|
Hendrik van Ostaijen woont met vrouw en zes kinderen in de Antwerpse
Lange Leemstraat, wanneer zich op 22 februari 1896 een nakomertje
aandient: Leopoldus Andreas, zeg maar Paul. Bij de jezuïeten roert
het knaapje zodanig zijn mondje dat een verdere opleiding aan hun
college vergeten mag worden. Gelukkig wordt Paul toegelaten in de
derde Grieks-Latijnse van het Koninklijk Atheneum. Daar bestaat een
club van Vlaamsgezinde leerlingen, de Vlaamsche Bond. Paul van
Ostaijen wordt in 1912 secretaris van die Vlaamsche Bond.
In 1913 gaat Hendrik van Ostaijen rentenieren in Villa Jeanne aan de
Lintsesteenweg 93 te Hove. Pauls vriend Jos Léonard woont in het
naburige Mortsel en via hem komt Paul in contact met de kring rond
componist Jef Van Hoof en in Boechout terecht, waar kunstkring 'Streven'
actief is. Na een Antwerpse Herfstsalon voor aquarellisten volgt een
eerste contact met schilder Floris Jespers. Paul begint op het
Antwerpse stadhuis als klerk. Een maand later volgt zijn debuut als
kunstcriticus met een verslag van een tentoonstelling van Kunst van
Heden.
Op 4 augustus 1914 valt het Duitse leger België binnen. Floris
Jespers gaat als cellist spelen in music-hall Wintergarten aan de
Meir. Paul verkent het Antwerpse uitgaansleven, komt opnieuw met
Jespers in contact en vindt inspiratie voor 'Music-Hall', waarmee
hij twee jaar later debuteert. Intussen leert hij Flors oudere broer
Oscar kennen, die aan pa's wens om beeldhouwer te worden heeft
voldaan. Floris is gaan schilderen en daarom thuis buitengegooid. In
1916 publiceert Paul een artikel over Floris en Oscar Jespers en
over Paul Joostens. Hij wil nieuwe moderne kunststromingen
voorstellen. Eind 1917 leert Van Ostaijen de drie jaar oudere
mannequin Emmeke Clement kennen. Half oktober 1918 verschijnt Pauls
tweede bundel 'Het Sienjaal', met als voorplaat een linosnede van
Floris Jespers. Van Ostaijen voorziet dat de oorlog op zijn eind
loopt en dat de Vlaamse activisten aangepakt zullen worden. Hij
vertrekt samen met Emmeke naar Berlijn. In de Duitse hoofdstad zit
niemand op hen te wachten en als de oorlog op 11 november 1918
voorbij is, wordt onze activist tot 11 maanden gevangenisstraf
veroordeeld.
Paul krijgt contact met de Berlijnse artistieke scène. In oktober
1920 komt Oscar Jespers hem in Berlijn spreken over 'Bezette Stad',
waarvoor hij de illustraties zal verzorgen en die een jaar later in
Antwerpen zal verschijnen. Van Ostaijen komt eind mei naar België
terug en krijgt onderdak bij Oscar Jespers. Hij biedt hem zijn
manuscript aan van 'De feesten van Angst en Pijn'. Na zijn legerdienst begint Paul een handeltje in moderne kunst in
het ouderlijke huis in Antwerpen, waarheen pa verhuisd is. Na
moeders dood blijft Paul bij vader wonen. Om niet op diens kosten te
leven, wordt hij manager van een antiquariaat. Hij schrijft 'Marc
groet 's morgens de dingen' voor het 2-jarige zoontje van Floris
Jespers.In oktober 1925 manifesteren zich bij Paul de eerste tekenen
van tuberculose. Een longspecialist adviseert hem in februari 1927
te gaan kuren in een privé-sanitorium nabij Dinant. Zo belandt Paul
van Ostaijen in september 1927 in Miavoye-Anthée. Zijn broer Stan is
in die dagen de enige aan wie Paul laat merken, dat hij weinig hoop
op herstel heeft. Alle anderen blijft hij suggereren, dat hij weldra
zal terugkeren naar Antwerpen.
Paul komt niet terug. Wanneer op 18 maart om 8 uur zijn ontbijt
op zijn kamer wordt gebracht, vindt men Paul van Ostaijen dood in
zijn bed. Hij wordt in Anthée begraven. Alleen Gaston
Burssens, Jan Melis en enkele familieleden zijn aanwezig. Burssens
zorgt voor de postume uitgave in 1928 van Van Ostaijens laatste
gedichten 'Het eerste boek van Schmoll' en twee van zijn bekendste
gedichten, 'Alpenjagerslied' en 'Boerecharleston'.
In maart 1932 wordt Pauls stoffelijk overschot naar Antwerpen
overgebracht, waar ter aarde wordt besteld op het Schoonselhof. Op
zijn graf wordt in 1937 een beeld van Oscar Jespers geplaatst. Maar
nog wordt Paul van Ostaijen geen rust gegund. Bij de uitgave van de
eerste delen van zijn Verzameld Werk in 1952 wordt hij voor de derde
maal begraven, op het ereperk N van het Schoonselhof. Dat doet
kunstkenner dr. Gerrit Borgers concluderen: "Hoe meer hij begraven
werd, hoe meer zijn werk tot leven kwam."
|