REMBERT DODOENS (DODONAEUS)   (1518-1585)

Het Stille Pand

 

Frits Schetsken

Kunstschuimer

Quartier Latin

Bollebooswicht


Rembert Dodoens is de in 1518 in Mechelen geboren zoon van de uit Friesland afkomstige lijfarts van keizer Karel V. Hij studeert geneeskunde in Leuven en behaalt daar op z'n achttiende de graad van licentiaat in de medicijnen. Daarna reist door Frankrijk, Duitsland en Italië, om in 1548 benoemd te worden tot stadsgeneesheer van Mechelen. In 1574 wordt hij in Wenen lijfarts van keizer Maximiliaan II en nadien van diens opvolger Rudolf van Oostenrijk. Bij zijn terugkeer naar Mechelen moet hij vaststellen dat zijn bezittingen in beslag zijn genomen, onder voorwendsel dat hij ze heeft achtergelaten. Na enkele jaren in Keulen en Antwerpen te hebben gewerkt, aanvaart Rembert in 1583 een leerstoel geneeskunde aan de universiteit van Leiden, waar hij enkele jaren later in 1585 op 67-jarige leeftijd overlijdt. 

Dodoens verricht baanbrekend werk, onder meer door de recente ontdekkingen zoals die van Leonard Fuchs (1501-1566) aan wie hij tekeningen ontleent, in overeenstemming te brengen met de oude beschrijvingen. Hij neemt slechts planten op die werkelijk door de oude commentatoren zijn beschreven en voegt er tot dan  onbekende planten aan toe. Hij legt zich vooral toe op de gedetailleerde beschrijving van inheemse planten, die hij niet alfabetisch rangschikt omdat de benamingen van auteur tot auteur verschillen en vaak op totaal verschillende planten slaan. Zijn rangschikking is eerst op de eigenschappen en de toepassingen van de planten gebaseerd, vervolgens op hun vorm en wederzijdse overeenkomsten, zodat deze later herhaaldelijk wordt gewijzigd. Omdat hij zelf planten kweekt en zijn werk toegankelijk wil maken voor de talrijke tuinbouwkundigen die geen Latijn kennen, schrijft hij zijn Cruijde Boeck in de volkstaal. Het wordt in 1554 in Antwerpen gepubliceerd door drukker Jan van der Loe en heeft zo'n succes dat er herhaaldelijk herdrukken van verschijnen. Later wordt het in het Latijn vertaald en Clusius verzorgt in 1557 een Franse vertaling, waarbij hij het werk meteen uitbreidt en er verschillende nieuwe platen aan toevoegt, welk werk in 1578 op zijn beurt door Lyte in het Engels wordt vertaald.

Behalve dit plantenboek worden de meeste werken van Dodoens na zijn dood gebundeld in 1608, 1618 en 1644. Van Rafelinghen voegt er enkele bijlagen uit de werken van Clusius, Garcia da Orta, Monardes en Ceistoval A Costa aan toe, alsmede enkele platen uit Clusius, Alpinus en Fabius Columba. Op medisch gebied brengt Dodoens een nieuwe uitgave van de door Gunther van Andernach in het Latijn vertaalde werken van Paulus van Aegina (1546). Hij corrigeert deze vertaling aan de hand van een ouder Grieks manuscript. Een bundel van zijn medische waarnemingen verschijnt in Keulen (1581). Een van zijn leerlingen, Sebastiaan Egbert, publiceert zijn Leidse colleges, aangevuld met randnota's (1616 en 1640).