|
 |
|
Inleiding: Kurt Vermeiren
(cultuurschepen Schoten) |
|
 |
|
Renée Van Hekken |
|
 |
|
Jan Van Poyer, klarinet |
|
|
Slotgedicht
Aan deze einder
komt geen einde,
Als een
rapsodie doorheen je vingers glijdend,
Een ademloos
landschap gelijk,
in zachte
bewegingen,
Zoals valken
vliegend en scherend in het zwerk.
Glijdend in hun
soepele gestes,
als rokken
wijds zwaaiend,
Hoofs.
In wanhoop en
weten.
Tussen de wind
aan zee,
Het kolkend
water,
storm en zand
tussen je nagels,
Liggen de
woordklanken,
zacht als hoop,
tintelend
Als champagne,
In de ochtend,
op een zonnig terras,
Tegen het
middaguur aan.
Nocturnes, is
een droom overleefd.
uit " Fragmentaria " bundel Nocturnes II
|