|
Wie geeft
het geduld een prooi om te verslinden en tekent een verdrag
met de ontijdelijke Tijd achter
welke mond schuilt in
reien van regen verzegeld
het woord dat men
voorbij de stilte hoort of wordt
het kermen van een dier in nood van de
verbaasde welp uit de
moederschoot ergens
verzacht verbonden en verhoord? Leer mij nu
lopen zonder handen verdring
het doodsbeest dat mijn wachten hoort want er
kleeft zilver op mijn tong die wit van
weelde op gevlekte ribben zong naakt is de
liefde nooit als men
voorbij de aankomst is en wat men
duister een verleden noemt verbrandend
in de nacht een wassen
bloesem dooft |