|
Flor Van Reeth was liever schilder van mystiek-symbolisch werk
geworden, maar zijn vader verplicht hem voor de architectuur te
kiezen. Bij zijn eerste opdrachten hanteert hij een regionale stijl,
geboetseerd op de Vlaamse volksaard en geïnspireerd door de Engelse
Arts & Crafts beweging, waarmee hij in contact komt door zijn
lidmaatschap van kunstkring "De Scalden", ontstaan in 1889 in het
milieu van Antwerpse academiestudenten. Arts & Crafts betekent
terugkeren naar het ambachtelijke, waarin de maker zijn ziel heeft
kunnen leggen.
Op 12 mei 1906 is Flor Van Reeth aan het schilderen in het Lierse
begijnhof, wanneer Felix Timmermans daar passeert. Ze raken in
gesprek en Timmermans refereert aan een huisontwerp dat hij kort
tevoren op een tentoonstelling van 'Streven' in Boechout heeft
gezien. Van Reeth maakt zich bekend als de architect en herkent
eerst dan Timmermans, waarna de twee kunstbroeders vrienden voor het
leven worden. Samen ondernemen ze in augustus 1907 een studiereis
langs Vlaamse begijnhoven om de mystiek daarvan te voelen. In 1909
bouwt Van Reeth zijn eerste eigen huis, "De Witte Vaes" aan de
Kapellelei 32 in Mortsel. Het worden meteen drie soortgelijke
woningen bijeen, want naast zijn eigen huis heeft Flor het jaar
tevoren villa "Greta" (nr.34) voor beeldhouwer Floris De Cuyper
gebouwd en nog in 1909 volgt "Schilderslust" (nr.36, thans "'t
Hageroosje") voor kunstschilder Edward Daems, twee van zijn
vrienden.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog wijkt Van Reeth naar Engeland uit,
waar hij in direct contact komt met het tuinwijk-idee in Letchworth
ten noorden van Londen. Hij was al bekend met deze stijl uit de
publicaties daarover.
In 1921 ontwerpt Van Reeth samen met Jef Huygh en Jan Smits de
Lierse Zuid-Australië-tuinwijk in een soort begijnhofstijl. Hoewel
nog steeds van de Zuid-Australiëwijk wordt gesproken, heeft die
vandaag niets meer te maken met Van Reeths ontwerp. Zijn tuinwijk is
in de Tweede Wereldoorlog volledig verwoest. In 1924 sticht Flor Van
Reeth samen met Felix Timmermans en Ernest Van der Hallen de
kunstenaarsgroep "De Pelgrim". Zij willen als reactie op de
19de-eeuwse neo-stijlen een eigentijdse katholieke Vlaamse kunst
creëren en dat maakt Flor Van Reeth tot vernieuwer van de katholieke
kerkenbouw. De Pelgrim-gedachte resulteert in 1928 in de bouw van de
kapel in de Antwerpse Sint-Ludgardisschool, een vermaarde
Vlaamsgezinde instelling met in het bestuur Maria-Elisabeth Belpaire,
Frans Van Cauwelaert en Lieven Gevaert. Flor werkt hier samen met
glazenier Eugeen Yoors, die het fameuze kruisvisioen van Lutgard in
glas laat herleven. Een uitgebreidere opdracht volgt in 1930-'31 met
de Boodschapkapel van het Heilig Hartinstituut van de zusters
annonciaden in Heverlee. Van Reeth werkt daar samen met Eugeen Yoors,
Albert Servaes (kruisweg) en Rie Haan (art deco-smeedwerk).
Kardinaal Van Roey wijdde deze kapel op 4 oktober 1932 niet bijster
enthousiast in. In dezelfde stijl volgt een jaar later de kapel van het Antwerpse
Sint-Lievenscollege, dat als het ware een stenen manifest
voor de Vlaamse beweging is. Nog net voor Wereldoorlog II kan Van Reeth aan de nooit geheel
voltooide Heilig-Hartkerk in Lier beginnen, weer in samenwerking met
Eugeen Yoors, althans dat was de bedoeling. Uiteindelijk zijn de
ontwerpen van Yoors vervangen door ramen van Jan Huet. Mede onder
invloed van Henri Van de Velde evolueert Flor Van Reeth stilaan naar
een steeds modernistischer stijl, terwijl zijn ultieme droom, een
Kathedraal voor de Wereldvrede, nooit verder dan de tekentafel is
gekomen. Zijn laatste levensjaren heeft deze belangrijke architect
in rusthuis Sint-Jozef te Lier doorgebracht, waar hij nog als
89-jarige acteur aan een surrealistische film heeft meegewerkt, om
twee jaar later op 21 maart 1975 te overlijden.
HERBERG De TENIERSVRIENDEN. In 1907 verbouwd Flor Van Reeth de vroegere gemeentelijke
jongensschool van Boechout uit 1849 en 1853 tot een herberg met
feestzaal. Het is zijn eerste zelfstandige opdracht. De invloed van
de Engelse Arts & Crafts-beweging is duidelijk merkbaar. Het
bakstenen hoekgebouw heeft een bepleisterde eerste bovenlaag en de
verdiepingen worden gemarkeerd door hoekstenen en banden in
natuursteen. De verhoogde rechtertravee wordt geaccentueerd door een
houten erker met geglazuurde tegels. Het houtwerk roept de art
nouveau- en de cottagestijl op.
Binnen bevindt zich nog schrijnwerk en meubilair, dat Flor Van Reeth
eveneens heeft ontworpen.
|