PIERRE BRUNO BOURLA   (1783-1866)

Het Stille Pand

 

Frits Schetsken

Quartier Latin

Bollebooswicht  


Bourla is door zijn geboorte in Parijs op 19 december 1783 weliswaar Fransman, maar zijn ouders komen uit het Henegouwse Tournai (Doornik). Hij is de oudste zoon van Jean-Bruno Bourla, die het in Parijs tot Inspecteur des Domaines heeft gebracht. Die stuurt zijn zoon naar het jezuïetencollege in Doornik, om de verlokkingen van het wufte Parijse studentenleven te ontlopen. Pierre Bruno zal er ook de als uitstekend bekend staande tekenacademie volgen, waar ook pa zelf, oom Dominique Bourla en neef Bruno Renard les hebben gevolgd. 

Na zijn terugkeer in Parijs kan hij aan de slag als medewerker van Charles Percier (1764-1838), de beroemde architect van Napoléon Bonaparte. Hij krijgt ook les in de klassieke Franse traditie van Fontaine, Ledoux en vooral van Jean Nicolas Durand, belangrijk theoreticus van het functioneel rationalisme. 

Achitectuur zit in de familie: jongere broer Alexandre Bourla (1795-1834) ontwerpt het Parijse Cirque Olympique, neef Bruno Renard is vooral bekend van Grand-Hornu, de steenkolenmijn nabij Saint-Ghislain, die Henri Degorge vanaf 1820 laat uitbouwen tot een industrieel complex en waarin thans het o.a. het Musée des Arts Contemporain (MAC's) van Wallonië is gevestigd.

Pierre's zussen France Louise (1781-1834) en Aglaea (1747-1840) trouwen allebei met zonen van de eveneens uit Doornik afkomstige, maar naar Parijs gekomen architectenfamilie Vifquain. France Louise met Jean-Baptiste Vifquain (1789-1851), die zodadelijk nog in dit verhaal opduikt. 

In 1804 loot Pierre Bruno erin voor het Franse leger van Napoléon. De familie koopt een plaatsvervanger, maar die deserteert, zodat zoonlief werkelijk onder de wapenen wordt geroepen. Op 22 juli 1812 wordt hij bij Salamanca door de Engelsen krijgsgevangen genomen en naar hun land gevoerd. In de gevangenis mag hij aanvankelijk zijn passerdoos behouden, die hij echter later met iemand meegeeft, om zijn ouders te laten weten dat hij nog in leven is. Na Napoléons nederlaag bij Leipzig het jaar daarop, wordt Pierre Bruno vrijgelaten en eind 1813 is hij terug thuis in Parijs, waar inderdaad zijn passerdoos op hem wacht. 

Na de slag bij Waterloo vestigt Jean-Baptist Vifquain zich in de Nederlanden van koning Willem I. Dankzij zijn uitstekende opleiding aan de Parijse polytechnische school, wordt hij inspecteur-generaal van Bruggen en Wegen. Hij werkt mee aan de Brusselse Muntschouwburg en raadt zijn zwager aan om ook naar Brussel te komen.  

In 1816-'17 laat Vifquain zijn zwager toezien op de werken aan het paviljoen voor de Prins van Oranje in Tervuren, dat gebouwd wordt op de fundamenten van het vroegere jachtslot van de hertogen van Brabant, vandaag een ruïne nabij het Museum voor Midden-Afrika.

Pierre Bruno neemt deel aan diverse architectuurwedstrijden, waarbij hij een eerste prijs behaald in Antwerpen (1819) met een ontwerp voor een nieuw burgerlijk gasthuis met 1000 bedden. Het levert hem de betrekking van leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en de functie van Stadsbouwmeester op, hetgeen ook directeur van de Stedelijke Havenwerken inhoudt. 

Pierre Bruno gaat op 21 september 1820 op kamers wonen bij de jonge weduwe Kennes in de Huidevettersstraat 31 en zal zijn hele leven vrijgezel blijven.

Op 10 december 1823 krijgt Bourla op eigen verzoek eervol ontslag als professor aan de academie. In feite een gedwongen verzaking aan dit docentschap, omdat vastgesteld wordt dat de heer Bourla geen Nederlands kent en het niet te verwachten valt, dat hij die taal snel machtig zal zijn. En dat kon niet in het land van de Nederlandse vorst Willem I.  De functie van stadsbouwmeester blijft hij evenwel tot 1861 behouden. 

Vanaf 1824 restaureert Bourla de oude collegezaal van het stadhuis. Hij richt een kabinet in voor burgemeester Floris Van Ertborn met een 16de-eeuwse renaissanceschouw, die wordt gerecupereerd uit een huis aan de Sint-Jacobsmarkt. 

Bij de bouw van het nieuwe Sint-Elisabethziekenhuis voorziet hij in 1826 een poortgebouw als toegang tot de bijbehorende  Plantentuin aan de Leopoldstraat, waar in 1828 ook een - inmiddels vervangen - orangerie/broeikas van zijn hand verrijst.

Tussen 1827 en '29 restaureert Bourla samen met Louis Serrure de Onze-Lieve-Vrouwetoren, waarvan zij in 1825 reeds de hoogte nauwkeurig hebben bepaald op 124,925 m. (Vandaag beweert elke Antwerpenaar nochtans, dat 'zijn' toren 123 meter hoog is!) 

In 1827 volgt de opdracht voor het nieuwe 'Grand Théâtre', zoals de schouwburg aanvankelijk wordt genoemd. Op 28 juli 1829 wordt de aanbesteding gedaan, de bouw zal duren tot 1834. Bourla beleeft in die periode de Belgische Omwenteling van 1830, wat hem kennelijk geen problemen oplevert. 

Tussen 1839 en 1843 werkt hij aan de verbouwing en uitbreiding van het vroegere Minderbroedersklooster aan de huidige Mutsaardstraat. Dat complex is in 1810 ter beschikking gesteld van de Academie voor Schone Kunsten.

In 1856 volgt nog het Kattendijkdok op het Eilandje, waarvoor Bourla samenwerkt met de nieuwe stadsarchitect Frans Stoop. 

Samen met o.a. Bruno Renard, Tilman François Suys en Louis Joseph Roelandt maakt hij deel uit van de bij Koninklijk Besluit van 7 juni 1835 opgerichte 'Koninklijke Commissie voor Monumenten', die tot doel heeft het behoud en de studie van het nationale bouwkundige patrimonium. 

Op 1 januari 1862 wordt Bourla op eigen verzoek met pensioen gestuurd, maar hij blijft ere-architect, om langs die weg eventueel nog beroep op hem te kunnen doen.   

Pierre Bruno Bourla sterft in Antwerpen op 31 december 1866,  zijn lichaam wordt overgebracht naar een ereperk-rondpunt op het Schoonselhof.

 

 

5