Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

WENCESLAS COBERGHER (1557 of 1560-1634)

Tournai / Doornik

1607-1611

Karmelietenkerk – met toevoeging decoratieve barokelementen in 1613 en 1615.

Brussel.

1609-1624

Onze-Lieve-Vrouwebasiliek – hoog-renaissance en barokstijl.

Albertusplein z/n, Scherpenheuvel-Zichem.

1610

Hertogelijk kasteel – verbouwing tot buitenverblijf; gesloopt in 1781 bij decreet van keizer Jozef II.

Warande, Tervuren.

1614-1624

Stadhuis – restauraties 1861-1863 en 1980-1983 Léo Van Bel en René Sansen (nu: ook Musée National des Jeux de Paume kaartsspelmuseum).

Grand-Place 45, Ath.

I.s.m. Melchior de Somer.

1615-1618

Sint-Augustinuskerk – vroegbarokstijl; O.-L.-Vrouwkapel 1857 architect J. De Ro; beschermd in 1939; restauratie 2008 J. Frickel (nu: AMUZ - Augustinus muziekcentrum).

Kammenstraat 73, Antwerpen.

1616-1617

Sint-Hubertuskapel – overgang classicistische renaissance naar barokstijl; restauratie in 1954, renovatie in 1993.

Warande z/n, Tervuren.

1619-1627

Drooglegging van De Moeren.

De Moeren / Les Moëres, België / Frankrijk.

1621-1622

Berg van Barmhartigheid – Vlaamse barok; restauratie in 1935 (nu: sinds 1932 Stadsarchief).

Abrahamstraat 13-15, Gent.

1622

Berg van Barmhartigheid – traditionele stijl (nu: Musée d’Archéologie).

Rue des Carmes 8, Doornik.

1622-1628

Berg van Barmhartigheid – gerenoveerd door Direction Régionale des Affaires Culturelles – DRAC (nu: verbouwd in 2014 door ICF Habitat Nord-Est tot 29 sociale woningen).

Rue du Lombard 2-4, Lille (Rijsel, Frankrijk).

1624

Berg van Barmhartigheid – herbouwd na WO I in 1920.

Rue du Marché au File 6, Arras (Atrecht, Frankrijk).

1627-1629

Berg van Barmhartigheid – gotische stijl; beschermd in 1931; herbouwd na WO II in 1960 door Jacques Viérin en Poly Scherpereel (nu: Rijksarchief en huis van archivaris).

Guido Gezellestraat 1 / Onze-Lieve-Vrouwestraat 45, Kortrijk.

I.s.m. Melchior de Somer en Robert Persijn.

1629-1633

Berg van Barmhartigheid – beschermd in 1907 (nu: Musée du Mont-de-Piété).

Rue du Mont de Piété 1, Bergues (Sint-Winoksbergen, Frankrijk).

????

Kloosterkerk Annonciaden – gebouwd na 1610; restauratie 1975 (nu: Protestants Evangelische Kerk De Olijfberg).

Lange Winkelstraat 5, Antwerpen.

De in 1557 of 1560 in Antwerpen geboren Wenceslas Cobergher, zeg maar Wenzel of schrijf Wenceslaus, is een natuurlijk kind van zijn gelijknamige vader en Catharina Raems. Spelling was niet de grootste zorg van zijn tijdgenoten, als iemand hem Coeberger noemt, voelt Wenzel zich ook aangesproken.


Wenzel start zijn loopbaan in 1573 in Antwerpen als leerling van de schilder Maerten de Vos. Die is al in Italië geweest, in die dagen het brandpunt van vernieuwing, wat dan een retro-gebeuren is: terugblikken naar het verleden van de antieke Romeinen en Grieken. En in Italië zijn hun voorbeelden, zeker wat bouw- en beeldhouwkunst betreft, nog in het alledaagse leven aanwezig. Cobergher aarzelt dan ook niet om in 1579 zelf naar Italië te trekken, zoals dan elk zichzelf respecterend kunststudent wil doen. Hij reist via Parijs, waar hij even stilhoudt en uit het testament van zijn dan juist overleden moeder een hem nooit geopenbaard geheim verneemt: hij is een onwettig kind. Hij wil dat meteen opgelost zien, keert direct terug naar Antwerpen om een en ander alsnog te laten regelen.


Later datzelfde jaar pakt hij opnieuw zijn koffers voor Italië en ditmaal reist hij onmiddellijk door naar Napels, waar hij in 1580 arriveert. Hij zal zich daar settelen tot 1597. Om te overleven werkt hij er voor acht ducaten bij de Vlaamse schilder en kunsthandelaar Cornelis de Smet. Een korte terugkeer naar Antwerpen in 1583 om met geleend geld wat spullen te kopen en Wensel is weer weg richting Italië, waar hij in 1591 in Napels samen gaat werken met weer een landgenoot, Jacob Franckaert de oudere.


In 1597 verhuist Wenceslas Cobergher naar Rome. Intussen heeft hij een numismatisch boek voorbereid in de traditie van Hendrik Goltzius – dat gaat dus over munten. Hij moet ook enige faam als kunstkenner hebben verworven, want in 1598 wordt hem gevraagd een inventaris te maken van de schilderijen van de overleden kardinaal Bonelli en daar meteen ook een bedrag op te plakken.


Na de dood van zijn eerste vrouw Michaela Cerf op 7 juli 1599 hertrouwt Wenzel vier maanden later – hoe zou een werkend man in die dagen overleven zonder supermarkten en microgolfoven ? – met Suzanna Franckaert. Zij is de 15-jarige dochter van Jacob Franckaert de jongere, Wenceslas zelf is intussen veertig. Terwijl hij uit zijn eerste huwelijk geen kinderen heeft, zorgt Suzanna dat aan dit euvel snel verholpen wordt, het gezin wordt stilaan uitgebreid met liefst negen kinderen.


In Rome raakt Wenceslas Cobergher sterk geboeid door het bestuderen van Romeinse oudheden, de antieke bouwstijl en de beeldhouwkunst uit die vervlogen tijd. Hij wil ook weten welke oude Romeinen hun goden weergaven in muurschilderingen, bronzen en marmeren beelden, op bas-reliëfs en antieke munten. Wenzel verzamelt een flinke collectie tekeningen van munten en eretekens van Romeinse keizers, die hij vastlegt in een aantal documenten, waarvan twee bundels in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek van België (de Albertina) bewaard zijn gebleven, vermoedelijk de enige bewaard gebleven originelen van alle manuscripten van Cobergher. Ook werkt hij aan een nooit gepubliceerde bloemlezing over de Romeinse Oudheid.


Terwijl Cobergher in Rome is, wordt daar juist in 1590 de koepel van de Sint-Pietersbasiliek voltooid. De architectuur van verschillende kerken in Rome maakt een diepe indruk op Cobergher, waarvan met name de eerste echte barokgevel van de Gesukerk hem intrigeert, alsmede de kerken van Santa Maria in Transpontia en Santa Maria in Vallicella. Later zullen die impressies opduiken in zijn  eigen bouwwerken.


Tijdens zijn verblijf in Italië schildert Wenzel onder de naam ‘maestro Vincenzo’ een reeks altaarstukken en andere schilderijen voor kerken in Napels en Rome. Hij mengt daarbij traditionele elementen met vernieuwing en zijn composities zijn overwogen en met een goede weergave van de menselijke lichaamsbouw. Maar ook hier weer: er zijn er weinig bewaard gebleven. Een ‘Verrijzenis’ in de San Domenico te Napels, een ‘Kruisiging’ in de Santa Maria di Piedigrotta in dezelfde stad, een ‘Geboorte van Christus’ in de San Sebastiana te Rome en ook in die stad een ‘Heilige Geest’ in de Santa Maria in Vallicella. Maar terwijl Wenceslas Cobergher nog in Rome is, krijgt hij in 1598 van de gilde van De Jonge Handboog in Antwerpen de opdracht voor een ‘Martelaarschap van Sint-Sebastiaan’ voor hun altaar in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Het hangt vandaag in het Musée des Beaux-Arts in Nancy, waar je meteen Coberghers ‘Engelen die de dode Heer ondersteunen’ kan bekijken, dat oorspronkelijk voor de Antwerpse Sint-Antoniuskerk bestemd was.


Wenceslas Cobergher startte ook zijn carrière als architect in Italië met het ontwerpen van fonteinen en kanalen – al zijn daar geen directe bewijzen voor bewaard gebleven. Naar verluidt zou hij ook de supervisie hebben gehad over de bouw van paleizen en versterkingen, maar ook daar kan niemand je zeggen welke dat waren. Niettemin moet hij wel een en ander gepresteerd hebben als bouwkundige, want aan het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella in zijn geboorteland, dat op dat moment de Zuidelijke Nederlanden heet, is zijn naam in dat verband gevallen. Daarom ontvangt Cobergher in 1601 een uitnodiging om eens langs te komen bij hen in Brussel.


Dat gebeurt in september 1601 en hij krijgt meteen enkele opdrachten om aan bestaande of in aanbouw zijnde paleizen van het vorstenpaar in Tervuren en Mariemont wat werk te verrichten. Als zijn schoonouders in 1603 overlijden, moet hij even terug naar Rome om wat familiezaken te regelen. En nu hij daar toch is, brengt hij bij zijn terugkeer in 1604 een boek van kardinaal Baronius mee voor de boekhandel van Christoffel Plantijns drukkerij-uitgeverij. Terug in zijn geboortestad wordt hij als meester toegelaten tot de Sint-Lukasgilde en het jaar daarop ook in de gilde van de Romanisten.


Op 12 november 1604 wordt Cobergher door de aartshertogen benoemd tot architect-ingenieur van het hof, waarop hij naar de Violettestraat in Brussel verhuist, dichtbij zijn huidige opdrachtgevers. Ze betalen hem uitstekend, 1500 gulden bij aanvang, verhoogd tot 1800 in 1610 – meer dan hofschilders Peter Paul Rubens en Jan Brueghel krijgen, maar die wonen dan ook in Antwerpen.


De aartshertogen zien in Wenceslas Cobergher het humanistische ideaal van de ‘uomo universale’, de mens met alomvattende kennis. En inderdaad heeft Wenzel een brede kennis op velerlei terrein opgedaan in Italië. Hij zal die dan ook in de Zuidelijke Nederlanden gaan gebruiken om bouwwerken af te leveren, waarin niet enkel de architectuur van zijn hand is, maar waar hij ook de binneninrichting helemaal ontwerpt en eventueel ook zelf zal schilderen. “Een echte man!”, zoals ooit een vrouwelijke Antwerpse gids het samenvatte.


Hij mocht dan vooral als architect actief zijn, het schilderen heeft hij nooit helemaal opgegeven. In 1605 schildert hij twee altaarstukken, met name een ‘Graflegging’ – nu in het Koninklijk Museum van Schone Kunsten van België in Brussel – en een ‘Sint-Helena met het Heilig Kruis’ voor de Antwerpse Sint-Jacobskerk. Als architect promoot Wenzel de barokstijl in de Zuidelijke Nederlanden. Dat begint met diverse toevoegingen aan het aartshertogelijk paleis in Brussel, hun kasteel in Tervuren en het jachtpaviljoen in Mariemont. In 1610 ontwerpt hij samen met de Franse ingenieur Salomon de Caus fonteinen voor de vijvers bij het Brusselse paleis van de aartshertogen, waarbij hij de Italiaanse ‘tempietto’-stijl gebruikt, dat houdt in dat hij kleine tempeltjes als monumentjes in die vijvers plaatst.

Een van de belangrijkste opdrachten voor Wencelas Cobergher is de bouw van een kerk en klooster voor de ongeschoeide karmelieten in Brussel. De kerkgevel is geïnspireerd op de Santa Maria in Transpontina- en de Gesukerk in Rome. Helaas zijn al die architecturale hoogstandjes niet meer te bewonderen - afgebroken.


Nu zijn de aartshertogen Albrecht en Isabella altijd zeer katholiek geweest, Albrecht is zelfs uit de geestelijke stand weggeplukt om met de dochter van de Spaanse koning Filips II te trouwen. En met hen is de contrareformatie duidelijk ingezet, de beweging van de Roomse Kerk tegen de nieuwlichters van protestantse zijde, de aanhangers van Calvijn en Luther met name. Als dank voor de inname van Oostende in 1604, waarmee het laatste Geuzenbolwerk op Zuid-Nederlands gebied heroverd was, geeft het aartshertogelijke paar aan Wenceslas Cobergher opdracht om een aan Maria toegewijde nationale basiliek te bouwen. Daarvoor wordt de plaats Scherpenheuvel uitgekozen, niet toevallig dus hoger gelegen en bereikbaar vanuit Brussel en een groot stuk van de Zuidelijke Nederlanden.


Wenceslas ontwerpt een zevenpuntige ster als plattegrond voor de nieuwe plaats Scherpenheuvel en plaatst in het midden een pelgrimskerk in basiliekvorm. Er komt een koepel op met een netwerk van koperen sterren, die een achtzijdige ruimte overdekt. Meteen is dit de eerste belangrijke kerk met een centrale koepel in de Zuidelijke Nederlanden. Er wordt vanaf 1609 tot rond 1624 aan gebouwd, waarbij dan nog de toren aan de achterzijde onvoltooid blijft. Maar nog steeds vertrekken in de meimaand vanuit menige Belgische gemeente of streek groepen pelgrims te voet naar deze basiliek, waarbij soms ’s nachts doorgelopen wordt.


Wenceslas Coberghers latere werk laat meer zijn eigen stijl zien, in harmonie met de traditionele noordelijke renaissance in Vlaanderen, maar met elementen uit de vroege barok. In 1614 ontwerpt hij de buitengevels voor het stadhuis van Ath, dat Melchior de Somer, een mindere god waarmee Wenzel vaker zal samenwerken, tussen 1614 en 1617 uitvoert. De kerk van het augustijner klooster in Antwerpen krijgt tussen 1615 en 1618 vorm, waarbij vooral de voorgevel de barok aankondigt, maar Wenzels ontwerp heeft niet de latere uitbundigheid van bijvoorbeeld diverse jezuïetenkerken, maar meer de vlakkere versie van de Vredeman de Vries-stijl. De gerenoveerde kerk is nu een zaal voor concerten van internationale muziek van alle tijden, stijlen en culturen onder de naam Augustinus muziekcentrum (AMUZ).


Dan schijnt Cobergher in 1617 ook betrokken te zijn geweest bij de bouw van de Sint-Hubertuskapel bij het aartshertogelijk paleis in Tervuren. Het paleis is intussen verdwenen, de kapel staat er nog. De voorgevel van deze kapel heeft andere architecten geïnspireerd voor de Sint-Barbarakerk (1665-1667) in Diest en de abdijkerk uit 1664-1672 in Averbode.


In 1618 wordt Cobergher benoemd tot Algemeen Opzichter van de openbare banken van lening. Als econoom is hij verantwoordelijk voor de invoering van het idee van openbare banken van lening in de Spaanse Nederlanden, waarvoor hij zich baseert op het concept van de Italiaanse ‘Monti di Pièta’ – Bergen van Barmhartigheid. Dat idee is daar al in 1462 gelanceerd in de stad Perugia door de franciscaner monnik Barnabeo di Temi. Om de woekerpraktijken van privébankiers tegen te gaan richt Barnabeo instellingen op waar je tegen het geven van onderpand gemakkelijk een lening tegen een lage rente kan krijgen, om nadien bij aflossing het als waarborg gegeven goed terug te krijgen. Wenzel is vermoedelijk de auteur van het huisreglement van de door hem opgezette leenhuizen, dat liefst vijfhonderd artikelen omvat.


Tussen 1618 en 1633 verrijzen er vijftien van deze Bergen van Barmhartigheid in diverse steden waar tot op dat moment enkel de pandhuizen bestaan van de lombarden. Die naam lombarden wordt bij ons gebruikt omdat de meeste van die bankiers uit Noord-Italië komen, deels uit Lombardije. Sommige van de gebouwen ontwerpt Wenceslas zelf in zijn bekende bouwtrant van het mengen van traditionele met barokke stijlen. Dat is het geval met de gebouwen in Gent (1622), Doornik (1622), Arras (1624), Lille (1628) en Sint-Winoksbergen (1633). In deze staatsinstellingen wordt geleend tegen 15% het eerste jaar en 12% vanaf het tweede jaar, hetgeen aanmerkelijk lagere percentages zijn dan die van de lombarden. Om aan het startkapitaal te geraken worden rentebrieven à 6,25% uitgegeven.


Het kost Wenzel aanvankelijk nogal wat moeite om zijn plannen te realiseren. De zich bedreigd wetende lombarden schakelen Jean de Lillers in als hun vertegenwoordiger en proberen via professoren aan de universiteiten van Douai, Leuven en Parijs doctrinaire veroordelingen van dit project te krijgen. Ze hopen daarbij op steun van kerkelijke zijde, waar lang de opvatting heerste dat een christen geen geldsommen mocht uitlenen tegen interest. Maar Cobergher weet zich te verzekeren van de steun van het episcopaat van de Zuid-Nederlandse kerkprovincie, waar de bisschoppen achter zijn ideeën staan. Zij baseren zich daarbij op de pauselijke bul ‘Inter multiplices’ van Leo X uit 1515, die volgens vele theologen het vragen van een redelijke interest toestaat. De in Brecht als Lenaert Leys geboren, maar in Leuven als professor Leonardus Lessius moraaltheologie onderwijzende geleerde, is daarbij een van Coberghers grootste pleitbezorgers.


Het enige 'pandjeshuis' van Cobergher dat momenteel nog werkt, bevindt zich in de Sint-Ghisleinstraat in de Brusselse Marollen, waar het gebouw in 2002 gerestaureerd is. Twee boeken over deze openbare banken van lening worden aan Cobergher zelf toegeschreven: Cort verhaal van de oprechtinghe, ordre ende beleyt van de Bergen van Bermherticheyt, uitgegeven in 1619 te Brussel en Apologia ofte Berscherm-reden tegen het hekelen van de onredelycke vyanden en tegenraeders van de Berghen van Bermhertigheyt, uitgegeven te Mechelen in 1621. Jawel, in die dagen wist je bij het lezen van de titel helemaal waarover het boek zou gaan.


Vanaf 1615 bezit Wenceslas Cobergher een bedrijfje dat potas maakt. In 1618 krijgt hij het monopolie voor de productie daarvan in de Spaanse Nederlanden. Dit patent wordt in 1627 verlengd.


Cobergher is ook bekend geworden als hydraulisch ingenieur. Hij bedenkt verschillende droogleggingswerken in de westelijke en zuidelijke delen van de Kempen, een streek die op dat moment grotendeels uit moerassen, heide en zandig veen bestaat. In 1616 maakt hij plannen voor de kanalisatie van de rivier de Zenne tussen Brussel en Halle. Maar dat idee wordt pas in de 19de eeuw gerealiseerd.

In 1612, geïnspireerd door zijn waarnemingen bij de Pontine moerassen ten zuidoosten van Rome, stelt hij een rapport op over het droogleggen van de Moeren, een moerassige streek van ongeveer 3500 hectaren op de huidige Belgisch-Franse grens in West-Vlaanderen, maar in Wenzels tijd nog volledig deel van de Zuidelijke Nederlanden. Deze droogmaking zou zijn indrukwekkendste prestatie worden. De opzienbarende werken beginnen in 1619 met het delven van een afwateringskanaal met zowat twintig windmolens, die het water in dat kanaal pompen en het zo naar zee afleiden. Het enorme werk liep uiteindelijk ten einde in 1627. De aartshertog is zo enthousiast over het idee, dat hij Cobergher al in 1618 tot baron verheft van de heerlijkheden Cobergher, Sint-Antheunis en Groenlandt. Door deze verheffing in de adelstand krijgt Wenceslas ongeveer de helft van de oppervlakte van De Moeren in bezit. Dat zal uiteindelijk een flink nadeel blijken, want deze bezittingen zijn er de oorzaak van dat hij in een moeilijke financiële situatie geraakt. Cobergher overlijdt op 23 november 1634 in Brussel met achterlating van een gezin in ernstige financiële moeilijkheden. Zijn eigendommen in De Moeren moeten worden verkocht, evenals zijn woning in Brussel. Zelfs zijn uitgebreide kunst- en muntenverzamelingen worden voor 10.000 gulden geveild.


Oeuvre (onvolledig):

Berg van barmhartigheid (Musée d’Archeologie Tournai)

 © foto: Danielle Janssens