
HSP
Jacques de Braekeleer (1823-1906)
Wanneer Jacques op 30 maart 1823 in Antwerpen ter wereld komt, blijkt hij in een kunstenaarsfamilie terechtgekomen. Zijn vader is namelijk de broer van kunstschilder Ferdinand De Braekeleer en ook zijn broer Adriaan zal het penseel gaan hanteren. En dan is er nog schilder en etser Henri, ook al een familielid. Het is dus niet geheel onverwacht dat Jacques De Braekeleer op de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten belandt, maar om wat te ontsnappen aan de concurrentie van al die schilderende familieleden, gaat hij beeldhouwen volgen. Nog tijdens die opleiding gaat hij naar Parijs, waar hij contact heeft met François Duret en met een nog veel bekendere naam, Albert Ernest Carrier-Belleuse. Later zal Jacques zelf les gaan geven op zijn leerschool, aan de Antwerpse academie dus. Een echt grote naam is Jacques De Braekeleer niet geworden, maar wel een begaafd portrettist, afgaande op de vele portretbustes die hij van Antwerpse collega-kunstenaars en andere prominenten heeft gemaakt. In 1886 maakt Karel Verlat ook een schilderij van Jacques De Braekeleer. Op 25 oktober 1906 blaast Jacques zijn laatste adem uit in het dan nog zelfstandige Borgerhout. Hij wordt begraven op perk 6 van de begraafplaats Silsburg, maar je zal daar vergeefs naar zijn graf zoeken, het is intussen geruimd. Om af te sluiten met een anekdote: Jacques heeft zijn atelier aan het toenmalige Sint-Annaplein aan het Kipdorp. Wanneer er op een dag een tijger uit de Antwerpse Zoo weet te ontsnappen, weet het dier tot die straat te raken, achtervolgt door vier man van de dierentuin, die op het punt staan de tijger dood te schieten. Maar De Braekeleer houdt hen tegen, hopend dat het fraaie beest met een net of kooi gevangen kan worden. Helaas klimt de tijger op een dakje, waarna toch het fatale schot volgt. MONUMENT SCHELDE VRIJ Marnixplaats, Antwerpen. Wanneer tijdens de Tachtigjarige Oorlog in 1585 Filips van Marnix van Sint-Aldegonde Antwerpen moet overgeven aan Alexander Farnese , zodat die belangrijke stad weer in Spaanse handen komt, sluit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1587 de Scheldemonding op hun grondgebied af. Daardoor wordt de Antwerpse haven niet langer per schip bereikbaar, tenzij er tol wordt betaald voor de doorvaart. Dat vormt een flinke belemmering voor de handel en de ontwikkeling van de Antwerpse haven, die zal duren tot 16 juli 1863, als het intussen nieuw ontstane België een verdrag met Nederland sluit, waarbij die Scheldetol wordt afgekocht voor de lieve som van 36 miljoen goudfranken, vandaag bijna 200 miljoen euro. Dat geld is deels verschaft door belangrijke handelssteden als Hamburg, Bremen en Londen, maar zal in minder dan tien jaar worden terugverdiend. Tien jaar later, in 1873, wil het Antwerpse stadsbestuur die afkoping herdenken met een groots monument. Er wordt een wedstrijd uitgeschreven en architect Jean Jacques Winders komt daar als laureaat uit. Hij ontwerpt een twintig meter hoog monument op een grondvlak van 15 bij 15 meter, dat op een plein in de nieuwe Zuidwijk zal komen. Bedoeling is, dat het geheel reeds het jaar daarop onthuld kan worden, maar dat lukt niet, er vallen nogal wat technische problemen op te lossen. Intussen krijgt het plein alvast de naam van de burgemeester die destijds de overgave van de stad moest gaan aanbieden in het hoofdkwartier van Farnese in Singelberg te Beveren: Marnixplaats. Uiteindelijk kan de onthulling in 1883 dan plaatsvinden, wat op de voorkant van de sokkel aan de zijde van de Geuzenstraat staat aangegeven: ‘Door de Stad Antwerpen opgericht in 1883’. Aan vier zijden zie je watergod Neptunus een stroom uitspuwen door een gebroken keten. Daarboven rijst een obelisk op, met aan drie zijden een huldeblijk aan bij deze gebeurtenis betrokken personen. Als je rechtsom rond het monument wandelt, passeer je achtereenvolgens het medaillon van minister Karel Rogier, die het verdrag namens de Belgische regering ondertekende, burgemeester Filips de Marnix van Sint-Aldegonde aan de De Vrièrestraat en op de derde zijde baron August Lambermont, die een belangrijke rol als onderhandelaar heeft gespeeld bij het verdrag. Voor deze medaillons en de leeuwen heeft Jean-Jacques Winders de hulp ingeroepen van beeldhouwer Louis Dupuis. De deerne die op de voorzijde ‘1863 Schelde Vrij’ schrijft, komt uit de beitel van Frans Floris. Helemaal boven op de top van de obelisk staat Neptunus met links van hem Mercurius als god van de handel en rechts van hem de knielende Antwerpse stedenmaagd met haar kroon. Achter de rug van de zeegod fladdert nog een putto. Dit alles is het werk van Jacques De Braekeleer, die de beeldengroep uit savonnièressteen tevoorschijn toverde. Dat is een boterkleurige kalksteen, die destijds ondergronds ontgonnen werd in het Franse dorpje Savonnières-en-Pertois, waardoor dorp en omstreken vrijwel ondertunneld zijn geraakt. En ja, je bent in Antwerpen, waar de inwoners zo hun eigen ideeën hebben over hun stadsbeeld. Deze kolos noemen ze niet geheel toevallig het Monument voor de uitvinder van het Ferket. Voor anderstaligen: ferket = vork GRAFMONUMENT JOSEPH LIES Schoonselhof, Krijgsbaan 100, Antwerpen-Hoboken. Het bijzondere van dit grafmonument is, dat het om een van de allereerste burgerlijke teraardebestellingen gaat, waarrond in de 19de eeuw heel wat consternatie ontstond. De in 1821 te Antwerpen geboren Joseph Lies, is de zoon van een hoefsmid annex handelaar in ijzerwaren. Hij zal echter in een andere branche zijn toekomst zoeken, hij gaat vanaf 1834 aan de Antwerpse academie schilderles volgen in een periode dat daar twee stromingen met elkaar botsen, die van directeur Mathieu van Brée en eerste leraar Gustaf Wappers, populair bij de leerlingen en gesteund door koning Leopold I. Lies kan zich na zijn opleiding niet meteen als kunstenaar profileren, want hij trekt een slecht nummer bij de loting voor legerdienst en wordt naar Luik gestuurd. In het leger wordt echter zijn talent ontdekt, een kolonel laat zijn dochter teken- en schilderles geven door Joseph. Maar Lies correspondeert ook met de Franstalige Antwerpse kunstenaarskring La Fleur de Lys, die in de Kammenstraat samenkomt. En na zijn legerdienst sluit hij zich in 1842 aan bij de vrijmetselaarsloge La Persévérance (De Volharding) met hun tempel aan de Kipdorpvest. De opkomst van de vrijmetselarij is in die dagen een uiting van de groeiende macht van de burgerij ten opzichte van de katholieke geestelijkheid en de twee botsen dan ook frequent met elkaar. In 1859 wordt er tuberculose vastgesteld bij Joseph Lies, waarna hij op doktersadvies tot eind juni 1860 naar Italië trekt, wat kennelijk een goede uitwerking heeft. Terug in Antwerpen maakt Lies deel uit van de groep schilders die voor hun werk interesse vinden bij de opkomende burgerij. Maar als hij op 3 januari 1865 overlijdt, ontstaan er problemen bij zijn begrafenis, want hij wenst geen kerkelijke uitvaart. Hoewel veel volk een laatste groet aan de opgebaarde Lies komt brengen, schitteren de Antwerpse burgemeester en de schepen door afwezigheid. Alhoewel begraafplaatsen eigendom van de gemeenten zijn, maakt de katholieke Kerk er in die dagen de dienst uit. Vrijdenkers mogen niet in gewijde grond worden begraven, maar krijgen een graf in een uithoek, de zogeheten hondenhoek. Dat zou Joseph Lies ook te wachten staan op de begraafplaats Stuivenberg. Voor verzoeken om deze toch niet onbekende kunstenaar beter te behandelen, blijkt het Antwerpse stadsbestuur doof . Daarop grijpt de liberale kring La Libre Pensée in en zorgt voor een publieke inschrijving om een grafmonument te bekostigen. Het stadsbestuur geeft geen frank, maat toch lukt het en zo kan beeldhouwer Jacques De Braekeleer zorgen voor een monument met een treurend halfnaakt meisje met lauwerkrans bij Josephs borstbeeld. Achter hen rijst een grote vrouw op, allegorisch de Schilderkunst verbeeldend, die met gestrekte hand ‘de weg’ aanwijst. Na de inhuldiging op 3 december 1866 moet het graf regelmatig worden hersteld door vandalisme en De Braekeleer brengt zelfs enkele ijzeren staven aan om het beeld te versterken. Na opheffing van het Stuivenbergkerkhof wordt dit grafmonument in 1883 overgebracht naar het Kielkerkhof, om uiteindelijk op het Schoonselhof terecht te komen op perk Z1 rij D. Intussen is de rol van de katholieke Kerk teruggedrongen en kan er nu overal op een kerkhof begraven worden in naar keuze gewijde of ongewijde grond. Joseph Lies mag als een pionier in de burgerlijke begrafenis worden gezien. In 1884, kort na de overbrenging van Joseph Lies naar het Kielkerkhof, zal Jacques De Braekeleer nog een marmeren borstbeeld van hem maken, dat nu tot de collectie van het Antwerpse Koninklijk Museum voor Schone Kunsten behoort.