|
uit: “Wat
op de tast bij lichte maan te zingen is”, cyclus “Lang
genoeg”
Lang genoeg
quatre-mains gespeeld zonder één keer op te kijken, na te gaan
zoals Orfeus of mijn
lief al dan niet nog bestond.
Lang genoeg
bij hoge noten een bas
gemist bij het samenspel om de
toonloze stilten te wegen vóór en na
de kleine dood.
Jodelen
kon. En zich te pletter ademen zoals
minnaars op het hoogst van de min in volle
vlam uit het licht vallen en in den
blinde uit elkaar.
Tot op een
zeker zwart-wit moment, juist
afgesteld en gekadreerd, de waarheid
als een inmaakbom van verrot
fruit aan scherven sprong:
Hij speelde
al jaren niet meer mee. |