
HSP
Art-Deco
Deze bouw- en interieurstijl duikt reeds sporadisch op voor de Eerste Wereldoorlog, vooral in siervoorwerpen. Na die oorlog breekt de art deco ook volop door in de architectuur, naast het modernisme. Maar dat laatste, waarbij alle franje aan een gebouw wijkt voor een krachtige kale vorm, is voor veel mensen nog te extreem. Daarom wordt er door de bemiddelde burgerij eerder gekozen voor art deco, waar gevels wel sierornamenten bezitten, maar uitgevoerd in moderne strakke lijnen en regelmatige vlakken: golven worden kartels, lijnen maken rechte hoeken, bakstenen worden een kwart slag gedraaid en vormen dan rechtopstaande decorvlakken in de gevel, erkers zijn uitgevoerd als driehoeken of met schuine zijden, sierlantaarns zijn vierkant of rechthoekig. Een complete breuk met de vooroorlogse art nouveau, waarvan de natuurlijk gebogen lijn en de onregelmatige vlakverdeling juist de opvallende karakteristieken zijn. Er zijn ook geen ingewikkelde ornamenten meer: geen wapenschilden, rozetten, sgraffiti, tegelpanelen met landschappen of dromerige dames - weg daarmee! Maar er wordt veelal vastgehouden aan de traditionele indeling van de woning, 'modern' is dus vooral een laagje buitenkant-vernis. Precies omdat het niet om een werkelijk nieuw woonconcept gaat, is er zeer veel variatie binnen de art deco met inspiratie uit de Afrikaanse kunst, uit het Mexico van de Maya's en Azteken, het oude Egypte, maar ook van dan opkomende aerodynamische vormen. Art deco is daardoor eerder een verzamelnaam, dan een uitgesproken stijl. Bij de architectuur komt de buitenkant niet altijd zo spectaculair over, wanneer je het interieur niet te zien krijgt. Dat geldt zeker voor de glasramen, die net zoals in een gotische kerk alleen maar hun pracht tonen als je van binnenuit het daglicht erdoor kan aanschouwen. De naam art deco dateert pas uit 1966 en is toen gelanceerd door het Parijse Musée des Arts Décoratifs. Dat bracht een tentoonstelling Les Années 25: Art Déco / Bauhaus / Stijl / Esprit Nouveau, waarin een hommage werd gebracht aan de voor 1915 geplande, maar door de oorlog tot 1925 uitgestelde Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes over toegepaste kunsten. Hier werden toen meubels, juwelen, kleding, parfums, huishoudapparaten en binnenhuisinrichting in eigentijds geometrisch design getoond. Wanneer de Amerikaanse kunsthistoricus Bevis Hillier in 1968 zijn boek met als titel ‘Art Deco of the 20s and 30s’ laat uitgeven en in 1971 in de Amerikaanse stad Minneapolis in het Minneapolis Institute of Art een overzichtstentoonstelling organiseert en daarbij het boek ‘The World of Art Deco’ laat verschijnen, vindt die term ruimer ingang als aanduiding voor een stijl. Voorheen werd deze stijl aangeduid als Style moderne, Art moderne of Paris 1925. Voor de bouwkunst in onze streken is onder meer de invloed van de Amsterdamse School van belang geweest. Een groep architecten, met als belangrijkste namen Michel de Klerck, Joan Melchior van der Mey en Piet Kramer. Michel de Klerck reageert in 1916 op het rationele werk van Hendrik Berlage, begin 20ste eeuw de bekendste Nederlandse architect. De Amsterdamse School zoekt meer expressieve vormen en wat meer fantasie in het bouwen. Dat betekent de toepassing van golvende baksteen, gebeeldhouwde ornamenten, siermetselwerk en meer kleur. Zogeheten laddervensters - waarbij elk venster met roeden is verdeeld in kleinere stukken - en vaak steile daken zijn eveneens typisch voor deze stijl. Via het maandblad Wendingen worden vanaf 1918 de opvattingen uitgedragen. In een van de kenmerkende blokken met arbeiderswoningen van Michel de Klerck in Amsterdam-West is nu Museum Het Schip helemaal aan deze architectengroep gewijd. Een andere buitenlandse architectengroep die zijn bijdrage tot de stijl heeft geleverd is de Wiener Werkstätte, opgericht in 1903 door Josef Hoffmann en Koloman Moser en voortgekomen uit de Wiener Secession-beweging, die eerder een rol speelde in de art nouveau. Bij de Wiener Werkstätte waren onder meer betrokken de beeldende kunstenaars Gustav Klimt, Egon Schiele, Emil Orlik en Oskar Kokoschka. Er wordt grotendeels ambachtelijk gewerkt met producten voor een beperkt en select publiek. Het gaat hier om toegepaste kunst, niet om gebouwen. In België is de grote naam voor art deco-interieurs de in 1905 gestichte familiale vennootschap De Coene Frères uit Kortrijk, geleid door Joseph en Adolphe De Coene. Vanaf 1925 wordt dat de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene. Contacten met heel wat kunstenaars en als voorbeeld de Engelse Arts & Crafts-beweging (zie apart Bollebooswicht-item) vormen een basis om een eigen stijl te ontwikkelen, waarbij technisch gebruik wordt gemaakt van de in de Verenigde Staten opgedane kennis van het werken met triplex, dat machinaal geproduceerd wordt door het Kortrijkse bedrijf, dat jarenlang zowat een monopolie voor dit nieuwe materiaal in België heeft. Er wordt deelgenomen aan de beroemde Parijse expositie van 1925 met een luxueuze moderne Vlaamse art deco-woonkamer, bekroond met een Grand Prix. De opdrachten uit binnen- en buitenland stromen spoedig toe. Daarbij gaat het over het inrichten van restaurants, hotels, bankinstellingen en treinen. Onder meer het Brusselse Résidence Palace, het gemeentehuis van Vorst en het Casino van Blankenberge bezitten een Kunstwerkstede De Coene-interieur. In de jaren 1930 komt daar ook de pakketbootstijl bij, die ook wel tot het modernisme wordt gerekend. De inspiratie daarvoor komt uit twee richtingen: het vierde CIAM-congres uit 1933 en de Streamline Style die in 1929 in de Verenigde Staten wordt geïntroduceerd met het vormgevingsboek Horizons van industrieel ontwerper Norman Bel Geddes. Het Congrès International d’Architecture Moderne (CIAM) was een idee van onder meer de Zwitsers-Franse architect Charles-Edouard Jeanneret, die zich rond 1917 Le Corbusier gaat noemen, geïnspireerd op de naam van voorvader Lecorbésier. Op grote bijeenkomsten van architecten uit de hele wereld wordt gediscussieerd over nieuwe manieren van bouwen, zodat de nieuwe ideeën daarrond zich snel verspreiden. Het vierde CIAM-congres vindt in 1933 plaats aan boord van het stoomschip Patris, dat vanuit Marseille naar Athene vaart. Volop tijd dus om de vormen van zo’n schip in je op te nemen: ronde relingen, patrijspoorten, dekken boven elkaar … Ze zullen hun weerslag vinden in heel wat ontwerpen voor gebouwen uit de jaren nadien. Bij de Streamline Style – die minder invloed op Europese ontwerpers heeft gehad – wordt de nadruk gelegd op de buitenkant van een object, dat na de crisis van 1929 vooruitgang moet uitstralen. Dus worden aerodynamische afgeronde vormen met krachtige lijnen om snelheid te suggereren schering en inslag bij ontwerpen uit die periode. Er zijn weinig voorbeelden van de pakketbootstijl in grote gebouwen te vinden, maar in particuliere woningen zie je hem regelmatig terug. Onder meer door middel van balkons met ronde hoeken en relingen in combinatie met het gebruik van gele of felrode baksteen, vaak met een glad oppervlak en afgewisseld met ronde zwart/goud betegelde zuiltjes.