|
De Lodewijk-stijlen zijn rechtstreeks verbonden met de
regeerperiodes van de Franse koningen Lodewijk XIV, XV en XVI. Het
gaat daarbij niet enkel om architectuur, maar misschien nog meer om
interieur: meubels, klokken, bekledingsstoffen. Ze worden beïnvloed
door het karakter van de vorst en het daarmee verbonden imago van
zijn koningsschap. Zo heeft de zeer autoritaire regeerstijl van de
Zonnekoning Louis XIV aanleiding gegeven tot een weelderige stijl
met grootse vormen, die zijn macht en triomfen onderlijnde. Bij
Lodewijk XV wordt dat allemaal verfijnder en komen tal van exotische
invloeden binnensluipen, het is de tijd van de zogeheten
Chinoiseries. Ornamenten worden belangrijker dan de grote lijnen, de
stijl valt samen met de rococo en het daarin opduikende
rocaille-motief (de kleine onregelmatige vormen van grotten en met
mosselen begroeide scheepswrakken).
De Lodewijk XVI-stijl luidt een terugkeer in naar klassieke
vormen en een algehele versobering van de decoratieve versieringen.
Het is de tijd van het classicisme, waarin weer wordt teruggegrepen
naar voorbeelden uit de antieke Romeinse en Griekse oudheid. De
pracht en praal blijft, maar wordt iets meer ingehouden
tentoongespreid, waardoor het totaalbeeld eleganter oogt. Kostbare
houtsoorten worden in de interieurs verwerkt en damasten en
brokaten worden zowel voor tapijten en gordijnen, als voor kleren
gebruikt. De Louis XVI-periode duurt ongeveer van 1720 tot 1780. Dan
beginnen er stilaan reacties vanuit het volk te komen tegen de
regeerstijl van de koning, wat uitloopt op de Franse Revolutie van
1789 en de onthoofding van Lodewijk XVI en Marie-Antoinette.
De 19de eeuw heeft geen duidelijke eigen dominante stijl
voortgebracht, maar wel een teruggrijpen naar allerlei vroegere
periodes, die dan als neo-stijlen naar de 19de-eeuwse eisen worden
vertaald. Naarmate die eeuw vordert, wordt er meer met de kenmerken
van de diverse stijlen gemixt en komen er ook meer en meer exotische
elementen bij als variaties. De art nouveau van eind 19de eeuw zet
zich niet echt door als een sterke stijl die het hele bouwen
beïnvloedt, maar blijft enigszins een randfenomeen, dat naast andere
stijlen zijn weg zoekt. Daardoor zien we begin 20ste eeuw een hele
resum aan bouwstijlen naast elkaar, waarbij de persoonlijke voorkeur
van de opdrachtgever en ook de functie van een gebouw doorslaggevend
zijn voor de keuze. Architecten hebben een brede opleiding gekregen,
waardoor ze vaak het hele stijlenrepertoire aankunnen. Zo komt dus
hier en daar de Lodewijk XVI-stijl terug als neo-Lodewijk XVI-stijl.
|