Onder deze noemer vallen huizen die eerder landelijk dan
stedelijk aandoen in hun bouwtrant. Ze tellen doorgaans twee
verdiepingen en bezitten schuine daken, terwijl het metselwerk
wordt gecombineerd met houten erkers, balkons, dakkapellen en
soms hele stukken van de gevel. Hoewel het woord 'cottage'
eerder kleine woningen doet vermoeden, gaat het doorgaans om
vrij ruime buitenhuizen of bescheiden villa's.
De inspiratie voor deze stijl is uit Engeland komen overwaaien,
waar architect John Nash reeds begin 19de eeuw het strakke
classicisme met zijn grote rechte vlakken en symmetrische gevels
gaat combineren met het pitoreske uitzicht van de Angelsaksische
plattelandstraditie van bouwen. Daarbij overheersen juist
onregelmatige volumes met lokale materialen. Nash is de schepper
van het Londense Regent's Park met de onregelmatige waterpartij
van de Serpentine-vijver en hij heeft het Koninklijk Paviljoen
in de Zuid-Engelse badplaats Brighton ontworpen, een
sprookjesachtige mix van Moorse en Indiase bouwstijlen.
In 1818 publiceert J.B. Papworth zijn boek "Rural Residences",
waarin deze pitoreske bouwstijl onder de aandacht wordt gebracht.
Het is ook de tijd waarin op grote domeinen in de Engelse
landschapstuinen allerlei nutteloze bouwsels worden opgetrokken,
puur voor het zicht, zoals ruïnes, tempeltjes, grotten en torens.
Destijds werden deze dingen 'fabriekjes' genoemd, nu spreken we vaak
over 'folly's'.
In 1859-'60 bouwt Philip Webb een bakstenen woning, The Red House,
voor binnenhuisdecorateur William Morris, een van de grondleggers
van de Engelse Arts & Crafts-beweging. Die woning is een royaal
buitenhuis in de onregelmatige pitoreske stijl, met allerhande
aanbouwsels. Heel wat elementen zijn aan typische Britse hoevetjes
ontleend, maar dan toegepast op een gesofisticeerde wijze in een
comfortabel landhuis. In plaats van 'statig', zoals landhuizen uit
vroegere periodes, is de eerste indruk vooral schilderachtig en
gezellig. Wanneer een decennium later Richard Norman Shaw daar nog
houten balkons en delen in vakwerk aan toevoegt, hebben we het model
van wat later de Cottage-stijl zal worden, die zich vooral gaat
doorzetten in residentiële stadswijken en in de omliggende dorpen,
waar de stedelijke bovenlaag zijn buitens gaat optrekken.
In de late 19de eeuw komt daar de art nouveau-stijl bij, die met
zijn onregelmatige en aan de natuur ontleende vormen bij kan
aansluiten. De Eerste Wereldoorlog maakt een abrupt einde aan beide
bouwstijlen. |