
HSP
FRITS SCHETSKEN Antwerpen Conscienceroute
1
JEZUÏETENPLEIN Zo heette dit plein voordat Hendrik hier op zijn stoel kwam zitten. En terecht, zij hebben deze open plek aangelegd, vooral door veel af te breken. Jawel, er liepen hier ooit enkele smalle straatjes met vooral kleine huisjes. Met één grote uitzondering, het Huis van Aken, genoemd naar bewoner Nicolaes van Rechterghem, afkomstig uit Aken. De al schatrijke Erasmus Schetz, ook geboren te Aken, trouwt op 11 juli 1511 met Nicolaes’ enige dochter Ida. Na de dood van zijn schoonvader erft hij daardoor diens huis. En wat doet hij? Eerst drie jaar lang alle naburige huizen opkopen en dan alles samen met zijn erfgoed laten slopen om daar in 1539 een prachtig stadspaleis voor in de plaats te zetten. Als je naar Conscience kijkt, stond dat allerfraaiste huis aan je linkerzijde, zowat tussen de kerk en het Jezuïetengat. Maar aan deze zijde zag je de achtergevel, de voorkant bevond zich aan de Korte Nieuwstraat, waar je zojuist de Campus Carolus bent gepasseerd. In Erasmus’ stadspaleis komt in 1545 niemand minder dan keizer Karel V himself drie weken logeren. Een hele eer voor gastheer Schetz, die wel iets wil terugdoen, hij scheldt Karel alle bij hem geleende bedragen kwijt – en de keizer leende véél geld. Na Erasmus’ dood in 1550 erft oudste zoon Gaspar Schetz het grote huis en hij verkoopt het in 1574 aan de jezuïeten. Die kloosterorde is dan nog een nieuwkomer, pas veertig jaar tevoren gesticht in een kelder ergens in de Parijse wijk Montmartre door een telg uit een Spaans-Baskische adellijke familie, Iñigo López de Loyola, zeg maar Ignatius. Deze Sociëteit van Jezus is geen club bedelende monniken, het zijn grotendeels intellectuelen die ingezet worden als stoottroepen van de Roomse Kerk tegen alle vormen van ketterij, zeg maar calvinisme waar het Antwerpen betreft. Met het IHS-teken als symbool, als je dat tenminste leest als ‘In Hoc Signo (vinces)’, in dit teken (zult gij overwinnen). En welke vrouw wordt daarvoor ook naar voren geschoven? Maria, niet zozeer als moeder van Jezus, maar als Onbevlekte Ontvangenis en Heilige Maagd, twee kenmerken die door protestanten niet worden aanvaard, zij kennen geen Mariacultus. Alles aan drie kanten van dit plein straalde dat uit, je staat midden in dat gebeuren. Op 28 juni 1574 nemen negen jezuïeten hun intrek in dat Huis van Aken, dat ze voor 34.000 florijnen hebben gekocht dankzij de financiële steun van Antwerpse kooplui van Spaanse en Portugese afkomst. Op de binnenplaats richten ze – alweer met 10.000 florijnen van Spanjaard Frias – meteen een kleine kapel op. En ze openen er een Latijns college, dat vanaf 12 maart 1575 de eerste leerlingen kan ontvangen. Meteen een overweldigend succes, al snel 300 leerlingen, voornamelijk uit de betere klasse. Maar als de jezuïeten weigeren de eed van trouw voor het calvinistische stadsbestuur af te leggen, worden ze in 1578 Antwerpen uitgezet. Ze hadden zich al verdacht gemaakt, doordat tijdens de Spaanse Furie van 1576 hun gebouwen gespaard bleven van brandstichting door de opstandige Spaanse soldaten. Wanneer zeven jaar later Alexander Farnese na een geduldig beleg burgemeester en medestander van opstandleider Willem van Oranje, Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, in 1585 tot overgave dwingt, keren de jezuïeten nog dezelfde dag terug. En nog datzelfde jaar stichten ze twee sodaliteiten. Dat zijn broederschappen waarin vooraanstaande burgers samenkomen voor geloofsverdieping – boeiend in een tijd waarin tijdens misdiensten in de kerken enkel de Bijbel wordt geciteerd, terwijl van diverse zijde juist heel wat in twijfel wordt getrokken. Aanvankelijk zijn er twee sodaliteiten, die gescheiden samenkomen op zondagmorgen. De Onze-Lieve-Vrouwe Boodschap sodaliteit groepeert Nederlandstalige gehuwde mannen en in een aparte groep de Latinisten, terwijl de Onze-Lieve-Vrouw Geboorte ongehuwde Nederlandstalige jongeren van boven de 18 verenigt. Van de eerste groep is onder meer Rubens lid, onder de jongeren telt men Van Dyck. Opvallend is, dat er naast gewone burgers ook zoveel intellectuelen en kunstenaars tot deze sodaliteiten behoren. Ze zullen dus ook wel ideaal zijn geweest om te netwerken. Het succes van deze broederschappen, want het worden er steeds meer, noodzaakt hen om een eigen gebouw neer te zetten. Dat gebeurt tussen 1622 en ’23 en het is het gebouw dat je achter Hendrik Conscience ziet oprijzen. Onder zaten de gehuwde mannen, boven de fittere jongeren, nog niet door kwaaltjes geplaagd die het trappen klimmen bemoeilijkten. Stel je geen kale vergaderzalen voor, beide ruimten waren als kapellen opgevat en rijkelijk ingericht. Er hingen schilderijen van Pieter Paul Rubens, Antoon Van Dyck en een kunstenaar uit eigen jezuïetenrangen, Daniël Seghers. Intussen is het vroegere Huis van Aken ingericht als professenhuis van de Vlaams-Nederlandse provincie van de orde. Omdat een aantal kloosterlingen stringent de ideeën van Ignatius volgt en in strikte armoe wil leven, gratis dienstbaar aan de gelovigen, worden zij ondergebracht in zo’n professenhuis, waarbij ze afhankelijk zijn van giften van buitenaf. Nu, in dit Antwerpse professenhuis leven heel wat geleerde lieden, die een halve bibliotheek aan wetenschappelijke werken hebben gecreëerd. Dat gebeurde dus achter die grote deur aan je linkerhand, waarop dat IHS-symbool staat – dat je ook kan lezen als ‘Jezus’ in de Griekse versie van die naam. Intussen is dat deel van het klooster als pastorie voor de kerk in gebruik, een ander deel rechts daarvan behoort tot de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Om al die gebouwen plaats te geven, hebben de jezuïeten hier heel wat huizen aan smallere straatjes opgekocht en alles gesloopt. Ook een waterloopje liep destijds dwars over wat nu het plein is, om bij de kerk samen te vloeien met de Minderbroedersrui. Het is door de jezuïeten overwelfd en sindsdien wordt over de Jezuïetenrui gesproken. Je hebt al even een glimp van die straat gezien en je bent door het Jezuïetengat gewandeld, daarmee de loop van die rui volgend. Een rui is een natuurlijke waterloop, een vest een gegraven stuk water. Onder diverse Antwerpse straten lopen nog steeds die ruien, maar ze zijn nu vaak droog. Je kan er wandelingen door maken vanuit het Ruienhuis aan de Suikerrui, al dan niet begeleid of voorzien van een geluidsdrager. Maar aangepaste kleding is noodzakelijk en die wordt je in dat Ruienhuis verschaft. Wat vandaag ontbreekt rond dit plein, is het jezuïetencollege. Dat is wegens enorm succes in 1607 al verhuist naar het Hof van Lier aan de Prinsstraat, waar later de bakermat van de Antwerpse universiteit ontstaan is, nog vaak aangeduid als het Ignas. In 1773 wordt op verzoek van de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia – die het dan ook bij ons voor het zeggen heeft – de jezuïetenorde door paus Clemens XIV opgeheven en ontbonden. Daardoor komen alle gebouwen rond dit plein leeg te staan. Het klooster wordt onder meer militaire academie en later na de Slag bij Waterloo in 1814 een hospitaal voor de oorlogsslachtoffers. En het sodaliteitsgebouw wordt vanaf 1826 een tijdlang café-dansant. Hoewel de jezuïetenorde door paus Pius VII in 1814 opnieuw wordt erkend, komen ze pas terug naar het onafhankelijke België in 1832, waarbij ze tot 1852 nog zo’n twintig jaar in hun gebouwen aan de Korte Nieuwstraat verblijven. Hun vroegere sodaliteitsgebouw wordt in 1879 aangekocht door de Stad Antwerpen en na een verbouwing door stadsarchitect Pieter Dens in 1883 geopend als stadsbibliotheek – zoals je leest boven Conscience’s beeld. Maar wegens te grote toeloop wordt het uitleengedeelte, de Volksbibliotheek, in 1895 overgebracht naar de Blindenstraat nabij de academie. Als tussen 1834 en ’36 een nieuwe vleugel beschikbaar komt tussen dit plein en de Korte Nieuwstraat, wordt het oude gebouw uitsluitend boekenmagazijn met een bijzondere ijzerconstructie. Aanvankelijk wordt daarvoor de vloer van de eerste verdieping weggebroken, waar een stellage van 13 meter hoog vol boeken komt te staan, maar rond 1930 is die vloer teruggelegd. Wellicht toch wat makkelijker voor dat boekenmagazijn. De tweede en derde verdieping vormen sinds 1936 de Nottebohmzaal. Nadat zakenman Oscar Nottebohm een soms geld heeft geschonken in 1935 is daarmee een fraaie zaal gecreëerd, waar enkele schatten van de bibliotheek tentoongesteld staan en waar ook andere tentoonstellingen en voorstellingen regelmatig plaatsvinden in het unieke kader. Tot de kunstschatten behoren een Egyptische dodenpapyrus en een aarde- en hemelglobe uit begin 17de eeuw van de vermaarde Amsterdamse atlassenmaker Willem Janszoon Blaeu. Die globes van 68 cm doorsnee kan je al draaiend bekijken op globes.consciencebibliotheek.be/#/globe/hemel of idem /aarde. En nu is het omdraaien naar waar u al de hele tijd stilletjes hebt gekeken: SINT-CAROLUS-BORROMEUSKERK Deze gevel is een decorstuk zoals je het vandaag enkel nog van televisieshows gewend bent. Wat gaat er achter deze pracht en praal schuil? Inderdaad, het is de bedoeling dat je je dit gaat afvragen … en dus naar binnen stapt. Zo wilden de jezuïeten in de periode van de reformatie het volk terug naar het katholieke geloof leiden. Meteen een bouwkundig staaltje van wat later barok genoemd werd, het lijkt vaag op een antieke Griekse of Romeinse tempel, maar dan met een saus van weelderig beeldhouwwerk overgoten. Wat zien we zoal? Eerst verticaal: boven de grote deur zie je een etage hoger IHS, de afkorting van de naam Jezus, te midden van engelen en vruchtenslingers. Hij staat in dit gebouw dus centraal. Daarboven een raam en als je zo meteen de kerk binnen gaat en omkijkt, zie je dat ditzelfde venster binnen helemaal bovenaan zit. Deze gevel steekt gewoon acht meter boven het kerkdak uit. Boven dat raam, alweer tussen engelen, een borstbeeld van Ignatius, stichter van de jezuïeten. Eigenlijk zou de kerk aan hem toegewijd zijn, maar daarvoor moet je wel dood zijn en heilig verklaard worden. Aan de eerste voorwaarde was al voldaan, Ignatius was in 1556 gestorven en deze kerk is pas gebouwd tussen 1615 en 1621. Maar heilig was de stichter nog niet bij de kerkwijding op 12 september 1621. Daarom zie je nog hoger Maria met het Kind Jezus, dat op haar knie staat. Zij was de eerste patrones van deze nieuwe kerk en natuurlijk niet toevallig. De calvinisten vereren haar niet als heilige, dus zetten de jezuïeten haar juist heel stevig op het voorplan. Maar lang heeft dat niet geduurd, al een jaar later, in mei 1622, worden zowel Ignatius als zijn kompaan Franciscus Xaverius heilig verklaard en wordt dit dus officieel een Sint-Ignatiuskerk. En hoe zit het dan met die Carolus Borromeus? Die moet nog even wachten alvorens de fakkel van Ignas over te nemen. Links en rechts van het hierboven vermelde zie je zes standbeelden in nissen, oorspronkelijk allemaal werk van de beeldhouwersfamilie Colijn de Nole. En het is niet hun schuld dat sommigen vandaag op de verkeerde plaats staan, want na een vernieling tijdens de Franse Revolutie zijn ze opnieuw gebeiteld door Jan-Baptist van Hool in 1820 en zijn er restaurateurs mee aan de slag gegaan. Onderaan zie je links Petrus en rechts Paulus, allebei apostelen die stevig hebben bijgedragen tot de vestiging van het christendom als wereldreligie. Petrus als eerste leider, zeg maar paus, Paulus die het Romeins burgerschap bezat, als briefschrijver naar de diverse lokale groepjes die zich tot de nieuwe godsleer bekeerd hadden. Maar zij horen eigenlijk een trapje hoger te staan, pal naast dat IHS-symbool. De andere vier beelden zijn evangelisten, die elk hun wedervaren met Christus schriftelijk hebben weergegeven en elk hun symbool hebben gekregen. Links bovenaan staat Johannes met een adelaar, de man met de scherpe blik dus. Jawel, zijn tweede werk, het Boek der Openbaring ofwel Apocalyps, is een hem overkomen visioen over de toekomst. Die vier symbolen komen trouwens uit dat boek. Op dezelfde hoogte rechts zie je Lucas met een rund. Van deze apostel wordt later beweerd dat hij als schilderende geneesheer een portret van Maria zou hebben gemaakt, vandaar dat hij patroon van de schilders is geworden en daardoor ook van onze Antwerpse academie. En wellicht kon hij het ergste rund de nieuwe leer uitleggen? Een verdieping lager zie je links Mattheüs, die een engel als symbool meekreeg en dan rechts van hem staat Marcus met zijn leeuw, hij kon wellicht met luide stem het evangelie verkondigen. Valt het je op dat drie van hen aan het schrijven zijn? Alleen Johannes is al klaar met zijn eerste boek en ontvangt nu misschien het visioen voor het tweede. Hoe is die verkeerde opstelling er toch gekomen? Wel, bij de vernieling door die Franse Revolutionairen bleven enkel de symbolen eronder bewaard. Maar die waren behoorlijk afgesleten in de loop der jaren en de 19de-eeuwse restaurateurs hielden Marcus’ leeuw en Lucas’ rund voor engelenkopjes. En die pasten niet bij een evangelist, dus moesten ze wel van beide apostelen zijn. Buiten engelen zie je verder op deze gevel nog talrijke andere versieringen: gezichten en maskers, cartouches (vakken met tekst of tekens), schelpen, guirlandes (slingers), hoorns van overvloed en boven aan de twee uiteinden van het driehoekige fronton vuurkorven, terwijl op de koepels van de zijtorens – traptorens – pijnappels en iets lager zogeheten kandelabers. Stap je mee binnen? Hoewel er nog steeds veel te bekijken valt, is het interieur niet meer zo overweldigend als bij de inwijding van deze kerk. Je ziet een breed middenschip en twee zijbeuken met bovenop een galerij. Doet misschien een beetje denken aan een joodse synagoge, waar vrouwen ook op zo’n galerij plaatsnemen en mannen beneden. Maar hier zijn die galerijen aanvankelijk gebruikt voor de Mariasodaliteiten, er werd dus onderricht gegeven. Nu zie je zowel onder als boven bij deze galerijen wit gestucte plafonds. Oorspronkelijk hingen tegen die plafonds schilderijen van Pieter Paul Rubens, 39 in totaal - beide galerijen zijn boven de ingang met elkaar verbonden. Wat is ermee gebeurd? Op 18 juli 1718 slaat de bliksem op deze kerk in en omdat de gewelven niet van steen waren – te gotisch vonden de jezuïeten – maar van hout, brak er meteen een felle brand uit die het hele middenschip vernielde. Daardoor zijn nu ook de galerijzuilen van gewone steen en niet meer van kostbaar marmer zoals destijds. En zelfs het gewelf van het middenschip is vandaag eenvoudiger. Oorspronkelijk bestond het uit cassettes, waarvan je helemaal vooraan bij het altaar nog een brede band kan zien, met al die achthoekige vakken. Naar voren wandelend passeer je de preekstoel, die pas van rond 1730 is, gemaakt door Jan-Pieter van Baurscheit de Jonge, meer bekend van zijn fraaie huizen, ware stadspaleizen, die hij ontwierp voor rijke families in en om Antwerpen. Preekstoelen bestonden niet bij de bouw van deze kerk, priesters richtten zich vanaf een doksaal – een soort stenen tribune tussen altaar en de rest van de kerk – tot de gelovigen. Carolus Borromeus – daar komt hij dus – was bisschop van Milaan en heeft de kerkindeling sterk beïnvloed. Hij wilde een directer contact tussen priesters en volk, dus weg met die doksaal-barrières en voortaan preken midden tussen de gelovigen, vandaar preekstoelen op plekken waar iedereen je kan zien. Met de trap naar een hoger standpunt, om goed zicht- en hoorbaar te zijn in tijden zonder micro’s en een klankbord boven je om je geluid te versterken. De kuip rust hier op een vrouwenbeeld. Denk niet aan een dame uit een Bijbelverhaal, dit is een zogeheten allegorie, zij stelt de Kerk voor, die zegeviert over ongelovigen of ketters. Hun resten liggen uitgeteld aan haar voeten en een engeltje met een vurige toorts kijkt nog even of ze echt wel verslagen zijn. Dan kom je aan de aan een prachtig gebeeldhouwde 18de-eeuwse communiebank, die het kleine en het grote altaar afsluit. Helemaal bovenaan nog eens zo’n Maria met Kind van Hans Van Mildert, net zoals boven in de voorgevel. Maar het meest valt natuurlijk dat altaar-schilderij tussen die vier zuilen op. We kunnen niet zeggen wat daarop is afgebeeld nu jij ervoor staat, want … ze wisselen. Jawel, via een katrollensysteem wordt er driemaal per jaar een ander schilderij op deze plek getakeld en verdwijnt wat je nu ziet in een gleuf in de grond. Dat gebeurde in meer jezuïetenkerken om zo de aandacht bij die schilderijen te houden en ze aan te passen aan de liturgie van dat moment. Hier waren er aanvankelijk vier schilderijen: ‘De Kruisoprichting’, werk van Gerard Seghers; ‘De kroning van Maria’ door Cornelis Schut en twee schilderijen van Pieter Paul Rubens: ‘De mirakelen van de Heilige Ignatius’ en ‘De mirakelen van de Heilige Franciscus Xaverius’. Wanneer paus Clemens XIV onder grote druk van wereldlijke heersers de jezuïetenorde op 21 juli 1773 opheft, koopt de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia – die het dan ook hier voor het zeggen heeft – beide Rubensen op, zodat je die nu kan gaan bekijken in het Historischen Museum in Wenen. Ook Seghers’ ‘Kruisoprichting’ verdwijnt een tijdlang uit deze kerk, maar is in 1839 teruggekocht. Dus er zijn nu nog twee originele schilderijen, die in 1840 het gezelschap hebben gekregen van ‘Onze-Lieve-Vrouw van de Carmel’ van Gustaaf Wappers. Heel die schilderijenwisseling vindt plaats op Aswoensdag (eerste dag van de vasten), Paasmaandag en op een dag in augustus. Er is steeds veel belangstelling voor, want die operatie gaat gepaard met voordrachten door kenners, wordt vergezeld van enige uitleg en er zijn dan gratis rondleidingen door deze kerk. Naast het hoofdaltaar zie je nog links het Franciscus Xaveriusaltaar en rechts het Maagd Maria-altaar. Maar er zijn ook nog twee zijkapellen. Links de Ignatiuskapel en vooral rechts de Mariakapel, ook wel Houtappelkapel genoemd. Die is namelijk ingericht dankzij mecenaat van drie zussen Houtappel uit Ranst, die hun eigen grafkelder eronder hebben. Die inrichting is fabuleus met veel houtsnijwerk, marmer zoals het voorheen in de hele kerk te zien was voor de brand en een kopie uit 1925 van het schilderij ‘Maria ten Hemelopneming’ van Rubens, waarvan het origineel uit 1613 weer in Wenen terecht is gekomen. Er is nog veel meer te zien in deze kerk, maar ontdek dat zelf of volg een rondleiding. Wandel op weg naar buiten even langs de biechtstoelen aan de overzijde van de Mariakapel en bekijk de houten beelden bij een ervan: één engel beeldt met rozenkrans en bijbel ‘Gebed’ uit, de andere geselt zichzelf met een geselriemen met venijnige haakjes, dat heet ‘Boetvaardigheid’. Tot slot nog iets over de bouw en het latere wedervaren van deze kerk. Het idee om in Antwerpen een jezuïetenkerk te bouwen, komt er niet toevallig. Hier regeren de aartshertogen Albrecht en Isabella en Albrecht heeft met het opstandige Nederlandse noorden het Twaalfjarig Bestand gesloten, waardoor Antwerpen een welvarende tijd beleeft. De jezuïeten hebben een eigen architect in hun rangen, François d’Aguilon. Van Spaanse origine, maar in Brussel geboren, is hij in 1568 jezuïet geworden in Doornik, maar in 1598 naar Antwerpen gekomen en daar in 1611 gestart met een beroemd geworden wiskundeschool. Zo’n man kan berekeningen maken, maar hij is nooit in Italië geweest en heeft daardoor niet Il Gesù gezien, de eerste jezuïetenkerk van rond 1575 in Rome, waarop de te bouwen Antwerpse Sint- Ignatiuskerk sterk gebaseerd is. Maar wie is er wél in Rome geweest en nog niet lang geleden naar Antwerpen teruggekeerd? Inderdaad, Pieter Paul Rubens, die in Genua schetsen van palazzo’s heeft gemaakt, die hij gebruikt voor zijn eigen atelier aan de Wapper. Hij heeft dan ook een aardig handje geholpen bij de tekeningen voor de nieuwe jezuïetenkerk en met name de IHS-cartouche op de voorgevel is typisch een Rubens-ontwerp. De bouw start in 1615 onder d’Aguillon, maar François overlijdt onverwacht in 1617 tijdens een verblijf in Doornik. Gelukkig is er een vervanger uit eigen rangen bij de hand: Pieter Huyssens. Geboren in 1577 binnen een Brugse familie van metselaars, heeft hij het bouwen met de paplepel ingekregen. Op zijn 19de treedt hij in Doornik in bij de jezuïeten en kan tien jaar later beginnen aan de jezuïetenkerk van Maastricht, die hij in 1614 voltooit. Het jaar daarop halen ze Pieter naar Antwerpen als assistent van d’Aguilon en dus is hij de geknipte persoon om de bouwwerf van hem over te namen na diens dood. In augustus 1621 kan broeder Huyssens ook meteen een dergelijke kerk ontwerpen voor de Naamse jezuïeten, de huidige Saint-Loup. Maar enkele jaren na de inwijding van deze Antwerpse jezuïetenkerk loopt het helemaal mis voor Huyssens, hij wordt in 1625 ontslagen, zowel in Antwerpen als Namen. Zijn ideeën hebben de jezuïeten op zulke hoge kosten gejaagd, dat ze financieel in nauwe schoentjes komen. Huyssens krijgt huisarrest in Brugge en mag nog slechts simpel werk doen. Toch vraagt aartshertogin Isabella hem om tussen 1626 en 1627 om even in Italië te gaan kijken om daarna de kapel van hun Brusselse paleis te ontwerpen. Terug in België maakt Pieter ook nog de ontwerptekeningen voor de Gentse Sint-Pieterskerk van de benedictijnen. Maar in 1632 wordt hem opnieuw elke activiteit verboden en hij mag zelfs vanuit Brugge niet meer naar Gent gaan. In 1637 overlijdt Pieter Huyssens na een lange ziekte en het zal nog veel langer duren voor de Naamse Saint-Loup afraakt. Wanneer zoals gezegd de jezuïetenorde in 1773 wordt ontbonden, wordt de kerk tot 1779 gesloten, om daarna als een catecheschool voor de kathedraal te worden benut. In 1797 zijn de Oostenrijkse Nederlanden intussen veroverd door de Franse Revolutionairen en wordt de Sint-Ignatiuskerk een Tempel van de Wet, waar huwelijken worden gesloten in de nieuwe Revolutiestijl. Drie jaar later houdt het Tribunal criminel - een rechtbank - hier zijn zittingen. Na het concordaat van Napoleon Bonaparte met de paus in 1801 zou je verwachten, dat de Sint-Ignatiuskerk weer open kan gaan. Maar het zal nog tot 1814 duren voordat paus Pius VII de jezuïetenorde herstelt, wat hier pas na de onafhankelijkheid van België effectief resultaat geeft in 1832. Intussen is de Sint- Ignatiuskerk wel in 1803 opnieuw geopend, maar nu als parochiekerk onder de nieuwe naam Sint-Carolus Borromeus. De jezuïeten hebben geen financiële middelen wanneer ze weer erkend worden en kunnen de kerk dus niet terugkopen. Daardoor blijft het een parochiekerk en stellen de jezuïeten zich tevreden met hun college in het Hof van Liere, waaruit de Antwerpse universiteit zal groeien. Bij een recentere restauratie in de jaren 1980 is beslist om de barokke stijl van de Sint-Carolus Borromeus zoveel mogelijk te behouden of te herstellen. En daar heb je dus zojuist kennis mee gemaakt. Nog dit: op zondagen wordt hier vaak een Artiestenmis gehouden, waarop bekende musici de dienst inkleden. Nu weer op wandel in de buitenlucht !
ETAPPE 3 : JEZUÏETENPLEIN t/m SINT-CAROLUS-BORROMEUSKERK
etappes 1 2 3 4