DICHTER DIENAAR
Antwerpen, Ma belle
waar ieders Koninck
wel ergens beter smaakt
Je ligt me wel…
Bij perioden
maar soms ook niet,
soms lieg je immers
dat je zwart ziet.
Het gitzwart van gevreesde dagen,
het zwartste zwart zonder ster of maan
of andere vorm van ongehoorzaamheid
in dit bestaan van zwart wit – zonderling –
weet dit: op deze reis maakt men schoon schip.
De telling zal wel nooit vervagen;
vandaag herhaalt ze zich gedwee.
Eén twee drie, wie doet er mee?
Je lichaam, Antwerpen, is niets.
Wat schrale botten in een dure vacht;
Je bent niet wat je bent, het is veeleer
luttel arm erbarmen dat je kent.
Je handen in één want verstopt,
geborgenheid of onderdak: afwezig.
Hij die nu argeloos verkropt had niets
dan eerlijkheid verwacht, niets meer.
Vereende krachten zeggen ze en ze zuchten
opgelucht na zoveel jaren ingehouden haat.
Je burcht is zomaar zonder wachters,
zonder sluwe scherpschutters in spe.
Wie vecht nu mee tegen demonen
met gemiste kansen in wel en wee?
Een laatste wens, het laatste woord?
Wat is er nog dat werkelijk baat?
Soms walmt het uit de straatkasseien:
wasem van bloed, heet en koel
tegelijk, van hoektanden ontbloot
opzij en snel een slag of stoot;
zie dan toch hoe ik me voel
bedrogen in wat me ooit ontroerde,
och arme, stad aan de stroom
je ideeën vloeien in de goot.
Maar neem nu, neem dat alles is verloren
dan nog ben ik je dienaar en vecht
opdat mijn woorden je beklijven zouden
en dat ik krijg wat ik verdien:
verdraagzaamheid in alle volken.
Mijn bericht bereikt je veel te laat
wellicht, ik kan hopen slechts.
Wie niet weg is, is gezien…
Geef me ruimte vol verdriet
om lakend mijn vleugels te gebruiken
mijn kracht is niet te peilen
straks als het stikdonker wordt.
Of ik je redden kan, geloof ik niet
bij wijlen heb jij vertier gekozen;
heb ik niet kunnen vinden wat ik zocht
slaap maar, een ontspoord leven is zo kort.