|
Bergfrid wordt gelatiniseerd tot berefridum, wat in het oud-Frans berfroi en later beffroi wordt, in het Engels belfry en in het Middel-Nederlands belfroet. Het wisselen van de medeklinker ‘r’ om een woord makkelijker te kunnen uitspreken komt vaker voor (‘born’ wordt ‘bron’) en zo wordt ons woord uiteindelijk belfort – wat dus niets met een mooi fort te maken heeft. Intussen is die belegeringstoren binnen de wallen terechtgekomen als een verdedigingstoren, eerst behorend bij een ruimer geheel, later als alleenstaande wachttoren. In zo’n stedelijke wachttoren worden de privilege-documenten bewaard in een stevige afgesloten ruimte, het secreet. Ook is het voor de komst van stadhuizen vaak de ruimte waar het stadsbestuur samenkomt om te vergaderen. Boven in zo’n belfort is de stadswacht aanwezig, die alarm moet slaan bij brand of bij nadering van een vijand. Eerst doet hij dat door op een trompet te blazen, later komt er een alarmklok in de toren te hangen. Die krijgt weldra gezelschap van een tweede klok met een andere klank, waarmee de arbeidsuren worden aangeduid: aanvang van het werk, middagpauze en de tijd die er nog rest voordat de stadspoorten worden gesloten. Wie op het land werkt, moet dan zien dat hij tijdig binnen raakt. Naarmate de steden zich onafhankelijker gaan opstellen tegenover lokale heren en hogere vorsten, wordt het belfort steeds meer een symbool van stedelijke vrijheid. De macht om zelf eigen zaken te regelen. Vandaar de uitdrukking ‘stadslucht maakt vrij’. Vaak wordt zo’n belfort vastgeklonken aan het belangrijkste gebouw van de stad, in Vlaanderen doorgaans de lakenhal, omdat deze opslag-, verkoop- en vergaderplaats de machtsbasis vormt van de gilde der rijke lakenhandelaars. In steden waar zo’n machtig gilde ontbreekt, wordt vaak de kerktoren als belfort gebruikt. De bouw en het onderhoud van deze toren wordt in zo’n geval door het stadsbestuur bekostigd. Naarmate stadsbesturen steviger in hun schoenen staan, wordt het belfort vaker een onderdeel van hun stadhuis. Een grote concentratie van steden met een belfort vinden we in het middeleeuwse Vlaanderen, dat zich uitstrekt over de huidige Belgische provincies Oost- en West-Vlaanderen, het Nederlandse Zeeuws-Vlaanderen en Frankrijk met de departementen Nord, Pas-de-Calais en een deel van Somme, in feite de streken Frans-Vlaanderen, Artesië en Picardië. Daarnaast komen belforten voor in de provincies Namen en Henegouwen en in het oude hertogdom Brabant, met name de huidige provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant. Belgisch Limburg – het vroegere graafschap Loon – kent geen belforten, met uitzondering van de zelfstandige steden Sint-Truiden en Tongeren. Ook in het prinsbisdom Luik, dat later Loon annexeert, bestaat het belfort niet. Daar wordt het perron het teken van stedelijke vrijheid. In Nederland zijn er slechts enkele steden met een belfort, met name de Zeelandse hoofdstad Middelburg en de oude stad Delft, plus de twee Zeeuws-Vlaamse belforten, die van Sluis en Hulst. Sinds enkele jaren zijn een groot aantal belforten door de UNESCO erkend als Werelderfgoed. Daaraan zijn voorwaarden verbonden: de steden moeten reeds vanaf de middeleeuwen over stadsrechten beschikken en de belforten moeten met traditioneel materiaal zijn gebouwd, al hoeven ze daarom niet uit de middeleeuwen te dateren. Als bouwperiode wordt namelijk de 13de eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog in de 20ste eeuw aanvaard. Zo blijft het voor de vele steden in Vlaanderen die hun belfort tijdens de Eerste Wereldoorlog vernietigd zagen toch mogelijk om met hun herbouwd belfort in aanmerking te komen voor UNESCO-bescherming. Die vlag dekt daardoor vele ladingen, zowel wat oudheid van de gebouwen betreft, als wat hun verschijningsvorm aangaat. Het ene belfort is beslist het andere niet. Ze vallen wat uiteen in drie types: stoere torens met eerder een verdedigingskarakter, sierlijke torens die de stedelijke welvaart uitstralen, de als belfort gebruikte kerktorens. Die laatste groep komt niet in aanmerking voor de UNESCO-titel. Tot de mooiste voorbeelden behoren de belforten van Gent, Brugge, Mons en de stadhuisbelforttorens van Brussel, Oudenaarde, Arras, Douai en Boulogne-sur-Mer.
|
||||||
| 5 |