MIJN UREN ZIJN MET SCHADUW GEHUWD

Het Stille Pand

 

Lucienne Stassaert

bibliografie

beeldend

actief


Mijn uren zijn met schaduw gehuwd bevat een selectie uit de Collected Poems (1981) van Sylvia Plath. De bekendheid die ze als prozaschrijfster verwierf, na de publicatie van haar roman The Bell Jar (1963), wekte na haar zelfmoord meteen een grote belangstelling voor haar poëtisch oeuvre. Daarin komen dezelfde obsessionele thema’s voor: Eros en Thanatos als een navelverbonden en onverzoenlijke Siamese tweeling. Het is een spel op leven en dood, met sardonische humor gemythifieerd. In haar laatste gedichten klinkt een meer verzoeningsgezinde en zelfs mystieke toon, in schril contrast met de vroegere wraakoefeningen die vooral in ‘Daddy’ en ‘Lady Lazarus’ de zegging bepalen. Ze vond tenslotte een oplossing voor haar dilemma of de keuze tussen zelfverheerlijking en zelfvernietiging.

 

Fazant 

Je zei dat je hem vanmorgen zou doden.
Dood hem niet. Het verbaast me nog steeds,
Het gekuifde wiegelen van die rare, donkere kop,

Door het ongesnoeide gras op de heuvel met de olm.
Het betekent iets: een fazant te bezitten,
Of op zijn minst om bezocht te worden. 

Ik ben niet mystiek van aard: het is niet zo
Als geloofde ik dat hij een ziel had.
Hij is gewoon in zijn element. 

Dat verleent hem een koninklijkheid, een recht.
De afdruk van zijn grote poot vorige winter,
Het spoor van zijn staart, in de sneeuw op onze binnenplaats -

Wat een wonderlijk wezen, in die bleekheid,
Door het gekruiste lijnenspel van mussen en spreeuwen.
Is het dan zijn zeldzaamheid? Hij is zeldzaam.

Maar het zou de moeite lonen er een dozijn van te houden,
Een honderdtal, op die heuvel - groen en rood,
Die elkaar de hele tijd kruisen: iets heel fraais! 

Hij is in zo'n goede conditie, zo levendig.
Hij is een kleine hoorn des overvloeds.
Hij wiekt op, zo bruin als een blad, en luid,

Nestelt zich in de olm, welgemoed.
Hij was aan het zonnen tussen de narcissen.
Ik bega domweg een overtreding. Laat hem, laat hem.