|
RIK POOT (1924-2006) |
|||||||
|
Riks vader start met zijn schoonbroer in 1929 een bronsgieterij, die zich zal toeleggen op kerkhofdecoraties. Die oom-schoonbroer heeft een tijdlang in een kopergieterij gewerkt en daar het vak goed onder de knie gekregen, terwijl Riks vader enige jaren middelbare school heeft gelopen en zich daarom met het administratieve deel van de onderneming mag bezighouden. Een oude boerderij op de Kassei fungeert als atelier en daar leert de kleine Rik het vak al spelenderwijs. Pa laat zijn zoon doelbewust de handelsafdeling van het Vilvoordse Koninklijk Atheneum volgen, in de hoop zo later steun bij de bedrijfsadministratie te krijgen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt Rik naar de kunstacademie van Molenbeek gestuurd, waar hij tussen 1944 en '46 les krijgt van Frans Lambrechts. Vader hoopt dat Rik hier ontwerpen voor grafkruisen leert maken, want die koopt de gieterij tot dan toe aan in Italië. In 1947 trouwt Rik en dat huwelijk zal hem later twee kunstzinnige kinderen schenken. Na dat feestelijke intermezzo volgt Poot nog cursussen aan de Brusselse academie (1948-'49 en 1952-'53). Tussen die twee studiejaren onderneemt hij in 1949 een kunstreis naar Frankrijk en Italië. In 1950 kan Rik Poot van een Grimbergse notaris grond kopen om er een eigen atelier te bouwen. Hij ondergaat in die dagen de invloed van grote namen in de beeldhouwkunst: Auguste Rodin, Henri Moore, Ossip Zadkine en Oscar Jespers. Zelf kapt hij aanvankelijk in diverse steensoorten met de taille directe techniek (meteen in de materie) en werkt hij ook in terracotta, waarbij de mannelijke figuur en dieren de inspiratiebronnen vormen. Deze gestileerde werken verwijzen vaak naar de Oosterse en Afrikaanse cultuur. Onze verscheurde wereld vormt dan dikwijls de thematiek van Poots werk, met daarnaast het paard in de hoofdrol. In 1963 schakelt Rik Poot over op brons, volgens het verloren was-procédé (cire perdue). Hij bouwt zijn beelden op uit aparte fragmenten, die samengebracht worden tot één compositie. Daarbij wordt inspiratie gehaald uit natuurvormen, zoals schelpen, die hij verzamelt tijdens zijn regelmatige vakanties aan de Franse Noordzeekust. Vanaf 1967 gaat Rik Poot zelf zijn bronzen beelden gieten. Door het gebruik van patina en het bewerken van het oppervlak met een beitel verhoogt hij de inbreng van de materie in zijn creaties. Ook als tekenaar is Rik Poot actief. Poot behaalt in 1948 de Grote Prijs voor Beeldhouwkunst in openlucht van België en het jaar nadien de Godecharleprijs. In 1952 neemt hij deel aan de 11de Biënnale voor Beeldhouwkunst in het Middelheimpark te Antwerpen, waar vandaag zijn Staande Man uit blauwe hardsteen en De Grote Amoniet, een soort bronzen 'fossiel', te bewonderen vallen. Twee jaar later (1954) behaalt hij een eervolle vermelding in de Jeune Peinture - Jeune Sculpture Belge-wedstrijd. Zelf beweert Poot daarover, dat de notabelen die het prijzengeld beschikbaar stelden slechts één geldprijs wilden geven en dat schilderkunst voorging op beeldhouwen, vandaar slechts de eer als prijs. Vanaf 1961 wordt Rik Poot leraar monumentale beeldhouwkunst aan het prestigieuze Nationaal Instituut voor Bouwkunst en Sierkunsten Ter Kameren (La Cambre) in Brussel, waar hij tot 1984 aan verbonden blijft. Intussen exposeert hij in het Braziliaanse São Paulo (1975) en in 1994 behoort hij tot de deelnemers aan de Poëziezomer in Watou, waar de beeldende kunst wordt geconfronteerd met de poëzie van Hugo Claus. Tot de bekenste werken van Rik Poot behoren De Vier Ruiters van de Apocalyps in de Arentshof te Brugge - die de aardse gruwelen voorstellen: dood, oorlog, honger, revolutie - Rustende Najade in de vijver van het kasteel-gerechtshof in Turnhout en Brabander - een paard - op het Heldenplein in zijn geboortestad Vilvoorde.
|
||||||