|
Over Keerpunt van Lucienne Stassaert
door
Renaat Ramon
In
Tussen water en wind (1998) van Lucienne
Stassaert (1936) valt onder meer deze
verzuchting te lezen: ‘Om deze tijd / zou ik aan
Charon / willen vragen: / breng mij naar het
schimmenrijk.’ Sindsdien heeft de dichteres enkele
merkwaardige publicaties aan haar oeuvre toegevoegd
waaronder de poëziebundels Afscheidsliedjes
(2001) en Als later dan nog bestaat (2003) -
twee titels die niet echt een toekomstgericht
optimisme suggereren. |
 |
|
Lucienne Stassaert (©
foto: Vera Seppion) |
|
|
Stassaerts preoccupatie met de dood is een constante
in haar werk. ‘De tijd is een open graf’ en ‘De dood
is een refrein’, zegt zij in Nachtglas (1981)
en in Blind vuur (1995) klinkt het: ‘Loopt
dood als een droom in de diepte / na slingeringen
van geluk. Achter / die blinde muur roept hij me
terug.’
In 2004 verscheen In aanraking een door
haarzelf samengestelde bloemlezing uit haar poëzie
waarin de niet eerder gepubliceerde bundel Wat op
de tast bij lichte maan te zingen werd
opgenomen. Daarin dit morbide gedicht: |
|
Wennen aan het geraamte
vóór je bol van doodzucht bent –
Wennen aan de gedachte
of klokslag nu je hart zich aftikt –
De uitkomst opeens zo nabij
dat het al bijna zo ver is |
|
|
Dit gedicht had ook in Keerpunt kunnen staan,
de nieuwe, acht cycli tellende, in alle opzichten
zeer verzorgde bundel. Meteen kunnen we vaststellen
dat Stassaert er niet vrolijker op is geworden, dat
haar thematiek vrijwel onveranderd is en dat zij nog
steeds met vlijmscherpe pen angst, verval, dood en
seks dissecteert - ‘zonder nog een enkele / illusie
-‘.
Nu is er ‘om te beginnen / dat leger kankercellen /
of tikbom binnenin’ maar: ‘ik heb blijkbaar toch /
nog wat leven voor de boeg. // Er is een schijn van
kans / dat de dood voorlopig werd afgezegd.’ En
bitter, misschien tegen beter weten in, wordt
geconstateerd: |
|
De tijd is nog niet om, de zandloper nog niet
vol.
Wie keert hem om als ik geen moed meer in reserve heb?
Moed is zowel iets binnen- als buitenissigs even doodgewoon als de dood
[…] |
|
|
Keerpunt
verwoordt de ervaring van iemand die een
levensbedreigende ziekte heeft overleefd. Er zijn
aanwijzingen die toelaten te veronderstellen dat dit
in de ik-vorm gestelde relaas goeddeels
autobiografisch is, zoals veel van Stassaerts werk.
Het hoge ervaringsgehalte staat borg voor
authenticiteit.
Zakelijk stelt de vertelster vast dat ze nog even te
leven heeft. ‘Die oorlog is voorbij’ heet het, ‘Nu nog / opnieuw
leren ademen / uit afgeroomde borst. / Klapspiegels
mijden / waarin een vrouw tevoorschijn springt, / zo
bloot als een miskraam.’ Het rauwe besef dat de
genezing slechts uitstel van executie is, dempt de
vreugde. Bij Stassaert geen overwinningsroes.
Haar poëzie moge egocentrisch zijn, Stassaert is wel
in staat zich in een personage in te leven, ook al
is dit slechts een vage figuur op een doek van
Rachel Baes. Maar ook ‘Zo dicht als een brief’, een
cyclus bij het schilderij ‘Le Gué’ van de surrealiste
Baes, gaat uiteindelijk over haarzelf: de
auteur/beschouwer vereenzelvigt zich met het meisje
‘dat zich in mij heeft verkleed’ en dat als een
slaapwandelaarster door de nacht waadt, wetend ‘dat
zij nergens zal aanmeren’.
Beeldgedichten komen veelvuldig voor in het werk van
Stassaert (denk aan de vijftien gedichten bij
schilderijen van Edvard Munch in Nachtglas),
maar ook in deze cyclus is niet getracht een
literair equivalent of pendant van het schilderij te
leveren. Veeleer was ‘Le Gué’ een aanleiding om
opnieuw het verhaal te vertellen van de
onbereikbaarheid die ‘aan alle kanten toeneemt’, de
onoverbrugbare afstand en de uiteindelijke
sublimatie van die afstand.
Ook in Keerpunt komt weer bij herhaling een
(de) vader ter sprake, vinden we de nodige schilders
(Picasso, Hopper) en componisten (Mahler, Schubert).
Maar uitzicht op een buitenwereld bieden die
artistieke aanknopingspunten niet. In deze poëzie
staat het ik centraal in een beperkte wereld van
emoties, beheerst door angst die ‘geen keerpunt
meer’ kent. |
|
In bruikleen: al wat je ziet, het leven dat
je leidt.
In overeenstemming: al wat je vreest, modus vivendi van wat je bemint.
In tegenstelling: ieder woord veroverd op de leegte van dit niemandsoord
tot je voorgoed de dood in bruikleen krijgt.
Uit: Keerpunt (2009) |
|
|
|
Toch geeft Stassaert zich ook over aan
‘Spielereien’. In deze afdeling komen haar katten in beeld
- ook
dat is niet nieuw. De laatste kater wordt gezien in
de optiek van het uitgestelde afscheid. |
|
[…]
Lord Loepsie, de laatste liefde van mijn
bibberjaren, was zelfs al op post om mij te verwelkomen zodra ik de geest zou geven.
En die gaf ik nu niet af. Ach, nog wel op het moment dat ik voor eeuwige erotiek had willen kiezen sloeg bij wijze van straatlawaai het leven toe van alledag. |
|
|
Trotz alledem
gaat de dichteres zich aan ‘Binnenbeense spelen’ te
buiten. Uit vroeger werk kon worden afgeleid dat aan
haar scepsis ten overstaan van de liefde (‘Je kan
liefde / niet blijven verzinnen’) een traumatische
seksuele ervaring of een onoverkomelijke
ontgoocheling ten grondslag ligt die door latere
ervaringen niet is verlicht, gelouterd of
verdrongen, maar eerder bevestigd.
Amoureuze debacles zijn uiteraard van alle tijden,
maar geen vrouw heeft haar kwetsuren prangender
verwoord dan la belle cordière Louise Labé in deze terzinen (hier in de vertaling van Piet
Thomas):
Laat Amor maar zijn handboog op me richten, me
treffen met een nieuwe pijl van vuur. Laat hem verwoed nog erger onheil stichten:
Want nergens ben ik ongedeerd en heel en wordt er nog een gave plek gevonden om me te kwetsen met een nieuwe wonde.
Stassaert heeft, anders dan de lichtelijk
geëxalteerde dichteres van vurige (maar overigens
zeer vormvaste) Sonnets, haar verdriet en
haar verlangen niet gehyperboliseerd. Eerder
gebanaliseerd; zij behandelt ook haar amoureuze
‘ziekten en zeertes’ , net als haar fysieke, op
bijna afstandelijke wijze, met een zeker (gespeeld?)
dédain: |
|
We kunnen elkaar niet vinden
dan van verre en dan nog
dus bouwen we beter een zandmuur in het midden
van een gehavend
huwelijksbed
dat zo lek is als een vergiet- mij-niet.
Met mij aan het voeteneind
hij aan het hoofd en een muur van zand daartussen
kan er nog wel sprake zijn
van een klassieke status-quo
zonder dat er een woord te veel wordt gezegd. |
|
|
In haar roman Parfait Amour (1979) - de titel
is niet zonder enige ironie ontleend aan een rode,
wat kleverige likeur - was nog sprake van het
sublimeren van pijn: ‘het sublimeren van de pijn
heb ik vooral bij vrouwen ontdekt’. Maar een
schilder, de expressionist Edvard Munch, toonde ‘de
weg naar de dramatische zelfexpressie die echter
nooit sentiment werd’. Stassaert heeft het hier over
haar beeldend werk, haar schilderwerk, maar het
statement geldt ook voor haar poëzie.
Op de laatste bladzijde van haar roman staat als
conclusie of motto achteraf: ‘Niet de inhoud maar de
vorm is de innerlijke noodzaak’. Toch laat zij
elegantie niet boven expressie prevaleren.
De thema’s die in haar proza al aan de orde waren -
angst, dood, doodobsessie, vervreemding en gebrek
aan emotionele samenhorigheid - zijn in haar poëzie
gecomprimeerd, verdicht. Zij blijft verliefd
op oude en nieuwe woorden, ‘op woorden / als
rozenvreter / of knoppenbijter’, als ‘schoofbloot’,
‘ijsblink’, ‘rotbroos’ en ‘blaflust’ en zij gaat er
op eigengereide wijze mee om. zij heeft er niet naar
gestreefd haar verzen melodieus te laten klinken.
Eindrijm ontbreekt vrijwel geheel; de enkele
binnenrijmen zijn, zoals de alliteraties in volgende
strofe, inherent aan het beeld: ‘Al hou ik gevoelens
achter / als voedsel voor een galgenmaal / op te
biechten bij beetjes en brokken’. Om het metrum
heeft zij zich in deze vlotte, vrije regels en
strofen van uiteenlopende lengte niet bekommerd; ze
zijn wel ‘vinkhelder’ en als accentverzen te lezen.
De charme en de sterkte van deze poëzie zit in de
densiteit van de metaforiek. In een kleine cyclus
wordt op het thema ‘Bladval’ gevarieerd: ‘Het blad
dwarrelde neer / en kwam op in mijn hoofd’; ‘Hoe een
blad neerzijgt, / zo bereid ik me voor op de dood’;
‘Wie zich nog niet verroert // is de ziel van het
blad / dat ik ben’.
In Keerpunt heeft Stassaert haar klinische
ervaring en de daaruit voortvloeiende inzichten
gepast en op een klinische, beheerste manier in
zuivere en zinvolle beelden gevat. |
|
|
Dit artikel verscheen in Poëziekrant nummer 1 / januari-februari 2010 / jaargang 34

Poëziekrant is een
Vlaams-Nederlands onafhankelijk tijdschrift voor
Nederlandstalige poëzie en buitenlandse poëzie in
Nederlandse vertaling. Opgericht in 1976 door Willy
Tibergien.
Bezoek de website op:
http://www.poeziecentrum.be |
|