|
Aan
kant gezet bij afgesleten inboedel toont haar springveren
binnenste het wel
en wee van een oude matras. ‘t
Kapok laat plots geheimen los en in
haar bobbelige noppen kroppen
refreinen en duetten:
Kom
liefste, trek je nog niet
terug. Tast mij af of ik
opnieuw een vreemde ben die je
de weg vraagt naar vandaag - Ik wil
verdwijnen binnenin een
rauw lichaam klapwieken als in
een onderzeese grot.
Zo
vogelvlug, met korte stoten, klonk
dit duet als een duel als
middenin een afgekuste stilte een
stem, haast verstikt, opveerde: “Ga jij
eerst dood, dan volg ik wel…”
Kom
liefste, haal mij in zoals
een slak haar voelhorentjes. Ik wil
het licht niet zien dat in
mijn ribben fluit - Steek
vlug mijn kromgesloten lijf in
brand: nog één zucht en de
fleur is eraf. |