIË AAN DE ARBEID - Maria Pijpelinckxstraat. Tegen de zijwand van de Stadsschouwburg hangt dit in brons geslagen paneel van beeldhouwer Oscar Jespers. Het dateert uit 1937 en is daarmee uit zijn latere periode. Hoewel Jespers tot de gangmakers van het expressionisme in België behoort, kom je weinig werk van hem tegen op openbare plekken. Het meeste bevindt zich in privécollecties en musea. Hier zie je onder meer scheepvaart, visserij, landbouw, metaalbewerking en industrie afgebeeld in een reeks kaders, die door twee stevige figuren à la Permeke worden getorst. Oscar Jespers behoorde tot de kring waarvan ook Paul van Ostaijen deel uitmaakte en voor diens bundel De Feesten van Angst en Pijn heeft hij de tekeningen en houtsneden gemaakt. Oscar is ook de laatste kunstenaar die Van Ostaijen nog levend heeft gezien in het sanatorium van het Waalse Miavoye. Vlak voor we oversteken naar een volgend plein, kijk je even rechts binnen bij GRAND CAFÉ HORTA - Hopland 2. Binnen in deze eigentijdse brasserie zie je gele metalen spanten en plafondstukken. Die horen hier niet helemaal thuis, ze komen uit het in 1963 te Brussel gesloopte Volkshuis van architect Victor Horta, dé grote man van de Belgische art nouveau-bouwstijl. Al dat fraaie ijzerwerk leek lange tijd verloren, maar bleek uiteindelijk ergens in Gent opgeslagen te zijn. Brouwerij Palm heeft ervoor gezorgd, dat eind jaren '90 van de vorige eeuw Horta's erfenis geïntegreerd kon worden in een gloednieuw gebouw. Buiten de brasserie is ook een flink deel van de spanten met hun typisch 'zweepslagmotief' in de feestzaal onder het halfronde 'hangardak' verwerkt. Toch één kritische kanttekening: bij Horta waren deze steunen functioneel, hier zijn ze enkel versiering en absoluut niet nodig om de constructie overeind te houden. Dat kon ook niet, daarvoor was het metaal van het Socialistisch Volkshuis uit 1899 intussen te zwak geworden. Zie het dus vooral als monumentaal eerbetoon. Steek de Schuttershofstraat recht over naar de WAPPER Dit plein is ontstaan door het wegsaneren van de Rubens- en de Wappersstraat medio de jaren '70. Men dacht toen niet aan terrasjes, maar aan een brede invalsroute tussen de Ring en de Meir, waarlangs de toerist direct pal in het stadshart kon belanden. Het valt vandaag moeilijk voor te stellen, niet? MONUMENT "VREDE" Het lijkt van verre op een enorme Renault-reclame, maar dat is gezichtsbedrog. Bij Hilde Van Sumere gaat het vaak over wat niet zichtbaar en grijpbaar is, zoals hier het begrip 'vrede'. Zij geeft zo'n abstract begrip vorm, door het geometrisch te kaderen. Hier herinneren sinds 27 september 1988 driehoeken uit gepolijst staal zowel aan Churchills 'V'-teken (Victory), als aan de V van Vergeltungswaffe, de vijandelijke V1's en V2's waaraan Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog nogal intens heeft blootgestaan. Die raketten doken met hun v-neus loodrecht naar beneden. Waar agressie en defensie elkaar in evenwicht houden, ontstaat een toestand van rust, van vrede - hier de open ruit middenin. Door het onderling verschuiven van vormen en lijnen krijgt de compositie een ritme, dat je het gewicht van dit materiaal laat vergeten. Verder wandelend langs de rechterzijde komen we aan het RUBENSHUIS - Wapper 9-11. Antwerpens beroemdste schilder en diplomaat Pieter Paul Rubens heeft dit huis amper zo gekend. Jawel, hij heeft hier gewoond en het rechter atelierdeel zelf ontworpen, naar ideeën die hij in Genua had opgedaan. Vandaar dat het wat Italiaans aandoet in een barokstijl die hier toen nog goeddeels onbekend was. Samen met zijn eerste vrouw Isabella Brandt en later met zijn nieuwe echtgenote Helena Fourment huisde hij in het linker gedeelte, in Vlaamse stijl, dat hij in 1610 gewoon heeft gekocht en zoals menigeen vandaag ook zou doen, flink verbouwd, liefst 5 jaar lang. Beide delen zijn achteraan via een barokportiek over de binnenplaats met elkaar verbonden. Pieter Paul had echter geen plein vóór zijn deur, daar liep de tamelijk smalle Vaertstraat, met aan de overzijde een open kanaaltje, de Herentalse Vaart. Eenmaal hier gevestigd, zal Rubens een volledige 'kunstfabriek' uitbouwen met een groot aantal leerlingen en medewerkers, waaronder bekende namen als Antoon Van Dyck, Frans Snyders (expert in dieren), Jan Breughel de Fluwelen (specialist in bloemen en boeketten), Jacob Jordaens en de etser Lucas Vorsterman, later vervangen door Pauwel du Pont. Na zijn dood in 1640 blijft zijn jonge weduwe - zij was 17, hij 53 jaar toen ze trouwden, vandaag zou dat de voorpagina van de tabloids hebben gehaald - hier niet lang wonen. De Rubensen hadden immers toen ook een echt kasteel in Elewijt, ergens achter Mechelen, lekker rustig op 'den buiten'. Eerst wordt dit huis verhuurd, later verkocht. De opeenvolgende eigenaars houden er flink huis: de uit Engeland gevluchte hertog William Cavendish vestigt er in 1649 een manege in, ridder Karel de Bosschaert de Pret laat in 1763 ingrijpende verbouwingen uitvoeren en de revolutionaire Fransen bergen er kreupele priesters op, die ze moeilijk naar Parijs kunnen deporteren. Wat er daarna nog resteert van deze meesterwoning, wordt als magazijn gebruikt. Wat socialistisch burgemeester Camille Huysmans in de jaren '30 van de 20ste eeuw na een zes jaar durende onteigeningsprocedure kan redden, lijkt daardoor veel op een ruïne. Alleen de barokportiek en het tuinpaviljoen zijn nog enigszins in originele staat behouden. Dat wordt dus restaureren, zeg maar liever, herbouwen. Architecten Emile Van Averbeke en Louis Huybrechts houden zich daar een hele Tweede Wereldoorlog lang mee bezig, zich baserend op oude gravures en schilderijen waarop het huis als achtergrond fungeert. Wat je vandaag ziet, is dus verantwoord nieuw. Er is slechts één kapitale fout gemaakt bij de reconstructie: achter- en zijgevels van het atelier tonen gebeeldhouwde figuren uit de antieke mythologie. Rubens zou zich in zijn graf omdraaien: hij had die taferelen als grisailles geschilderd! Hij wilde zijn klanten uiteraard tonen wat hij met verf kon, want als ze voor beeldhouwwerk kozen, was hij ze aan een concurrent-beeldhouwer kwijt ... Op 21 juli 1946 is het Rubenshuis als museum geopend. Je kan er zelf even op het balkon van het atelier staan, om dankzij de goede lichtinval door de hoge ramen je in te beelden dat je een klant de vorderingen aan een besteld werk toont. Een rotonde achter het woonhuis leert je wat Rubens zoals verzamelde en de tuin is recent aangelegd in 17de-eeuwse stijl met planten die ook Pieter Paul gezien kan hebben. En zo weet je meteen, dat schilders als Pieter Paul Rubens en tijdgenoot Rembrandt van Rijn geen romantische kunstenaars waren, die op een zolderkamertje inspiratie opdeden voor weer een volgend meesterwerk. Dat beeld hoort bij de impressionisten in het Parijs van twee eeuwen later. PAVILJOEN - Wapper. In 1999 werd niet Rubens maar collega Antoon Van Dyck gevierd. Daarvan werden tekeningen tentoongesteld in het Rubenshuis en meteen was duidelijk, dat de verwachte toeristenstroom nooit verwerkt zou kunnen worden via een klein loketje achter de poort, zoals dat tot dan bij het Rubenshuis gebruikelijk was. Daarom werd besloten een nieuw, modern en functioneel onthaalpaviljoen op te trekken, waar voor groepen ook een ruimte was om een inleiding op de expo te geven. De in Kortrijk geboren architect Stéphane Beel heeft voor het ontwerp gezorgd. Niet iedereen is er volmondig gelukkig mee. O nee, het gebouw op zich is prima, alleen staat het wel erg vervelend in beeld voor wie een fraaie foto van Rubens' gevel wil nemen ... Bedenk dan even, dat de afstand tussen het Rubenshuis en dit paviljoen de oorspronkelijke breedte van de Vaertstraat aangeeft. Keer je nu even om naar de gevel van HÔTEL DE FRAULA - Wapper. Als elders een huis in de weg staat, wordt het gesloopt en is het totaal verloren voor latere generaties. Maar havenstad Antwerpen is een stad van sjouwers en stuwadoors, hier worden standbeelden, stadspoorten en woonhuizen die in de weg staan gewoon even verplaatst. Zo ook met deze gevel tegenover het Rubenshuis. Die hoort bij de fraaie woning die Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge in 1737-'39 aan de Keizerstraat neerzet voor de Antwerpse familie De Fraula. Tot verontwaardiging van velen, moet die woning in 1960 plaatsruimen voor een moderne mensa met studentenflats van de jezuïetenuniversiteit UFSIA. Na complete demontage van de voorgevel is die door Georges de Belder bewaard op het domein Hemelrijk in Kalmthout. In 1986 zorgt de Generale Bank - nu Fortis – hier voor wederopbouw door architect Luc Fornoville als pronkgevel voor deze bank. Vandaar die vreemde combinatie van een oud gelaat voor een jong lichaam, want wat achter de gevel ligt is zeer recent. Schuin rechts zie je nu een leeuwenkopje uit het beton steken. Het water loopt het beest uit de muil en het is nog drinkbaar ook, want dit is een initiatief van de Antwerpse Water Werken, die je vertellen dat "Aqua Fons vitae" is, water als bron van alle leven. De terrashouders rondom houden uiteraard vast aan de middeleeuwse opvatting dat bier gezonder is. Daarnaast staat de MONUMENTALE KOP VAN PETER BENOÎT - Wapper. Het moest een compleet beeld worden voor de stad Harelbeke, waar componist Peter Benoit op 17 augustus 1874 is geboren. Maar Jozef Cantré slaagde er kennelijk niet in om Peter-ten-voeten-uit voor zijn eeuwfeest uit de steen te beitelen en het project liep met een sisser af. Daardoor kan Antwerpen deze stenen kop in 1951 kopen en blikt Benoit nu voor zich uit in de stad waar hij geijverd heeft voor de oprichting vzn een 'lyrisch theater', waaruit onze opera voortgekomen is. Opera? Wat doet Peter dan hier nabij het Rubenshuis? Dat heeft alles te maken met zijn 'Rubenscantate', die hij schrijft voor de viering van de 300ste verjaardag van Pieter Pauwels geboorte in 1877. En die is wél helemaal en op tijd afgeraakt. Waar de Wapper op de Meir uitkomt staat een fontein met het beeld DE AREND - Wapper. Een bronzen beeld van de Deense beeldhouwer Hugo Liisberg uit 1931, twintig jaar later verworven door het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim en in mei 1980 'uitgeleend' als stadsverfraaiing. Hugo heeft met zijn 'Arend' een wedstrijd onder drie beeldhouwers gewonnen met als inzet een kunstwerk voor het marktplein van de Deense stad Sikeborg. De Ny Carlsbergstichting heeft de uitvoering in brons gefinancierd. Hier op de Wapper staat het enige andere exemplaar van Liisbergs ontwerp. Voor u de Meir opdraait nog even dit: Een wapper is een klein hijstoestel, waarmee binnenscheepjes geladen en gelost werden in vroeger eeuwen. Het bestaat vooral uit een lange boom, die boven zo'n bootje wordt neergelaten en dan met de last eraan weer wordt opgetrokken, waardoor de vracht tot boven het kaaipeil wordt opgeheven en met een draaibeweging op de oever geplaatst kan worden. Bij een sluis die de Herentalse Vaart van de Meir scheidde, stond zo'n wapper. Wanneer je echter Antwerpenaren over Lange Wapper hoort spreken, gaat het over een legendarische watergeest, die vooral de schrik van kinderen en dronkaards was. Een schimmig wezen dus, dat er evenwel een zeer tastbaar beeld aan heeft overgehouden bij het Steen, onze burcht aan de Schelde. Daar blijkt hij zeer aaibaar voor toeristen. Nu eerst nog even rechts de Meir op, tot aan de winkel van We. WOONHUIS VAN RUBENS' GROOTOUDERS - Meir 54. Hier woonden in de 16de eeuw opa en oma Pijpelinckx, de grootouders van Pieter Paul van moeders kant. Hendrik Pijpelinckx kwam uit de Kempen afgezakt naar de toenmalige wereldstad Antwerpen om er tapijten te gaan fabriceren. In die jaren begint Antwerpen geleidelijk over te schakelen van een handelsstad in gebruiksgoederen naar een productiestad van luxegoederen, waarbij tapijten worden ontworpen door getalenteerde kunstenaars. Hendrik trouwt met Claire du Touion, dochter van een rijke handelsfamilie, waardoor zij een fikse bruidsschat meekrijgt. Maar ook de verkoop van zijn tapijten doet bij Hendrik het geld binnenstromen, de man bezit weldra een privé-beleggingsfonds aan huizen in Antwerpen, plus nog een handvol onroerend goed in Loenhout en Turnhout, zijn geboortestreek. In 1545 koopt hij de meesterwoning 'Den Cleynen Sint-Arnold' aan de dan voor rijkere burgers zeer trendy Meir - denk wel even de winkels weg. Dochter Maria - Maayken - trouwt met advocaat Jan Rubens, die ook in de politiek actief is. Daar zal ze nog spijt van krijgen, want in 1567 moet Jan in allerijl de benen nemen naar Siegen, omdat mensen die hier van teveel calvinistische sympathieën blijk hebben gegeven, voor hun leven moeten gaan vrezen na de komst van landvoogd Alva. In Siegen wordt Jan secretaris van Anna van Saksen, tweede vrouw van Willem van Oranje. En hoe dat afloopt kon je al lezen in onze bio van Peter Paul Rubens himself. Die kiest zelf ook niet toevallig als tweede vrouw de dochter van tapijthandelaar Daniël Fourment, voor wie hij al tapijtontwerpen - 'cartons' - heeft gemaakt. Natuurlijk is dit in 1992 dankzij 'Hey/We' gerestaureerde huis van later datum, namelijk gebouwd in 1854. Maar om de herinnering levend te houden is er een zware klassieke attiek op geplaatst met een borstbeeld van Rubens en de tekst "1567. Has aedes illustrissimi Rubeni Joannes et Maria Pypelincx inhabit averunt parentes. Re-aed 1854". Jan en Maayken hebben hier dus even ingewoond bij Maria's ouders. Tot aan de Eerste Wereldoorlog is zelfs gedacht dat Pieter Paul hier was geboren en werden er ansichtkaarten van dit huis verkocht als het 'Maison de Rubens'. We maken rechtsomkeer en passeren de Wapper, waarbij we rechtdoor de Meir blijven volgen. Links kom je langs KONINKLIJK PALEIS - Meir 50. Jan Pieter Van Baurscheit jr. heeft tussen 1745 en 1770 flink zijn best gedaan op het huis voor jonker Johan Alexander Van Susteren, heer van 's-Gravenwezel. Johan was een telg uit een katholiek Nederlands koopmansgeslacht, dat voor het opkomend calvinisme naar het zuiden is gevlucht. De gevel uit Bentheimersteen met zijn fraaie kuif is rococo-architectuur, overgoten met een vleugje Noord-Nederlandse laat-barok. Johan heeft er niet helemaal van kunnen genieten, hij overleed vrij plots in 1764. Maar de volgende eigenaar laat het gebouw voltooien, zodat er nu vier vleugels rond een binnenplaats zijn, met daarachter een tuin, die uitgeeft op het koetshuis. Wie dat zelf wil zien, kan even door de poort aan de Wapper binnenstappen. In 1812 verkoopt de laatste bewoonster het huis aan het Franse kroondomein, waarna het wordt verbouwd tot Antwerps pied-à-terre voor keizer Napoléon Bonaparte himself. Hoewel er een Empire-slaapkamer wordt geïnstalleerd, zal hier uitrusten er niet meer van komen voor de keizer. Waterloo zorgt voor leegstand en daarvan maakt de Nederlander koning Willem I dankbaar gebruik, nu hij het ook bij ons voor het zeggen heeft gekregen. Aan hem danken we de Zaal der Zeventien Provinciën uit 1829-'30, waarvan het plafond door kunstschilder Van Brée is versierd met de 17 wapens als symbool voor de hereniging van Noord en Zuid. Willem heeft hier wel gelogeerd, maar nog hijzelf noch die hereniging blijken blijvertjes, want amper enkele maanden later is de scheiding al een feit en bestaat plots België. Nieuwe monniken, nieuwe kappen, hier zijn dat kronen van de nieuwe Belgische vorstenfamilie. Leopold II, de grote bouwer van de familie, laat in 1905 een Spiegelzaal à la Versailles inrichten, waarheen een monumentale trap met smeedijzeren rocailleleuning leidt. Ook het hek aan de straatzijde dateert van die periode, een werk van kunstsmid Lodewijk Van Boeckel, de Lierenaar waaraan alles een beetje buiten proportie was: snor, hoed, handen en talent. Niet enkel een lokale Lierse beroemd-/beruchtheid, ook het hekwerk rond het Witte Huis in Washington is 'made in Lier'. Eind jaren '60 vertrekken de vorsten en komen hier achtereenvolgens het I.C.C. (Internationaal Cultureel Centrum, niet meer nodig na opening van het MuHKA-museum van hedendaagse kunst) en het Centrum voor Beeldcultuur Eldorado, een soort filmmuseum, dat inmiddels een relatie is begonnen met het Fotomuseum. Als je wat geduld hebt, kan je hier in 2008 in de benedensalons een koffietje in stijl komen drinken en tegen 2010 wordt de bovenverdieping als museum opengesteld. Aan de overzijde op de rechterhoek van de Lange Klarenstraat zie je een WIENER SEZESSION HUIS - Meir 41. Georges Matthyssens bouwt in 1913-'15 dit art nouveau-winkelpand in een stijl die eerder aansluit bij de Wiener Sezession-stroming dan bij de Brusselse art nouveau van Victor Horta of Paul Hankar. Hier namelijk geen 'natuurlijke' asymetrie, maar een gevel die heel harmonisch is opgebouwd, waarbij links en rechts van het midden elkaars spiegelbeeld vormen. Het zijn vooral de geveltop, het masardedak en de dakkapellen die er een Duits-Oostenrijkse 'swung' aan geven. Aan de afgeronde hoek heel wat sierlijk bloemensmeedwerk en bij een recente restauratie zijn ook de oorspronkelijke rode terracotta dakpannen teruggekeerd. Het winkelinterieur is helaas in 1985 tenietgegaan. Aan de tegenoverliggend hoek hangt een MOEDER GODS MET KIND IN STRALENKRANS - Meir 39. De natuurstenen barokke madonna van Laurentius Gillis laat achter haar een stralenkrans alle kanten uitschieten. Dat moet zo ongeveer het beeld zijn geweest dat op 2 november 1857 argeloze voorbijgangers krijgen, als het huis op de linkerhoek van de Twaalfmaandenstraat - twee zijstraten verder - tegenover welks gevel deze madonna tot 1872 hing, met veel gesis en geknetter de lucht invliegt, wanneer de daar gevestigde vuurwerkzaak van Jan Verpoorten ontploft. De 32-jarige madame Verpoorten zorgt voor de bloemekee door naakt op het midden van de Meir te belanden, een act die zij slechts enkele dagen overleeft. "Wie wil er mijn kindje adopteren?" lijkt Maria aan de voorbijgangers te vragen. Maar zij was oorspronkelijk niet de straat opgestuurd, ze had tot 1814 onderdak in het convent van de jezuïeten op de Sint-Jacobsmarkt en hield haar Jezus in de richting van Aloysius van Gonzaga, zoon van de markies van Mantua-Castiglione en jeugdige jezuïet, die voor haar geknield zat. "Kijk 'ns omhoog", zei ze tegen deze patroon van de studerende jeugd, die ervoor bekend stond dat hij altoos nederig naar de grond keek, zodat zijn oversten hem zelfs hadden gedwongen een hoge kraag te dragen. Omhoog kijken, dat is precies wat we jou op deze wandeling ook vaak hebben laten doen, zodat je ziet waar anderen achteloos aan voorbijgaan. En heb je daar aan het eind van onze wandeling spijt van? Aan de overzijde wachten Hand, metro of - hopelijk - je fiets.
|
|||||