|
JOZEF CANTRÉ (1890-1957) |
|||||||
|
Hoewel veel kunstenaars juist tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland uitwijken, gaat Jozef daar pas in 1918 heen, naar de kunstenaarsdorpen Blaricum en Oisterwijk. Hij houdt ook veel contact met de schilders Gustaaf De Smet en Frits Van den Berghe en onder hun impuls komt er een kentering in zijn werk in de richting van moderne stromingen als het expressionisme en Afrikaanse plastiek. Cantré behoort tot de beeldhouwers die na Wereldoorlog I het rechtstreeks in het materiaal kappen - taille directe - in ere herstellen. In 1923 woont hij enige tijd in Berlijn en pas in 1930, dus bijna op zijn 40ste, zien we Cantré terug in Gent. Tijdens die lange periode in Nederland, komt hij tot een persoonlijke stijl, gekenmerkt door een krachtig ritmeren van de vormen, gekapt in hout of steen en gebonden in een geometrisch-evenwichtige compositie. Tussen 1941 en 1946 is hij leraar typografie aan het Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten La Cambre, de door Henry van de Velde opgerichte kunstenopleiding in de Ter Kamerenabdij aan de vijvers van Elsene. Tegelijkertijd, maar wel 10 jaar langer, geeft Jozef een cursus houtgravure bij het Antwerpse Plantingenootschap. In 1952 behaalt Cantré de Angelo-prijs voor graveerkunst op de 24ste Internationale Biënnale van Venetië. Naast beeldhouwen en houtgravures, verzorgt Jozef Cantré ook boekillustraties zoals bij De boer die sterft van Karel Van de Woestijne. In het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim staat zijn werk Hero en Leander, een sculptuur in teakhout uit 1931. Ook het Museum van Deinze en de Leiestreek in Deinze bezit werk van Cantré. Aan het Frankrijkplein in Gent-Zuid staat zijn monument voor Edward Anseele, waaraan Cantré in 1938 is begonnen, maar dat hij door tussenkomst van de Tweede Wereldoorlog pas in 1948 heeft kunnen voltooien. Het 5 meter hoge werkstuk bestaat uit vijf boven elkaar geplaatste delen in Balmoralgraniet, waar de voorman van de Belgische socialistische arbeidersbeweging uittorend boven het werkmansvolk, dat hij beschermt met zijn arm en meteen de weg wijst naar hun toekomst - toen nog niet het stempellokaal.
|
||||||