|
Op 15 september 1863 komt Joseph Hyacinthe Marie Corneille Bascourt
als tweede zoon uit een gezin van zeven ter wereld in Schaarbeek.
Vader Camille combineert een handel in koffie met kerkelijke
voorwerpen, maar moet zijn activiteiten op middelbare leeftijd
wegens ziekte stopzetten. Daarom belt zijn vrouw Joske aan bij haar
ongehuwde zus Marie-Eugenie Buelens in Antwerpen. Zij zal de drie
oudste kinderen onder haar hoede nemen. Tante heeft aan de
Groenplaats een lingeriewinkel en zo groeit Jos op in het
historische hart van de Sinjorenstad.
We weten weinig over de eerste schooljaren, maar in september 1880
schrijft Jos zich als 17-jarige in aan de afdeling bouwkunst van
Antwerpse academie. Hij krijgt les van Jos Schadde, Leonard Blomme
en Pieter Dens, grote jongens met heel wat bijzondere gebouwen op
hun actief. Het gaat om avondlessen, zodat de tiener overdag een job
kan aannemen om zijn opleiding te betalen. Neel Kennes,
meester-metselaar, zet hem aan het werk als tekenaar, bediende,
magazijnier en werkopzichter. Zo leert Jos meteen de praktijk van
het bouwvak kennen. Jos doorloopt ook het Hoger Instituut en
ontwerpt in 1885 als eindwerken de toegang tot een museum, compleet
met triomfboog, plus een hoofdgevel van een stedelijke parochiekerk
in 13de-eeuwse gotiek. Maar hij heeft ook leren bouwen in neo-Vlaamse
renaissance, op dat moment dé trendy stijl.
Bascourt begint als assistent van Leonard Blomme. In 1889 werkt
Bascourt voor Ernest Dieltiens, specialist in neo-barok en neo-Vlaamse
renaissance. Zodra Bascourt in 1887 een eigen praktijk opzet, bouwt
hij voor tante Marie-Eugenie een neo-klassiek huis aan de
Markgravelei.
In 1886 is er door Antwerpse katholieke notabelen en adellijke
grondbezitters een bouwmaatschappij opgericht, om een nieuwe
prestigieuze wijk aan te leggen op de Zurenborgse gronden in het
oosten van de stad. Directeur wordt de 29-jarige boekhouder Louis
Luyckx, die zoveel vertrouwen en gezag opbouwt, dat hij de
ontwikkeling van de wijk zelf kan uitstippelen. Luyckx geeft
opdracht aan architecten voor het bouwen van blikvangers. Vooral het
oostelijk deel van de wijk, met als hoofdas de Cogels-Oselei, wordt
met voorname architectuur bebouwd. De eerste opdracht voor Bascourt volgt in 1893, een hoekpand nabij
de Dageraadplaats. Daarna mag hij het Café du Dôme bouwen aan de
Grote Hondstraat, vandaag restaurant Dôme.
Zomer 1894 wordt de Cogels-Osylei aangelegd, waar Bascourt en Ernest
Stordiau de spits afbijten. Terwijl Stordiau het met 'Apollo'
bescheiden bij een klassiek paleis houdt, zorgt Bascourt met 'In de
Sterre, de Sonne en de Mane' in neo-Vlaamse renaissance voor
dé opvallende entree van de wijk, later betiteld als 'het stadhuis
van Zurenborg'.
Na kennismaking met architectendochter Constance Verreecken
verandert de stijl van Bascourt enigszins. In 1897 bouwt hij met 'Borreas'
in de Transvaalstraat het eerste art nouveau-huis in Antwerpen,
waarbij vooral de op Hankars Brusselse art nouveau geïnspireerde
erker opvalt. Twee jaar later volgt Jos' meesterwerk, 'De Vier
Seizoenen', vier samenhorende panden op de hoeken van het kruispunt
van de Waterloo- en Generaal van Merlenstraat. Nog tijdens de bouw
is Bascourt al aan de slag voor projecten buiten Antwerpen: een
villa voor directeur Luyckx in Westmalle en voor mevrouw Nottebohm
het Nottebohm Hospitaal in Berchem.
Nogal wat realisaties van Jos Bascourt zijn in de jaren nadien sterk
verbouwd of grofweg gesloopt. Niet in elke tijdsperiode van de 20ste
eeuw is er waardering geweest voor dit type huizen. In 1902-'04 bouwt Jos aan de Sint-Vincentiusstraat in Antwerpen zijn
derde eigen woning met atelier in een mix van stijlen. Uiterlijk
niet meteen opvallend, binnenin des te meer: een dubbelhoge hal met
een trap tussen Corinthische zuilen, een galerij met klassieke
bustes, salon in Louis XVI-stijl, empire-boudoir, eetkamer in
Egyptiserende art nouveau met een Moorse veranda. Heel dit huis was
een staalkaart van het kunnen van de architect. Als in 1986 het
aangrenzende Sint-Vincentiusziekenhuis meer ruimte zoekt, wordt dit
huis gesloopt.
Bascourts carrière eindigt enigszins in mineur met nogal wat niet
uitgevoerde ontwerpen, verbouwingen en kleinere opdrachten, zoals de
uitbreiding van het gebouw van de broeders alexianen in Boechout met
een biljartzaal, duivenhok en toiletten, niet echt waardig voor een
Ridder in de Kroonorde (sinds 21 juli 1925) en vandaag weer
bewonderd architect. Op 27 februari 1927 overlijdt Jos Bascourt in
het Antwerpen waar hij zoveel heeft gebouwd en waar zoveel van hem
nadien weer gesloopt is.
|