|
Fazant
Je zei dat
je hem vanmorgen zou doden. Dood hem niet. Het verbaast me
nog steeds, Het
gekuifde wiegelen van die rare, donkere kop,
Door het
ongesnoeide gras op de heuvel met de olm. Het
betekent iets: een fazant te bezitten, Of op zijn
minst om bezocht te worden.
Ik ben niet
mystiek van aard: het is niet zo Als
geloofde ik dat hij een ziel had. Hij is
gewoon in zijn element.
Dat
verleent hem een koninklijkheid, een recht. De afdruk
van zijn grote poot vorige winter, Het spoor
van zijn staart, in de sneeuw op onze binnenplaats -
Wat een
wonderlijk wezen, in die bleekheid, Door het
gekruiste lijnenspel van mussen en spreeuwen. Is het dan
zijn zeldzaamheid? Hij is zeldzaam.
Maar het
zou de moeite lonen er een dozijn van te houden, Een
honderdtal, op die heuvel - groen en rood, Die elkaar
de hele tijd kruisen: iets heel fraais!
Hij is in
zo'n goede conditie, zo levendig. Hij is een
kleine hoorn des overvloeds. Hij wiekt
op, zo bruin als een blad, en luid,
Nestelt
zich in de olm, welgemoed. Hij was aan
het zonnen tussen de narcissen. Ik bega
domweg een overtreding. Laat hem, laat hem. |