Aan het Hopland wordt deze apothekerszoon geboren. Zijn ouders
zijn dus geen arme lui, moeder is Française, er is cultuur in
huis. Georges mag al vroeg zijn eigen gang gaan, hij kiest voor
een opleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen
en gaat verder in de schilderkunst aan het Nationaal Hoger
Instituut, de opleiding voor professionals van dezelfde
onderwijsinstelling. Hij krijgt er les in landschapsschilderen
van Franz Courtens, een man waar ook ander Boechouts talent mee
te maken heeft gehad. Intussen volgt Georges ook vioollessen aan
het conservatorium, maar merkend dat hij in de muziek nooit de
top zal bereiken, houdt hij daarmee op. Na zijn tweede jaar
Hoger Instituut trekt hij er thuis tussenuit en gaat vanaf 29
juli 1909 in het nabije Zwijndrecht een bestaan als
zwerver-kunstenaar leiden. Blijkbaar trekt dat vrouwen aan, vier
haar later is Georges een getrouwd man; zij heet Adriana
Denissen. Weer een jaar later breekt de Eerste Wereldoorlog uit
en vlucht het gezin naar Halsteren, een dorp in Nederland, waar
de echte carrière van Van Raemdonck zal beginnen.
Georges krijgt via een prijsvraag de kans om politieke spotprenten
te maken voor "De Amsterdammer", een weekblad. Maar men is daar niet
gewend aan de scherpe humor van Vlamingen en de conservatieve lezers
zijn niet zo te spreken over Georges' werk. Gelukkig is hij dan
reeds opgemerkt door schrijver A.M. de Jong, die hem bij het
socialistische partijblad "De Notenkraker" binnenloodst in mei 1917.
Hun samenwerking zal vele jaren duren. Vanaf 2 mei 1922 tot 17
november 1937 werken ze als tandem aan wat wellicht Nederlands
eerste stripverhaal is, "Bulletje en Bonestaak" voor dagblad Het
Volk. De Jong zorgt voor het scenario, Van Raemdonck maakt in totaal
8856 tekeningen voor de 21 deeltjes die verschijnen. De verhalen
worden later ook in boekvorm uitgegeven door koffiebrander Van Nelle
en halen een totale oplage van 178.441 stuks. Daarnaast tekent
Georges nog een strip voor margarinefabrikant Van den Bergh en zijn
legendarische 'Blue Band' merk.
Toch verraadt onze Vlaming zijn heimat niet. Op 12 november 1928
keert het gezin terug naar België, waar Zwijndrecht en dan Antwerpen
de thuishavens vormen. Hier begint Georges opnieuw te schilderen,
maar zijn politieke prenten voor "De Notenkraker" blijft hij
afleveren. Vooral na de aanstelling van Hitler tot Rijkskanselier in
1933 voeren A.M. de Jong en Van Raemdonck een ware anti-fascistische
strijd in het blad. De Jong is intussen begonnen aan zijn magnus
opus, dat hem een plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis
zal bezorgen, acht delen over Merijntje Gijzen, een autobiografische
romancyclus over zijn jeugd in een arm katholiek arbeidersgezin in
Noord-Brabant. De omslag van 'Merijntje Gijzens jonge jaren' wordt
door Van Raemdonck getekend. Intussen blijft Georges een rusteloze
zwerver, zij het niet zozeer materieel, want hij verhuist van
Antwerpen naar Kapellen en vandaar weer naar Edegem. Zijn
Nederlandse socialistische vriend wordt in 1942 door de Duitsers
aangehouden, weer vrijgelaten het jaar nadien, maar dan op 18
oktober 1943 in zijn woonplaats Blaricum door een Nederlands
SS-commando vermoord. Daarmee wordt de band met Nederland
doorgeknipt.
Na de oorlog gaat Van Raemdonck politieke tekeningen maken voor
dagbladen de 'Volksgazet' en 'Vooruit' onder de schuilnaam Hop (een
herinnering aan zijn geboorte in het Hopland?) en verhuist voor de
laatste maal in 1947, nu naar de dr. Theo Tutsstraat 39 in Boechout,
waar hij buurman van Eugeen De Ridder wordt. Deze tandem zal vooral
van zich doen spreken in hun stamcafé bij Jos Verbruggen op de hoek
met de 'Borze' (deel van de huidige Jan Frans Willemsstraat tussen
Tuts- en Heuvelstraat). Georges gaat voor de kost vanaf 1964
samenwerken met Jef Van Droogenbroeck aan het stripverhaal Tijl
Uilenspiegel voor 'Vooruit'. Op 26 januari 1966 overlijdt hij in
rusthuis Heilige Familie - thans bekend als Vijverhof, waar twee
schilderijen van hem hangen. Bij Boechoutenaren blijft Georges Van
Raemdonck vooral bekend als de man van de cartoons van Boechoutse
figuren op bierviltjes. Sinds 1986 is er een Boechoutse cartoonale
naar hem genoemd. Vreemd, hoe een kunstenaar die op zijn 20ste de
bohémien gaat uithangen, eigenlijk zijn hele verdere leven is
blijven zwerven door omstandigheden die hij niet in de hand heeft.
Zwerven tussen bekendheid in Nederland en België, tussen de wil om
te schilderen en de noodzaak van tekenen. Dat heeft deze man wat
parten gespeeld: hij is nooit echt doorgebroken als erkend
kunstenaar door die dubbelzinnigheid in zijn leven.
|