|
Op 11 maart 1793 wordt in huize "De Gulden Voet" aan het
Sint-Bavoplein (gesloopt in 1974, een gedenkplaat markeert de plek)
bij de familie Willems een jongetje geboren. Hij groeit op als
oudste van veertien kinderen in een kleinburgerlijk milieu, dat
geleidelijk wegsukkelt in armoediger omstandigheden. Vader kan lezen
en schrijven en is belastingontvanger en gemeenteraadslid in
Boechout. Wanneer er een overheidsdecreet komt in 1807, dat bepaalt
dat ambtenaren Frans moeten kunnen spreken, verliest vader Willems
zijn betrekking. Wellicht liggen hier de eerste kiemen van zoonliefs
flamingantisme. Bij Jan komt Frans op de tweede plaats, dus hij is
de juiste man om een lans te breken voor de Vlaamse taal.
Zijn ouders hebben een loopbaan als koster voor hem in gedachten,
daarom wordt hij naar Lier gestuurd voor onderricht, waar hij met de
Bergmanns in contact komt. Daar krijgt hij een aantal principes mee:
verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, interesse in de eigen taal,
voorliefde voor de liberale vrijheid.
Hij trekt naar Antwerpen en belandt daar in 1809 bij een notaris als
klerk. Hij publiceert gedichten in de Almanak van het "Tael- en
Dichtlievend Genootschap". In 1815 wordt hij adjunct-stadsarchivaris
van Antwerpen en eind 1821 bevorderd tot ontvanger van de
registratie. Zijn gedicht 'Aan de Belgen - Aux Belges' zorgt in 1818
al voor heel wat ophef. Tijdens het Hollands Bewind ontpopt hij zich
tot vurig 'orangist' en publiceert zijn "Verhandeling over de
Nederduytsche tael- en letterkunde, opzigtelyk de zuydelijke
provintiën der Nederlanden" (1819-1824). Een hele mondvol, maar het
gaat dan ook over een Grootnederlandse eenheidstaal.
Bij de Belgische Omwenteling in 1830 kiest Jan Frans partij voor
Nederland. Na de Belgische onafhankelijkheid wordt hem dat
enthousiasme voor koning Willem I niet in dank afgenomen en Jan
Frans wordt in 1831 als represaille overgeplaatst naar de kleine
stad Eeklo als ambtenaar van de registratie. Juist in die periode
verliest hij ook nog eens twee van zijn kinderen.
In 1834 publiceert Willems een moderne bewerking van de "Reinaert",
waarvan de voorrede vaak wordt beschouwd als een strijdkreet die de
Vlaamse beweging op gang brengt. Gerehabiliteerd wordt Willems in
maart 1835 aangesteld als ontvanger van de registratie te Gent. Kort
daarop wordt hij lid van de Koninklijke Academie omwille van zijn
grondige kennis van de Middelnederlandse letterkunde. Hij wordt in
Gent de spil van de jonge Vlaamse Beweging.
In 1836 richt hij samen met Jan-Baptist David de "Maetschappij ter
bevordering der Nederduytsche Tael- en Letterkunde" op. Deze
vereniging geeft het eerste wetenschappelijke tijdschrift in
Vlaanderen uit: "Belgisch Museum". Rond Willems scharen zich o.a.
Ledeganck, David, Van Duyse en anderen. Hij steunt het
geruchtmakende Vlaams Petitionement van 1840, dat de
vernederlandsing van de administratie, het gerecht en het onderwijs
vooropstelt.
In Gent leidt hij de toneelkring "De Fonteinisten". De toelating om
in de stedelijke schouwburg te kunnen optreden, wordt op de valreep
ingetrokken. Willems' verontwaardiging en protesten zijn zo heftig,
dat een dodelijke beroerte hem op 24 juni 1846 treft. Hij wordt op
het Campo Santo in Sint-Amandsberg begraven.
De eerste grote Vlaamsgezinde cultuurvereniging van liberale
strekking krijgt zijn naam, het Willemsfonds.
|