|
Oorspronkelijk is een basilica bij de Romeinen een overdekte ruimte, die bij
een marktplein of forum aansluit en de mensen beschutting
biedt tegen felle zon of flinke regen. Het is dan een rechthoekige
zaal, met rijen zuilen verdeeld in drie of meer schepen, even
lange, naast elkaar lopende stukken. Het middelste deel steek wat
boven beide andere uit, zodat er openingen ontstaan om licht binnen
te laten via het dak. De ingang van zo’n basilica is steeds aan een
lange zijde en geeft uit op het forum. Ten behoeve van speciale
gebruiksmogelijkheden, zoals voor rechtspraak, wordt er aan de
andere lange zijde een uitbouw toegevoegd, een zogeheten absis.
Later gaan religieuze sekten gebruik maken van deze basilica’s voor
hun samenkomsten. Nadat onder keizer Constantijn in het jaar 313 na
Chr. het christendom als staatsgodsdienst is erkend, worden de
fundamentele kenmerken van de basilica overgenomen voor de bouw van
rooms-katholieke kerken.
Naast een bouwvorm
is basilica, wat letterlijk ‘koninklijk’ betekent, een
eretitel voor bepaalde rooms-katholieke kerkgebouwen. Daarbij wordt
onderscheid gemaakt tussen 'grote' en 'kleine' basilieken, de
basilica major en basilica minor. Er zijn slechts vier 'grote'
basilieken, alle in Rome: de Sint-Jan van Lateranen, Santa Maria
Maggiore, Sint-Pieter, Sint-Paulus-buiten-de-Muren. Die hebben alle
vier een porta sancta, een heilige deur die enkel in een
jubeljaar open is. Ze worden ook patriarchale basilieken genoemd,
omdat elk van hen beschouwd wordt als de zetel van een van de vier
grote patriarchen: de patriarch van het Westen – de paus -, van
Constantinopel, van Alexandrië en van Antiochië. Later zijn daar nog
de Sint-Laurentius-buiten-de-Muren in Rome als zetel van het later
ontstane patriarchaat van Jeruzalem en de Sint-Franciscus- en
Portiunculakerk in Assisi aan toegevoegd. Al deze patriarchale
basilieken hebben een zogeheten pausaltaar.
Daarnaast zijn er
de ‘kleine’ basilieken en dat kan elk ander kerkgebouw zijn, dat
deze titel krijgt van de paus bij apostolisch privilege. Er moet dan
wel iets bijzonders aan zo'n kerk zijn, waardoor deze een zekere
voorrang op andere kerken kan doen gelden. Het kan gaan om hoge
ouderdom van de kerk (de Sint-Willibrordus- en
Onze-Lieve-Vrouwebasilieken in Maastricht), of om een drukbezochte
bedevaartskerk (de basiliek van Scherpenheuvel), of om een kerk die
een speciale rol heeft gespeeld binnen het beleid van de Kerk,
bijvoorbeeld in de strijd om het 'Ware Geloof' ten opzichte van
concurrerende godsdiensten (de Sint-Willibrordusbasiliek in Hulst,
die enige tijd in handen van de protestanten is geweest, maar later
weer geheel voor de rooms-katholieke eredienst is verworven). Een
basiliek hoeft niet per se oud te zijn. Zo is de Brusselse Heilig
Hart-basiliek van Koekelberg een 20ste-eeuwse schepping, die pas in
de jaren '70 is voltooid. Evenmin speelt de grootte van de kerk een
rol.
Een basilica minor kan je herkennen aan twee
voorwerpen, die naast het hoofdaltaar staan. Links staat steeds het
conopeum,
een draaghemel - soort parasol - van zijdefluweel, met rode en gele
banen, de oude pauselijke kleuren van voor de tijd van Napoleon. (Nu
zijn dat blauw en geel). Bij processies wordt het conopeum in half
geopende stand meegedragen. Rechts van het altaar zie je het
tintinnabulum,
een standaard met een zilveren klokje op een draagstok.
Bekende Belgische basilieken zijn de
Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Halle, de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek
van Scherpenheuvel, de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Tongeren, de
Heilig Hart-basiliek van Koekelberg (een van de 19 gemeenten van
Groot-Brussel), de Heilig Bloedbasiliek van Brugge, de basiliek van
Bon-Secours in Henegouwen, de basiliek van Dadizele. In Nederland
bezit Maastricht de Sint-Servaasbasiliek en de
Onze-Lieve-Vrouwebasiliek en is er de Sint-Bavobasiliek in Haarlem.
Daarnaast zijn er in beide landen nog heel wat minder bekende
basilieken.
|