|
Eigenlijk zijn het schaduwwijzers, want de schaduw van een staaf op
een plaat geeft de tijd aan. De oudste berichten over zonnewijzers
komen uit China, waar het idee al rond 1100 voor Christus wordt
beschreven. Maar het gebruik van rechtopstaande staken om de tijd te
meten is veel ouder. De Egyptenaren gebruiken er hun obelisken voor
en ruim 43 eeuwen geleden, wist men ook al hoe laat het was in
Babylon, het huidige Irak.
Bij een vlak op de grond liggende wijzerplaat, moet je bij ons de
verticale staaf in de richting van de poolster laten wijzen onder
een hoek van 52°. Vaak staat er een metalen driehoek op zo'n
wijzerplaat, met een schuine hoek van 52 graden. Dat is de
geografische breedtegraad, waarop dit dorp zich op de aardbol
bevindt. Die nauwkeurige opstelling is nodig, omdat enkel op die
manier de zon om 12 uur 's middags de kortste schaduw werpt en de
aangeduide uren kloppen met de reële tijd. Bij een andere stand
loopt je zonnewijzer voor of achter en kom dan maar eens op school
aanzetten met het excuus: "Sorry, m'n zonnewijzer liep achter."
Wanneer de zonnewijzer aan de muur hangt, moet dat tegen een
zuidmuur gebeuren en wordt de hoek van de gnomon - de staaf - 39°
ten opzichte van de muur. Elk uur verplaatst de schaduw zich over
een afstand van 15°, waardoor je de juiste uren op de wijzerplaat
kan aanbrengen. Alleen blijkt de lengte van de uren te veranderen
met het jaargetijde, doordat de zon 's zomers hoger staat dan 's
winters. Hoewel een dag al sinds onheuglijke tijden in 24 uren is
verdeeld, duurden de daguren vroeger in de zomer langer dan de
nachturen en omgekeerd. De mensen hielden dus enigszins een
winterslaap. Dat lukte tot die sukkel de wekker met de opwindveer
uitvond!
|