REDERIJKERS

Het Stille Pand

 

Frits Schetsken

Kunstschuimer

Dendermonde

Bollebooswicht


In 1555 wordt in Gent postuum een boek uitgegeven van de Oudenaardse rederijker Matthijs de Castelein met als titel Const van Rhetoriken (De Kunst van de Retorica, ofwel Welsprekendheid). Zo weet je al meteen waar dat woord rederijker vandaan komt. Het zijn mensen die zich in hun vrijetijd graag bezighouden met dichten en toneelspelen. Dan moet je natuurlijk wel vrijetijd hèbben. En wat kunnen lezen – voor toneelrollen – en schrijven – om te dichten. Aan die voorwaarden wordt stilaan voldaan op het hoogtepunt van de middeleeuwen, zo tussen de 14de en de 16de eeuw. Uiteraard eerst bij de wat ontwikkelde stedelingen, later ook alom in de dorpen. Deze vrijetijdsclubs worden opgezet naar het voorbeeld van de vakgilden, met leden, een beschermheer als ere-leider met de titel Keizer of Prins, een deken als reële en vaak meteen geestelijke leider en een factor, die toneelstukken schrijft en regisseert. Gezien hun bijdrage aan feestelijke ontvangsten en religieuze processies, is het stadsbestuur de rederijkers welgezind. Tenzij ze wat al te ver buiten de lijntjes gaan kleuren, zoals op een rederijkersbijeenkomst te Gent in 1539, waarna de daar vertoonde toneelstukken verboden werden.

Zulke samenkomsten van allerlei rederijkerskamers vonden regelmatig plaats en werden in navolging van de bijeenkomsten van de schuttersgilden landjuweel genoemd. Waarbij ‘juweel’ wellicht is afgeleid van joiel, spel, waarin je de Franse woorden ‘joie’ (vreugde) en ‘jeu’ (spel) herkent.

In het noordwesten van Frankrijk ontstaan deze clubs al in de 13de eeuw onder de naam puy. Begin 15de eeuw duiken ze op in het graafschap Vlaanderen en hertogdom Brabant, waar ze na de komst van het Bourgondische hof naar Brussel in 1430 een grote vlucht nemen. In de tweede helft van die eeuw zie je ze ook in Holland en andere noordelijke Nederlanden verschijnen.

Elke rederijkerskamer heeft een mooie naam en een fraai blazoen, een zinspreuk. Bekend zijn De Violieren (Antwerpen) met “Uyt Jonsten Versaemt” (uit goesting bijeen; verenigd voor ons plezier), De Kerssauwe (Oudenaarde) met “Jonst weet Konst” en als factor de reeds geciteerde Matthijs de Castelein (1488-1550), De Heleghe Gheest (Brugge) in welks naam de religieuze oorsprong van vele clubs nazindert, Jezus metten Balsenbloeme (Gent) en De Roose (Leuven). In het noorden zie je een Noord-Nederlandse naast een Zuid-Nederlandse kamer in dezelfde stad ontstaan: Het Wit Lavendel naast De Eglantier met als zinspreuk “In liefd’ bloeyende” te Amsterdam.

Rederijkers maken gedichten, waarmee ze stilaan de techniek van de dichtkunst gaan beheersen en ermee experimenteren. Dat leidt tot het overheersen van de gekunstelde vorm in de retrograde, die zowel van links naar rechts als omgekeerd gelezen kan worden, de zesde ballade, die op zes verschillende manieren kan worden voorgedragen, of het acrostichon, waarbij de eerste letters van elke regel verticaal een naam vormen. Veel gedichten eindigen met een Prince, een slotstrofe die met dat woord begint en zich tot de ere-leider richt.

Bij toneelstukken – vaak opgevoerd als wagenspel met een kar als podium – zijn er de religieuze spelen zoals de zeven Bliscapen van Maria, van 1448 tot 1566 opgevoerd in Brussel, waarvan enkel het laatste bewaard is gebleven, de mirakelspelen met als bekendste Marieken van Nieumegen en de moraliteiten zoals Den Spyeghel der Salicheit van Elckerlyc van Petrus Dorland van Diest. Als een soort toemaatje waren er de cluyten, nu kluchten genoemd, waarschijnlijk afgeleid van het woord klieven, in de zin van onderbreken. Het waren vrij grove grappige korte stukken. De sotterniën hadden een sterkere compositie en doordachtere opbouw. Later komen nog de esbattementen (van het Franse “se battre”, zich amuseren), eerst als ernstig spel, in de 16de eeuw meer en meer een humoristisch naspel. Voorbeelden: Eene genoechlijke Clute van Nu noch (1504), Een clute van Playerwater (ca.1500), Esbatement van ‘tWezen (1511) van de Brugse auteur Cornelis Everaert (1480-1556).

Naarmate de renaissance sterker doordringt in de Nederlanden verdwijnen de rederijkerskamers, hoewel sommige later opnieuw zijn opgericht en tot nu voortbestaan, zoals De Violieren in Antwerpen. Maar hun culturele rol is overgenomen door het beroeps- en amateurtoneel en recent hier en daar door stadsdichters.