|
LAMBERT ADOLPHE JACQUES QUETELET (1796-1874) |
|||||||
|
Maar echt bekend is Adolphe geworden, omdat hij tracht een combinatie van exact onderzoek en sociale wetenschap tot stand te brengen, waarbij hij het begrip ‘gemiddelde mens’ introduceert – niet te verwarren met Jan Modaal of Jan met de Pet, dat is nattevingerwerk waarmee Quetelet zich niet inlaat. Hij gaat ervan uit, dat de regelmaat van natuurverschijnselen zich ook voordoet bij menselijke sociale fenomenen. Door nu de lichamelijke kenmerken en geestelijke eigenschappen van de bevolking te meten, kan je komen tot een gemiddeld optreden daarvan. Vanuit dat vertrekpunt - de gemiddelde mens – stel je vervolgens bij elk individu vast in hoeverre hij of zij daarvan afwijkt. Quetelet meende dat een vermenging van mensen van verschillende maatschappelijke niveaus en rassen ertoe zou leiden, dat de verschillen in aantal zouden toenemen, maar dat hun intensiteit zou afnemen. Wat heeft dat meten voor praktisch nut? Wel, de methode wordt vandaag wereldwijd gebruikt om je ideale gewicht vast te stellen, de Body Mass Index, officeel zelfs de Quetelet-index geheten. Maar Adolphe Quetelet heeft nog iets bijzonders gedaan, dat echter de tand des tijds niet heeft doorstaan. Dat was het aanbrengen van middaglijnen in Belgische steden om daarmee de plaatselijke zonnetijd te bepalen. Er was namelijk een probleem met de tijd. Doordat niet alle steden op dezelfde meridiaan liggen, staat de zon niet overal op hetzelfde moment op het hoogste punt. De lokale tijd werd evenwel met behulp van een zonnewijzer gemeten, juist wanneer de zon in het zenit stond. Daarop werden dan de plaatselijke klokken gelijk gezet. Nu was het jonge België er als eerste bij op het Europese vasteland de trein als verkeersmiddel te introduceren vanaf 1835. Stel maar eens een dienstregeling op, wanneer de klokken in de diverse steden niet dezelfde tijd aanwijzen – en dat kon behoorlijk verschillen, zodat je volgens Adolphe soms in de ene stad om 3 uur kon vertrekken en dan elders vóór 3 uur kon aankomen. En bij enkelsporige trajecten, waar je moet weten of de tegemoetkomende trein al voorbij is, wordt het zelfs ronduit een levensgevaarlijke situatie. Koning Leopold I zag het probleem en bij koninklijk besluit van 22 en 29 februari 1836 wordt Quetelet ingehuurd om daar wat aan te doen. Hij moet voorrang geven aan steden die langs een spoorlijn liggen, met name Mechelen, Antwerpen, Dendermonde, Gent, Brugge, Oostende, Leuven, Tienen, Luik, Verviers en nog een handvol andere, in totaal 41 steden. Adolphe Quetelet gaat dan in elke stad een soort zonnewijzer plaatsen, die gelinkt wordt aan de meridiaan of middaglijn van die stad. Wanneer de zonnestraal of de verste punt van de schaduw van een rechtstaand voorwerp op een exact noord-zuid op de grond aangebrachte lijn valt, kan je daarop de klokken gelijk zetten. Maar omdat Adolphe’s kennis voor heel wat andere taken ook werd ingezet door de koning, is hij maar in tien steden aan de installatie van zo’n middaglijn toegekomen, waarvan er nu nog zeven resteren. Doordat vanaf 1870 de elektrische telegraaf in gebruik kwam, die toeliet om een tijdssignaal meteen over het hele land door te geven, is Quetelet ingehaald door de vooruitgang en is het project nooit voltooid. Bovendien werd eind 19de eeuw de Middel Europese Tijd ingevoerd, waardoor lokale tijdsverschillen helemaal verdwenen. Op 17 februari 1874 sloeg Adolphe’s laatste levensuur in Brussel.
|
||||||