PAUL VAN OSTAIJEN   (1896-1928) 

Het Stille Pand

 

Frits Schetsken

Kunstschuimer

Boechout

Quartier Latin

Bollebooswicht


 

 


Hendrik van Ostaijen woont met vrouw en zes kinderen in de Antwerpse Lange Leemstraat, wanneer zich op 22 februari 1896 een nakomertje aandient: Leopoldus Andreas, zeg maar Paul. Bij de jezuïeten roert het knaapje zodanig zijn mondje dat een verdere opleiding aan hun college vergeten mag worden. Gelukkig wordt Paul toegelaten in de derde Grieks-Latijnse van het Koninklijk Atheneum. Daar bestaat een club van Vlaamsgezinde leerlingen, de Vlaamsche Bond. Paul van Ostaijen wordt in 1912 secretaris van die Vlaamsche Bond. 

In 1913 gaat Hendrik van Ostaijen rentenieren in Villa Jeanne aan de Lintsesteenweg 93 te Hove. Pauls vriend Jos Léonard woont in het naburige Mortsel en via hem komt Paul in contact met de kring rond componist Jef Van Hoof en in Boechout terecht, waar kunstkring 'Streven' actief is. Na een Antwerpse Herfstsalon voor aquarellisten volgt een eerste contact met schilder Floris Jespers. Paul begint op het Antwerpse stadhuis als klerk. Een maand later volgt zijn debuut als kunstcriticus met een verslag van een tentoonstelling van Kunst van Heden.

Op 4 augustus 1914 valt het Duitse leger België binnen. Floris Jespers gaat als cellist spelen in music-hall Wintergarten aan de Meir. Paul verkent het Antwerpse uitgaansleven, komt  opnieuw met Jespers in contact en vindt inspiratie voor 'Music-Hall', waarmee hij twee jaar later debuteert. Intussen leert hij Flors oudere broer Oscar kennen, die aan pa's wens om beeldhouwer te worden heeft voldaan. Floris is gaan schilderen en daarom thuis buitengegooid. In 1916 publiceert Paul een artikel over Floris en Oscar Jespers en over Paul Joostens. Hij wil nieuwe moderne kunststromingen voorstellen. Eind 1917 leert Van Ostaijen de drie jaar oudere mannequin Emmeke Clement kennen.
Half oktober 1918 verschijnt Pauls tweede bundel 'Het Sienjaal', met als voorplaat een linosnede van Floris Jespers. Van Ostaijen voorziet dat de oorlog op zijn eind loopt en dat de Vlaamse activisten aangepakt zullen worden. Hij vertrekt samen met Emmeke naar Berlijn. In de Duitse hoofdstad zit niemand op hen te wachten en als de oorlog op 11 november 1918 voorbij is, wordt onze activist tot 11 maanden gevangenisstraf veroordeeld.

Paul krijgt contact met de Berlijnse artistieke scène. In oktober 1920 komt Oscar Jespers hem in Berlijn spreken over 'Bezette Stad', waarvoor hij de illustraties zal verzorgen en die een jaar later in Antwerpen zal verschijnen. Van Ostaijen komt eind mei naar België terug en krijgt onderdak bij Oscar Jespers. Hij biedt hem zijn manuscript aan van 'De feesten van Angst en Pijn'.
Na zijn legerdienst begint Paul een handeltje in moderne kunst in het ouderlijke huis in Antwerpen, waarheen pa verhuisd is. Na moeders dood blijft Paul bij vader wonen. Om niet op diens kosten te leven, wordt hij manager van een antiquariaat. Hij schrijft 'Marc groet 's morgens de dingen' voor het 2-jarige zoontje van Floris Jespers.In oktober 1925 manifesteren zich bij Paul de eerste tekenen van tuberculose. Een longspecialist adviseert hem in februari 1927 te gaan kuren in een privé-sanitorium nabij Dinant. Zo belandt Paul van Ostaijen in september 1927 in Miavoye-Anthée. Zijn broer Stan is in die dagen de enige aan wie Paul laat merken, dat hij weinig hoop op herstel heeft. Alle anderen blijft hij suggereren, dat hij weldra zal terugkeren naar Antwerpen. 

Paul komt niet terug. Wanneer op 18 maart om 8 uur zijn ontbijt op zijn kamer wordt gebracht, vindt men Paul van Ostaijen dood in zijn bed. Hij wordt in Anthée begraven. Alleen Gaston Burssens, Jan Melis en enkele familieleden zijn aanwezig. Burssens zorgt voor de postume uitgave in 1928 van Van Ostaijens laatste gedichten 'Het eerste boek van Schmoll' en twee van zijn bekendste gedichten,  'Alpenjagerslied' en 'Boerecharleston'. In maart 1932 wordt Pauls stoffelijk overschot naar Antwerpen overgebracht, waar ter aarde wordt besteld op het Schoonselhof. Op zijn graf wordt in 1937 een beeld van Oscar Jespers geplaatst. Maar nog wordt Paul van Ostaijen geen rust gegund. Bij de uitgave van de eerste delen van zijn Verzameld Werk in 1952 wordt hij voor de derde maal begraven, op het ereperk N van het Schoonselhof. Dat doet kunstkenner dr. Gerrit Borgers concluderen: "Hoe meer hij begraven werd, hoe meer zijn werk tot leven kwam."

 

  5