FLOR VAN REETH   (1884-1975) 

Het Stille Pand

 

Frits Schetsken

Kunstschuimer

Boechout

Bollebooswicht


 

 


Flor Van Reeth was liever schilder van mystiek-symbolisch werk geworden, maar zijn vader verplicht hem voor de architectuur te kiezen. Bij zijn eerste opdrachten hanteert hij een regionale stijl, geboetseerd op de Vlaamse volksaard en geïnspireerd door de Engelse Arts & Crafts beweging, waarmee hij in contact komt door zijn lidmaatschap van kunstkring "De Scalden", ontstaan in 1889 in het milieu van Antwerpse academiestudenten. Arts & Crafts betekent terugkeren naar het ambachtelijke, waarin de maker zijn ziel heeft kunnen leggen. 

Op 12 mei 1906 is Flor Van Reeth aan het schilderen in het Lierse begijnhof, wanneer Felix Timmermans daar passeert. Ze raken in gesprek en Timmermans refereert aan een huisontwerp dat hij kort tevoren op een tentoonstelling van 'Streven' in Boechout heeft gezien. Van Reeth maakt zich bekend als de architect en herkent eerst dan Timmermans, waarna de twee kunstbroeders vrienden voor het leven worden. Samen ondernemen ze in augustus 1907 een studiereis langs Vlaamse begijnhoven om de mystiek daarvan te voelen. In 1909 bouwt Van Reeth zijn eerste eigen huis, "De Witte Vaes" aan de Kapellelei 32 in Mortsel. Het worden meteen drie soortgelijke woningen bijeen, want naast zijn eigen huis heeft Flor het jaar tevoren villa "Greta" (nr.34) voor beeldhouwer Floris De Cuyper gebouwd en nog in 1909 volgt "Schilderslust" (nr.36, thans "'t Hageroosje") voor kunstschilder Edward Daems, twee van zijn vrienden.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog wijkt Van Reeth naar Engeland uit, waar hij in direct contact komt met het tuinwijk-idee in Letchworth ten noorden van Londen. Hij was al bekend met deze stijl uit de publicaties daarover.

In 1921 ontwerpt Van Reeth samen met Jef Huygh en Jan Smits de Lierse Zuid-Australië-tuinwijk in een soort begijnhofstijl. Hoewel nog steeds van de Zuid-Australiëwijk wordt gesproken, heeft die vandaag niets meer te maken met Van Reeths ontwerp. Zijn tuinwijk is in de Tweede Wereldoorlog volledig verwoest. In 1924 sticht Flor Van Reeth samen met Felix Timmermans en Ernest Van der Hallen de kunstenaarsgroep "De Pelgrim". Zij willen als reactie op de 19de-eeuwse neo-stijlen een eigentijdse katholieke Vlaamse kunst creëren en dat maakt Flor Van Reeth tot vernieuwer van de katholieke kerkenbouw. De Pelgrim-gedachte resulteert in 1928 in de bouw van de kapel in de Antwerpse Sint-Ludgardisschool, een vermaarde Vlaamsgezinde instelling met in het bestuur Maria-Elisabeth Belpaire, Frans Van Cauwelaert en Lieven Gevaert. Flor werkt hier samen met glazenier Eugeen Yoors, die het fameuze kruisvisioen van Lutgard in glas laat herleven. Een uitgebreidere opdracht volgt in 1930-'31 met de Boodschapkapel van het Heilig Hartinstituut van de zusters annonciaden in Heverlee. Van Reeth werkt daar samen met Eugeen Yoors, Albert Servaes (kruisweg) en Rie Haan (art deco-smeedwerk). Kardinaal Van Roey wijdde deze kapel op 4 oktober 1932 niet bijster enthousiast in. In dezelfde stijl volgt een jaar later de kapel van het Antwerpse Sint-Lievenscollege, dat als het ware een stenen manifest voor de Vlaamse beweging is.
Nog net voor Wereldoorlog II kan Van Reeth aan de nooit geheel voltooide Heilig-Hartkerk in Lier beginnen, weer in samenwerking met Eugeen Yoors, althans dat was de bedoeling. Uiteindelijk zijn de ontwerpen van Yoors vervangen door ramen van Jan Huet. Mede onder invloed van Henri Van de Velde evolueert Flor Van Reeth stilaan naar een steeds modernistischer stijl, terwijl zijn ultieme droom, een Kathedraal voor de Wereldvrede, nooit verder dan de tekentafel is gekomen. Zijn laatste levensjaren heeft deze belangrijke architect in rusthuis Sint-Jozef te Lier doorgebracht, waar hij nog als 89-jarige acteur aan een surrealistische film heeft meegewerkt, om twee jaar later op 21 maart 1975 te overlijden.
 

HERBERG De TENIERSVRIENDEN.
In 1907 verbouwd Flor Van Reeth de vroegere gemeentelijke jongensschool van Boechout uit 1849 en 1853 tot een herberg met feestzaal. Het is zijn eerste zelfstandige opdracht. De invloed van de Engelse Arts & Crafts-beweging is duidelijk merkbaar. Het bakstenen hoekgebouw heeft een bepleisterde eerste bovenlaag en de verdiepingen worden gemarkeerd door hoekstenen en banden in natuursteen. De verhoogde rechtertravee wordt geaccentueerd door een houten erker met geglazuurde tegels. Het houtwerk roept de art nouveau- en de cottagestijl op.
Binnen bevindt zich nog schrijnwerk en meubilair, dat Flor Van Reeth eveneens heeft ontworpen.

 

  5