|
PETER ROGIERS [1967- ] |
|||||||
|
Meteen is al duidelijk, dat hij weliswaar vanuit de kunsttraditie vertrekt, maar daar een geheel eigen invulling en voortzetting aan geeft. Dat uit zich zowel in een anarchistisch rebelse benadering van traditionele geplogenheden, als in het gebruik van eigentijdse materialen als piepschuim, polyester of inox. Peter Rogiers heeft een duidelijke voorkeur voor kunstmatige boven natuurlijke materialen, omdat hij daarmee een grotere afstand kan creëren tot de traditie en dus tot de verwachtingen van de toeschouwer. De eerste om het talent van Peter Rogiers vanuit de professionele kunstwereld te herkennen, was Annette De Keyser, die hem in 1995 een eerste solotentoonstelling geeft in haar Antwerpse galerij. Met een opvallend danseresje à la de 19de-eeuwse Franse schilder-beeldhouwer Edgar Degas wekt Rogiers interesse, want hij trekt haar op uit polyester en dierenhuid. Bovendien verdraait hij de pose van zijn figuurtje, zodat de referenties naar het historische model direct weer worden tegengesproken en er dus een tegenstrijdige indruk overblijft. Na dit eerste statement volgen beelden waarbij Peter Rogiers de fotografische techniek van het perspectief toepast op driedimensionale sculpturen. Die worden gemodelleerd vanuit één realistisch punt dat als gezichtshoek dient, van waaruit de rest van zo’n beeld wordt opgebouwd alsof we met een tweedimensionale foto te maken hebben, met zeer uitgerekte perspectivische vertekening van ledematen en lichamen. Omdat een hoofd dicht bij een lens enorme dimensies krijgt door het opblazen van de werkelijkheid, geeft Peter zijn figuren ballonhoofden. Intussen heeft de kunstkritiek hem ontdekt en een etiket gevonden voor zijn aanpak: postmodernistische ironiserende beeldhouwkunst. Om daar al even ironisch op te reageren, toont Peter Rogiers op zijn expo ‘De Praktijk’ in het Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen in 1997 volledig abstracte constructies met totaal vrije vormen, die opgehangen zijn aan de wanden en voorziet hij het geheel van een compleet onbegrijpelijke toelichting in de catalogus. In de lente van 1999 volgt een tentoonstelling in de Brusselse galerij van Xavier Hufkens, waar gifgroene, vuurrode en knalgele polystyreenbeelden heel massief en zwaar ogen, maar juist door het lichte piepschuim vrijwel gewichtloos zijn in hun breekbare materiaal. Voor een expositie in het Openluchtmuseum voor Beeldend Werk Middelheim te Antwerpen laat Peter Rogiers zich inspireren door de Romeinse encaustiek, een wasschilderkunst waarbij de kleuren worden ingebrand. Alleen gaat hij een stap verder door willekeurig waslagen af te schrapen, zodat de felle kleuren onverwachts verspringen. Dat idee haalt hij uit zijn liefde voor USA-undergroundstrips. Voor het project Stad van Letters in Antwerpen anno 2005 werkt Peter Rogiers samen met auteur Tom Naegels een idee uit rond de letter O. Het wordt een bizar stripverhaal met collages van Peter op een scenario van Tom, uitgegeven als ABC-cahier. In datzelfde jaar verschijnt op de Grote Markt van Dendermonde Peters ‘Coconut’, een bronzen palmboom. Dat exotische thema herneemt hij in 2006 voor de Poëziezomer van Watou. Het herhalen van delen uit vroeger werk in nieuwe creaties, waar die dan in een andere context opduiken, wordt stilaan een kenmerk van Peter Rogiers, waardoor de diverse werkstukken een doorlopend geheel gaan vormen als verschillende verschijningen van eenzelfde personage. Naast beeldend werk is Peter Rogiers ook in de weer met animatiefilm, tekeningen en schilderijen. Daarbij is de fascinatie voor het dansend lichaam dikwijls herkenbaar, een metafoor voor de onrust in onze maatschappij - en wellicht is Peter Rogiers zelf ook een druk baasje. Hem blijven volgen wordt dus op je adem trappen. Het enerverende leven van deze vernieuwer speelt zich vandaag af in Oud-Heverlee.
|
||||||