|
5.
Auguste Rodin (fragment)
Geef me klei, en ik boetseer je blindelings: je ogen,
je neus, je zoenlippen. Geef me adem, want mijn adem stokt zodra ik me probeer voor te stellen dat
men je, aan het eind van de nacht, de
lange nacht van je waanvoorstellingen, naar een inrichting heeft gebracht.
Maar mijn verbeelding schiet tekort. Ze
houdt de grens geheim van het onmogelijke die
jij finaal hebt overschreden. Camille, ik geloof dat het grimmige monster van
de liefde je op het laatst heeft geveld.
Het
is stil in Meudon, vannacht. Zo
stil dat de maan me naar buiten heeft gelokt. Ik
was het, niet mijn hond, die
in de rosse maan van maart begon te janken alsof jij me klappen gaf.
|

' Silhouet van
Camille Claudel ' - Rita Bongaerts
|