Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

DENDERMONDE

Onze route leidt je door de historische kern van Dendermonde, waarbij je zelf kiest of de musea en kerken die we onderweg passeren een bezoek waard zijn – indien ze tenminste open zijn. Je komt langs voldoende mogelijkheden om even te pauseren en je kan de route ook inkorten bij de Brusselsestraat, de Vlasmarkt of de Grote Markt.


Openingstijden van musea en kerken staan aan het einde van de route.


START: STATIEPLEIN


Auto’s kunnen links opzij van het station parkeren op een speciaal terrein. Aan het station is een fietsenstalling. Op het Statieplein komen bussen van De Lijn aan uit o.a. Aalst, Boom, Gent, Lokeren, Sint-Niklaas. Dendermonde is vanuit Antwerpen per bus bereikbaar met overstappen via Hamme, Sint-Niklaas of Boom. Vanuit Sint-Niklaas via Lokeren en vanuit Brussel is er een rechtstreekse IC-trein, vanuit Mechelen en Gent een directe IR-trein.


STATIEPLEIN


Het is hier druk op 2 januari 1837, zelfs koning Leopold I is in hoogsteigen persoon aanwezig. Om 3 uur ‘s middags stoomt ‘Le Bayard’ vanuit Mechelen binnen onder het gedaver van vijftien saluutschoten als eerste trein op de nieuwe lijn Mechelen-Dendermonde-Gent. Nog twee treinen afgeladen met gasten zullen het stoomros ‘Beiaard’ volgen. België is er vlug bij, wat het aanleggen van een spoorwegnet betreft. Op 5 mei 1835 reed de eerste trein van Brussel naar Mechelen, een jaar later was het stuk Mechelen-Antwerpen gereed en nu is dit het derde traject.


In Nederland was het wachten tot 20 september 1839 voordat de verbinding Amsterdam-Haarlem officieel werd ingereden. Daar bestond er ook geen echt plan zoals hier, om van het spoor een heus verkeersmiddel te maken, dat de grote steden een snelle onderlinge verbinding zou bezorgen.


België was een piepjonge staat en had zijn koning mee. Leopold I mocht dan van origine Duitser zijn, hij heeft een flink stuk van zijn leven in Engeland doorgebracht, waar de industriële revolutie al volop aan de gang is, als we hier nog grotendeels ambachtelijk bezig zijn. Hij heeft al van het nieuwe fenomeen ‘spoorweg’ gehoord en zijn nichtje Victoria, de jonge Engelse koningin, schrijft oom enthousiast over een treinritje, dat ze heeft gemaakt vanuit Windsor naar Londen, “zonder stof, drukte en hitte, in een half uur”. Wat we niet hebben in België, is de technische kennis om als eersteling op het continent spoorwegen aan te leggen. Daarom doen we beroep op Engelse ingenieurs en technici en dat zie je aan onze spoorwegen, nog altijd: er wordt links gereden. Hoewel in de rest van Europa treinen net als auto’s rechts rijden, is dat in België nooit veranderd omdat de kosten voor het verplaatsen van alle seininstallaties te hoog zouden oplopen. Voor buitenlanders is het even wennen als je aan de overweg staat en vooral om het juiste perron te kiezen, want dat ligt doorgaans ook aan de andere zijde.


Kijk met je gezicht richting station naar links, dan zie je een viaduct het spoor overbruggen. Daar is in 1837 nog een gewone overweg met vlak daarbij een eerste eenvoudig houten stationnetje en een kleine goederenloods. Aan de overzijde, op het grondgebied van de nog zelfstandige gemeente Sint-Gillis, staat een lokomotievenloods. Goederenvervoer is dan een van de belangrijkste bestaansredenen van de spoorweg, het gaat aanmerkelijk sneller dan per paard en kar. Stel je even voor: auto’s bestaan nog niet, alle vervoer gebeurt met menselijke spierkracht en met hulp van dieren. Of per schip, maar schepen hebben evenmin aandrijving, zijn afhankelijk van de wind, of worden getrokken door de vrouw van de schipper. Soms door een paard langs de jaagpaden, die over de oevers van rivieren en kanalen lopen. Zo wordt de trekschuit voortgetrokken...


Dan ineens ziet een boer een machine door de velden voortbewegen, zonder dat er man of paard aan te pas komt – een wonderlijk gezicht.


In 1837 kan er geen sprake van zijn, dat een trein diep in de stad doordringt, hij blijft keurig aan de buitenkant. Net als de meeste andere steden, is Dendermonde omgeven met versterkte dijken, waar aan de veldzijde brede grachten voor liggen. Die gordel wordt enkel doorbroken door een handvol hoofdwegen, die pal voor de stadspoorten in hoekige bochten over kleine eilandjes in de grachten lopen, zodat de vijand niet stormenderhand door de poorten kan. Dergelijke scherpe bochten zijn voor treinen natuurlijk niet haalbaar, daarom is het doorbreken van de wallengordel uitgesloten, want dat betekent een bres in de verdediging.


Los daarvan is ook de grond buiten de stad een stuk goedkoper en hoeft er niet veel gesloopt te worden, waardoor het aanleggen van een spoorlijn – dan nog zonder milieu-effectenrapport - snel opschiet. Zo heeft de aanleg van de HST-lijn van Antwerpen naar Breda veel langer geduurd dan destijds de lijn Mechelen-Dendermonde-Gent.


In 1849 krijgt Dendermonde zijn eerste echte station, nu van baksteen, waarschijnlijk ontworpen door Auguste Payen, die voor de staatsspoorwegen een flink aantal stations heeft gerealiseerd. Je ziet het links bij het parkeerterrein nog overeind staan. Ooit was het wit bepleisterd, maar die bekleding is er in 1928 vanaf gehaald. Het is dan al lang geen reizigersstation meer, maar dient als woning voor de stationschef en zijn gezin – dat is nog goed aan de voordeur te zien – en als magazijn of kantoor voor diverse spoorwegdiensten.


Intussen zorgen particuliere ondernemingen voor een snelle uitbreiding van het aantal spoorverbindingen: met Sint-Niklaas via Hamme in 1877, naar Brussel via Asse in 1881 en in datzelfde jaar ook een lijn naar Antwerpen via Boom. Die uitbreiding vraagt om een groter station, wat er in 1881 komt. Maar … dat is dan opnieuw van hout. Waarom, als er reeds eerder in steen is gebouwd?


Uit 1791 dateert een decreet, dat de oprichting van stenen gebouwen in een straal van 380 meter rond stadsvesten verbiedt. Want daarin kan een vijand zich verschansen, terwijl een houten gebouw snel gesloopt of in brand gestoken is. Dat decreet dateert van voor het bestaan van België (1830) en als men rond 1849 een stenen station bouwt, is men er kennelijk nogal gerust in, dat er weinig vijanden te vrezen zijn. Zeker niet vanuit Frankrijk, is Leopold I immers niet getrouwd met prinses Louise-Marie van Orléans, dochter van de Franse koning Louis-Philippe? En hebben de Fransen niet militair bijgesprongen om de Hollanders definitief uit het nieuwe België te verdrijven?


Wanneer tussen 22 en 24 februari 1848 in Parijs een volksrevolutie uitbreekt, die koning Louis-Philippe naar Engeland doet vluchten, verandert de situatie. Op 10 december 1848 wordt Louis Napoleon, neef van Napoleon Bonaparte, eerst president van de nieuwe republiek Frankrijk, om zich enkele jaren later via een staatsgreep tot keizer Napoleon III te laten kronen. Nu begint België zich wel enige zorgen te maken. Van de Grote Mogendheden moet dit land neutraal blijven en daarom moeten we ons grondgebied zelf zien te verdedigen. In 1859 besluit de regering in te gaan op een hen voorgelegd plan van geniekapitein Henri Alexis Brialmont, waarbij Antwerpen wordt uitgebouwd tot een ‘Nationaal Reduit’, de versterking van waaruit het hele grondgebied bij een vijandelijke aanval zal worden verdedigd. De keuze van Antwerpen boven de hoofdstad Brussel komt door de aanwezigheid van de haven, die aanvoer van voorraden en buitenlandse versterkingen garandeert en voor een vijand moeilijk valt af te sluiten. Antwerpen krijgt een stevige omwalling en op enige afstand daarvan een fortengordel. Dendermonde behoort tot de acht versterkte steden, die als steunpunten moeten dienen voor de Nationale Reduit, zodat de Dendermondse vesting weer in staat van paraatheid wordt gebracht. Vanaf dat moment mag er opnieuw niet meer in steen worden gebouwd in de omgeving van versterkingen, zodat het nieuwe station een prachtig houten gebouw wordt. Het zal pas in mei 1940 verdwijnen, nog wel door toedoen van de stationschef zelf. Die denkt de oprukkende Duitsers aan het begin van de Tweede Wereldoorlog een hak te zetten, door het station in brand te steken. Maar veel hinder hebben die daar niet van ondervonden.


Het reizen per trein komt flink op gang, wanneer in de tweede helft van de 19de eeuw de industriële revolutie ook in België volop doordringt. Er komt een grote behoefte aan arbeiders, die in de omliggende dorpen worden gerecruteerd en zo ontstaat de pendelaar. Ook zakenlui en handelsvertegenwoordigers beginnen met de trein te reizen, met als direct gevolg het ontstaan van stationswijken, waar cafés voor de werkers en hotels voor de zakenlui verrijzen. Het zijn eilandjes op zichzelf, nog los van het stadscentrum. Ook voor die nieuwe horeca geldt de wet van het bouwen in hout. The Green House op nr.28 tegenover het station geeft nog een idee hoe zo’n stationsplein er destijds uitzag. Samen met zijn uitheemse buurman is het een laatste restant van de vroegere bebouwing, al is het een recente restauratie, zeg maar nieuwbouw, wat het hout aangaat. Omdat het buurhuis even oud is, krijg je meteen een goed beeld van hoe zo’n houten origineel met de tijd evolueert tot een samenraapsel van bricolage-veranderingen. Die eerste houten gebouwen zijn vaak mooie optrekjes, men moet immers klanten trekken en als het even kan ook wat volk uit de eigen stad. Stationswijken worden uitgaansbuurten, waar stedelingen in contact komen met nieuwkomers van elders, hier viel dus avontuur – en avontuurtjes – te beleven.


Bij aanvang van de Eerste Wereldoorlog in 1914 worden de houten huizen langs het stationsplein om strategische redenen afgebroken, op enkele blijvertjes na. Het spoorwegemplacement ondervindt echter weinig schade van die oorlog. De stad des te meer, zoals zoveel andere Belgische steden. Nederlandse toeristen hebben daar doorgaans weinig weet van, omdat bij hen die Eerste Wereldoorlog vooral een toevloed van Belgische vluchtelingen heeft veroorzaakt. Terwijl in Vlaanderen dagelijks honderden tot duizenden doden vallen, gaat in het neutrale Nederland het leven gewoon door. Al is het leger er wel in verhoogde staat van paraatheid gebracht, het bewaakt al fietsend de grenzen, waarlangs de Duitsers aan Belgische zijde een hoogspanninsgkabel spannen om vluchten onmogelijk te maken.


In België tracht het leger de Duitse opmars te hinderen, door aan een reeks fronten weerstand te bieden. Zo gebeurt dat langs de Nete bij Lier en hier aan de Dender bij Dendermonde. Op vrijdag 4 september 1914 rukken de Duitsers op naar de stad, het Belgische leger trekt zich terug op de linker Schelde-oever en rond 10 uur ‘s morgens staat de vijand in Dendermonde. Omdat de stad zich niet meteen heeft overgegeven, beginnen de Duitsers huizen te vernielen als vergelding, omdat hun opmars is belemmerd. Bovendien biedt het Belgische leger weerstand vanaf de overzijde van de Schelde, wat de Duitsers nog woedender maakt. Er komt een speciale eenheid die systematisch Dendermonde in brand begint te steken. Daarbij moet vooral de middenstand en de betere klasse het ontgelden, de arbeiderswijken blijven redelijk gespaard. De reden? Bij de middenstand en de rijken kunnen de soldaten bij het plunderen meer buit behalen en die manschappen komen zelf uit de lagere sociale klasse, ze hebben dus van nature een zekere afkeer van alles daarboven en sympathie voor het soort lieden wier levensomstandigheden zij maar al te goed kennen.


Op 8 september trekken de Duitsers zich zowaar terug uit Dendermonde, omdat het Belgische leger het hen te lastig maakt. Maar na een hevig artillerieduel, waarbij heel wat huizen in puin worden geschoten, staan ze er op 17 september terug. Toch houdt het Belgische leger stand, zodat de Duitsers een dag later alweer moeten vertrekken. Pas op 29 september slagen ze erin Dendermonde definitief te veroveren, wat betekent dat het Belgische leger de Duitse opmars bijna een hele maand lang heeft kunnen tegenhouden. En dan kunnen ze nog niet de Schelde oversteken, want op 1 oktober ‘s avonds blazen de Belgen de enige brug over de rivier op en dat vertraagt de Duitse opmars nog eens een week, voordat ze in Berlare over het water raken.


De balans na die maand verzet: 1252 woningen en andere gebouwen zijn compleet verwoest, 889 ernstig tot licht beschadigd. In feite zijn er maar 98 gebouwen gaaf de oorlog doorgekomen en daarvan zijn er vandaag de dag ook alweer een aantal uit het stadsbeeld verdwenen door vreedzame sloping.  


Veel van wat je op onze route te zien krijgt aan ‘oud’, is dan ook ‘gereconstrueerd oud’, van na 1920. Herbouwd of ingrijpend hersteld, deels met Duits geld, want dat land heeft na 1918 een enorme schadevergoeding opgelegd gekregen. Het zal een van de oorzaken worden, dat de Duitsers twintig jaar nadien opnieuw op bezoek komen. Maar die tweede Wereldoorlog heeft Dendermonde weinig bouwschade berokkend, nu was Nederland aan de beurt met Rotterdam als berucht voorbeeld.


De huizen met hun barokke vormen die je aan dit stationsplein ziet, zijn dus niet zo oud als hun bouwstijl doet vermoeden. Er staan jaartallen als 1925 op. Het vooruitstrevende deel van de Belgische architecten had het liever anders gezien. Zij vinden die verwoestingen een gedroomde kans om een eigentijdse wind door onze steden te laten waaien. Maar de inwoners zien liever hun vertrouwde stadjes terug en die winnen het pleit. Voor toeristen oogt dit stationsplein sindsdien mooier dan het ooit is geweest, met al die neo-barokke krullen, het gebruik van veel zandsteen en arduin, ramen met kleine ruitjes en een mooie symmetrische opbouw van de gevels. Daartegen steekt de nieuwbouw links wat bleekjes af, al zal het comfort eigentijdser zijn en dat zal de Dendermondenaar beslist belangrijker vinden.


Nog even een blik op het huidige station. Daaraan is nog tijdens de Tweede Wereldoorlog begonnen, kort na het afbranden van de houten voorganger. Het architectenduo Josse en Maurice Kriekinge krijgt opdracht een nieuw gebouw uit te tekenen en ze kiezen voor een stijl die twijfelt tussen Nieuwe Zakelijkheid en Modernisme. De eerste stijl maakt in die dagen opgang in Nederland, met Marius Dudok als grote voorganger met het raadhuis van omroepstad Hilversum als bekendste voorbeeld. In eigen Belgenland is het modernisme aan een opkomst bezig, mee geïnspireerd vanuit Frankrijk door Le Corbusier en door onze eigen Henry van de Velde, die er een aantal Duitse Bauhaus-jaren op heeft zitten. Het wordt een langgerekt gebouw in gele baksteen, waar toch een duidelijk verschil bij valt op te merken met de stenen voorganger uit 1849. Dit is niet langer een soort woonhuis met aanbouwen, maar een functioneel bouwwerk dat eerder aanleunt bij industriële complexen. De seinpost helemaal links is een latere toevoeging, een soort verkeerstoren voor treinen.


Wie ooit per trein Brugge heeft bezocht, zal enige gelijkenis ontdekken met het station aldaar. Dat hebben dezelfde architecten even eerder ontworpen.


Hoog tijd om aan de echte wandeling te beginnen.


Verlaat het Statieplein via de Stationsstraat, die rechts van het plein weg loopt als je met je rug naar het spoor staat.


Alleen de straatnamen maken al duidelijk dat er een verschil is in aanleg: statie en station. De Stationsstraat dateert uit de jaren ’50 van de 20ste eeuw en de bebouwing probeert aan te sluiten bij die van het plein, maar is duidelijk van een andere periode. Voordien lag er een stuk stadsvesten op deze plek en moest alle verkeer de bochtige helling naar het viaduct op om het Statieplein te bereiken vanuit de stad. Aan de overzijde ligt een stukje stadspark.


Ga rechts ter hoogte van de speeltuin tussen de hagen door het Stadspark in en wandel via de paden richting stad, zodat je aan een monument komt.


ROS BEIAARD - Stadspark


Als de Dendermondse afdeling van de Vlaamse Toeristen Bond in 1959 haar 35-jarig bestaan viert, besluit de VTB-moederorganisatie om aan de stad Dendermonde een beeld te schenken. Er wordt aan enkele beeldhouwers uit de streek gevraagd om een maquette in te zenden en bij deze inzenders is ook de uit Aalst afkomstige Marc De Bruyn. Zijn ontwerp van een twee meter hoog Ros Beiaard, dat uit het water opspringt naar de vrijheid en het herwonnen leven, haalt het van onder meer de Dendermondse beeldhouwer Jos De Decker. Het Dendermondse schepencollege zit evenwel met die keuze verveeld. Er is namelijk een historische vete tussen de inwoners van Dendermonde en die van Aalst, juist rond dat Ros Beiaard. “’t Ros Beyaert doet syn ronde / In de stad van Dendermonde / Die van Aalst die syn zoo quaet / Omdat hier ‘t Ros Beyaert gaet”, zo pochen de Dendermondenaren over hun tienjaarlijkse Ros Beiaard-ommegang en ze noemen hun stad dan ook graag de Ros Beiaardstad. Aalst laat als reactie daarop in zijn carnavalsstoet als spot met de Dendermondenaren een Ros Balatum opdraven. En laat het nu net Marc De Bruyn zijn, die dat Aalsterse carnavalspaard heeft ontworpen! Daarom vraagt het Dendermondse stadsbestuur aan Marc om vrijwillig van deelname aan de wedstrijd af te zien. Marc houdt zich echter van de domme en krijgt uiteindelijk toch de opdracht voor dit beeld, dat op zondag 19 april 1959 hier onthuld is. Het ros uit witte Franse hardsteen heeft echter niet de vier heemskinderen uit het gelijknamige middeleeuwse verhaal op zijn rug, maar ze staan kleintjes onder de krachtige voorpoten. De Bruyn heeft ervoor gekozen om Beiaard na diens verdrinking in de Dender weer te laten oprijzen, daarmee herinnerend aan de vele verwoestingen die Dendermonde zelf ondergaan heeft in zijn geschiedenis en die het ook telkens weer te boven is gekomen in een herwonnen vrijheid.


Het valt wel op, dat dit standbeeld wat weggemoffeld is tussen het groen, op een plek waar weinig volk langs komt.


Wandel nog even door dit park tot aan het eind van de Stationsstraat, die op een drukke rotonde uitkomt. In het midden zie je opnieuw het


ROS BEIAARD - Rotonde Leopold II-laan/Brusselsestraat


Blijkbaar gunden de Dendermondenaren Marc De Bruyn niet echt alle eer en dus komt er in 1995 deze bronzen versie van het Ros Beiaard, ditmaal van Jan Desmarets. Het initiatief gaat uit van Ronde Tafel 57, een serviceclub die nogal wat winst heeft gemaakt met een boek over ‘De Dendermondse Schildersschool’ en met dat geld iets leuks voor de stad wil doen. Het 3,50 m hoge bronzen paard is geen lichtgewicht, 1500 kg schoon aan de haak. De witte sokkel van Balegemse zandsteen moet je zien als een offertafel en wie goed kijkt, ontdekt in de opengewerkte buik van het paard een kikker. Die kwaakt hier sinds zondag 17 december 1995 vanaf 18 uur.


De heemskinderen zitten op de paardenrug als gebronsde kerels. Het volledige verhaal krijg je straks, nu vertellen we alleen dat om de 10 jaar in Dendermonde een Ros Beiaardommegang uitgaat - de volgende in 2010 - waarin een evocatie wordt gegeven van episodes uit de lokale geschiedenis en het Vier Heemskinderen-verhaal. Met als sluitstuk van de stoet een aantal historische groepen, legendarische ommegangdieren als de Walvis en de Knaptanden, de drie Dendermondse reuzen Goliath, Mars en Indiaan en uiteindelijk het reusachtige Ros Beiaard. Dat 4,85 m hoge paard weegt maar liefst achthonderd kilo en wordt gedragen door twaalf ‘pijnders’, zoals in de middeleeuwen de havenarbeiders die de schepen losten werden genoemd. Uiteraard zitten er vier kinderen op Beiaard, maar bijzonder daaraan is, dat het vier broers moeten zijn, geboren uit dezelfde Dendermondse ouders en zonder dat er een meisje tussen die opeenvolgende geboorten zit. Steeds is het dan ook een spannend gebeuren, welk viertal wordt uitverkoren. Bij een vierde zwangerschap als er reeds drie jongens zijn geboren, wordt dan ook telkens de gedachte aan een heemskinderenkwartet alvast naar voren gebracht door de omgeving van het echtpaar.


Steek de Sint-Gillislaan over en wandel de brede Leopold II-laan op. Vrij spoedig zie je aan je rechterhand de


BRUSSELSE POORT - Leopold II-laan


Dit is een overblijfsel uit 1822 van de Hollandse versterkingen, die na de val van Napoleon bij Waterloo in 1815 werden aangelegd. Die zijn na 1830 - het ontstaan van België - de hele 19de eeuw intact gebleven en vormden daardoor, zoals ook bij andere vestingsteden, een fikse hinderpaal om uit te groeien tot een modern Dendermonde. Pas in 1906 mogen ze van het Ministerie van Oorlog worden gesloopt. Dat gebeurt dan ook met de Gentse Poort, maar deze Brusselse Poort en wat verderop de Mechelse Poort blijven behouden. Dat kan, omdat hier ‘doorsteken’ worden aangelegd, die van buiten Dendermonde komende wegen rechtstreeks laten aansluiten op straten binnen de stad.


Stel je het even voor: de brug achter deze binnenpoort loopt over een stuk vestinggracht, waardoor je op een eilandje in het water - een zogeheten ravelijn - komt, dat stevig ommuurd is. Je maakt daar een 90°-bocht naar rechts, om via een tweede poort en de daarachter liggende brug over het vestwater aan te sluiten op de Brusselse Steenweg buiten de stad. Legers konden zo nooit rechtstreeks zo’n stadspoort aanvallen of beschieten vanaf de hoofdweg. Om het allemaal nog wat moeilijker te maken, kan van de toen nog houten bruggen het gedeelte dat direct aansluit op de poorten worden opgehaald, dat waren valbruggen. De metalen rails aan weerszijden aan de binnenzijde van deze Brusselse Poort en de daarbij behorende katrollen, zijn onderdelen van het ophaalmechanisme. Zo’n valbrug hing langs de buitenzijde aan kettingen, die over wielen door de poortmuren heen lopen. Om bij het neerlaten de brug tegen te houden zonder daarvoor tien sterke mannen nodig te hebben, worden tegengewichten gebruikt. Dat helpt vooral waneer een stevige wind vat op zo’n brugdek heeft. Dan wordt immers een snelle actie erg moeilijk, terwijl dat juist in noodsituaties van belang is. Maar zelfs met contragewichten blijft het moeilijk om zo’n zware valbrug geleidelijk te laten zakken, want eenmaal in beweging, versnelt zo’n brug spontaan. Daarom is hier een speciaal systeem toegepast. De rails waarover het tegengewicht loopt volgen een nauwkeurig berekend gebogen traject, waardoor er op elk moment een evenwicht is tussen het gewicht van de brug en het contragewicht aan deze kant. Zo kan zo’n valbrug in elke stand worden stilgezet zonder extra kracht en ook heel geleidelijk en met geringe inspanning worden neergelaten. Het is een uitvinding uit 1734, die hier is toegepast en waar nog weinig voorbeelden van bestaan. Het hele systeem was destijds wel in aparte bijgebouwtjes geïnstalleerd, waardoor de poortdoorgang aan de stadszijde even smal was, als de brug over de gracht.


De poort zelf verschilt flink van de middeleeuwse constructies. Die hadden zware torens opzij en vaak een spits toelopende doorgang. Soms waren de torens uitgerust met kantelen, zoals we dat nog kunnen zien bij de Brusselse poort in Mechelen. Deze poort is echter neoklassiek, de bouwstijl die in de 19de eeuw voor overheidsgebouwen gebruikelijk is. Vrij rechttoe-rechtaan, zonder teveel franjes, alleen wat randen en hoekblokken als versiering. Wat je niet ziet is de baksteen, waaruit de poort in feite is opgebouwd. Je ziet wel de daarop gehechte witte zandsteen en blauwe hardsteen, allebei gerecupereerd van de afgebroken abdij van Affligem. Natuurlijk staat deze poort aanvankelijk niet zo eenzaam opgesteld, maar sluit links en rechts aan op een aarden vestingwal. De poort werd bewaakt en die wachters hadden een wachtlokaal, maar dat is bij de aanleg van de Leopold II-laan in de jaren 1930 verdwenen. De oorspronkelijke houten brug is een decennium later door een stenen vervangen.


Tussen 30 april 2001 en 4 februari 2003 heeft de Wilrijkse firma n.v. Verstraete en Vanhecke deze poort gerestaureerd naar een ontwerp van architectenbureau Van Severen.


Wandel je even over de brug naar de andere zijde van het water, dan zie je voor je een bomvrij kruitmagazijn. Loop eromheen en je ziet dat het verscholen ligt onder een aarden heuvel. Die diende om inslaande mortieren af te remmen, zodat de opslagplaats niet geraakt werd, anders waren de gevolgen natuurlijk niet te overzien. Om in 1933-’34 het viaduct over de spoorlijnen aan te leggen, is een deel van het ravelijn opgeofferd, samen met de buitenpoort. Van de buitenbrug resteren nog enkele arduinen pijlers, die hier in een pergola zijn verwerkt.


In 1940-’41 is op het resterende gedeelte van het ravelijn het nogal kleine stadspark aangelegd, dat langs twee zijden door water is omgeven. Aan de buitenzijde van de zeer brede grachten loopt de Kalendijk, een naam die thans behoorlijk misplaatst lijkt, want er staan huizen langs en hij is flink bebost. Maar dat was uiteraard niet zo in de 19de eeuw. Vestingwallen waren inderdaad kaal, de vijand moest geen kans krijgen om ongemerkt zo’n wal te beklimmen of zich verdekt te kunnen opstellen.


AANDACHT: Als je minder geïnteresseerd bent in industriële archeologie, kan je hier   de route inkorten. Wandel dan vanaf de rotonde rechtuit de Brusselsestraat in en volg die tot het einde, waardoor je op de Vlasmarkt uitkomt. Daar kan je opnieuw aansluiten op onze route.


Wandel verder langs de Leopold II-laan tot je rechts aan het Jazz Centrum Vlaanderen komt. Ga links langs dat huis aan de straat naar de wallen achterin.


BASTION V - Leopold II-laan 12A.


Op 6 maart 1965 heeft Bert Heuvinck de Honky-Tonk Jazz Club opgericht. Deze Dendermondse jazzclub is een vaste waarde in het Belgische jazzcircuit, waar internationale artiesten als Ray Charles hebben opgetreden. De club is gevestigd in een kazemat, die vanaf 1829 tot 1830 als Hollands laboratorium van de artillerie heeft gediend. Het moet een van de laatste vestingwerken zijn, die het Nederlandse regime in deze stad heeft aangelegd. Een kazemat is een bescherming voor manschappen of voorraden. In de middeleeuwen was dat een verplaatsbare beschutting, later zijn kazematten ingebouwd in vestingen, waarbij het om ruimten gaat, afgedekt met stevige bakstenen gewelven. Doordat er zoals hier een dikke laag aarde op wordt aangebracht, wordt zo’n kazemat bomvrij. Soms staat er in zo’n kazemat geschut opgesteld en dan moeten er schouwen aangebracht worden naar boven om de kruitdamp weg te krijgen, maar dat is in Dendermonde nergens het geval geweest.


In het jazzcafé aan de straatzijde wordt een overzicht gegeven van het bestaan van de Honky Tonk Jazzclub.


Ga terug naar de Leopoldlaan en wandel tot aan het zebrapad links, waar je oversteekt. Links van je staan er twee kleine huizen met daartussen een hek, die we even nader bekijken.


FABRIEKSINGANG KATOENFABRIEK L.GORUS et De BLOCK / Kt@ - Leopold II-laan 11-13.


Vanaf midden 19de tot halfweg 20ste eeuw floreert in Dendermonde de textielindustrie, waarbij in een handvol grote bedrijven katoen wordt gesponnen, geweven en bedrukt. Peter De Block begint daarmee op deze plek en wanneer zijn dochter Elisa trouwt met Leo Gorus, wordt het bedrijf onder de nu wat verlengde naam rond 1880 de belangrijkste katoenfabriek van de stad. Door de spijlen van deze poort zie je recht voor je een restant van een fabriekshal, met links nog een schoorsteen. Schuin rechts staat een villa die in bouwstijl aardig aansluit bij de huisjes links en rechts van deze poort. Die directeurswoning laat Leo in 1880 bouwen door architect Pieter Van Kerckhove, een Sint-Niklazenaar die als provinciaal architect zich een jaar eerder al heeft laten opmerken bij de bouw van de Gendarmeriekazerne, even verderop langs deze laan. De traptoren die je van hieruit goed ziet, had ooit een hoger puntdak, daarna een opengewerkte smeedijzeren top, maar is nu gescalpeerd. Monumenten verdwijnen zelden ineens, het gaat bijna ongemerkt, zodat men eraan went.


Even een hek opschuiven voor het vervolg van ons textielverhaal.


VILLA GORUS-De BLOCK/Le CHÂLET DU BOULEVARD/TORENHOF - Leopold II-laan 15.


Het naambord spreekt over De Wolf n.v., maar ons verhaal heeft het over naar de haaien gaan. Want dat is wat er met Leo’s bedrijf gebeurt: op 14 maart 1893 is hij failliet. Een slechte gewoonte, die vaker voorkomt bij Dendermondse textielnijveraars en vooral veel ellende voor hun arbeiders inhoudt. Hun bazen gaan wat later gewoon in een andere combinatie verder, in dit geval als La Termondoise vanaf 20 maart 1894. Hier worden dekens, dweilen uit geperste katoenresten, paklinnen en zakken gemaakt.


Gorus is een overtuigd christelijk mens en dat hebben zijn arbeiders geweten: “Men zal het werk beginnen en eindigen met ten minste het teken des Kruizes, om over hetzelve den zegen Gods te bekomen”, zo begint hun arbeidsreglement in 1893. Slecht gedrag wordt bestraft met direct ontslag en ook vloeken is beslist verboden. Als we het vandaag hebben over ongewenste intimiteiten op het werk, is dat dus geen nieuw verschijnsel, want dat slecht gedrag omvat vooral ‘aanslagen tegen de zeden en onkuise gesprekken’.


La Termondoise houdt het vol tot halverwege de crisis van de jaren ’30 van de 20ste eeuw, maar gaat op 6 februari 1937 toch ten onder. Maar ook nu is er weer redding vanuit de kring der grootindustriëlen: de aanpalende textielfabriek Anciens Etablissements Philips-Glazer et Fils koopt gebouwen en materiaal op en we zijn opnieuw vertrokken. De Tweede Wereldoorlog wordt overleefd, maar in 1955 is Philips-Glazer door toenemende concurrentie uit lageloonlanden genoodzaakt af te slanken en worden de oude Termondoise-gebouwen verkocht.


De geschiedenis van Philips-Glaser is echter zo karakteristiek voor die Dendermondse familiebdrijven, dat we die nog even verder uitspinnen, om in de terminologie te blijven.


Philips-Glaser


De op 1 juli 1777 in het naburige Baasrode geboren Josse Philips trouwt op 9 september 1819 met de 22 jaar jongere Barbara Glaser en zij starten wat later met een spinnerij aan de Brusselsestraat in Dendermonde. Vooral de export van dekens naar de Verenigde Staten is zeer succesvol. Ze worden er als ‘Belgian Philips Blankets’ aan de man gebracht. Later ontdekt Josse, dat je die weefsels goed kan gebruiken als dweil, wanneer je zo’n deken in kleinere stukken snijdt. Vloeren worden makkelijker schoon en droog met zo’n dweil, dan met de oude vodden waarmee dat tot die tijd gebeurt. Na de dood van Josse op 7 april 1871, zet zijn weduwe het bedrijf voort met haar zonen. Reeds het jaar daarop volgt een flinke uitbreiding vanuit de Brusselsestraat achterdoor naar de Leopold II-laan, waar de kantoren komen en een nieuwe hoofdingang. Er worden nu ook verpakkingszeildoek en gewatteerde bedspreiden aan het productengamma toegevoegd. De Eerste Wereldoorlog betekent de verwoesting van het bedrijf, maar de naar Engeland uitgeweken zoon Arthur koopt daar nieuwe weefgetouwen, zodat na de oorlog de productie weer snel hervat kan worden. Bij diens dood in 1928 laat hij een bedrijf achter met 6000 spillen in de spinnerij en 50 weefgetouwen, waarop onder meer jacquard-dekens worden gemaakt. Na de Tweede Wereldoorlog gaat het echter in een steeds dalende lijn, wordt de fabricage ingekrompen tot dweilen en wollen dekens, om uiteindelijk eind jaren ’60 tot volledige sluiting over te gaan. Het is een lot dat dit bedrijf deelt met de andere Dendermondse textielfabrieken, waarmee deze industrie uit het stadsbeeld verdwijnt.


Enkele stappen verder staan we voor de


TURNZAAL VAN HET LYCEUM - Leopold II-laan 17.


Vandaag heet deze onderwijsinstelling de Zwijveke Middenschool, waarbij het eerste deel van de naam op een hele wijk slaat, waarin we zo meteen dieper doordringen.


Deze turnzaal dateert van na de Tweede Wereldoorlog en is een voorbeeld van moderne architectuur, die toch nog een zweem bezit van de neiging tot versiering uit vroegere stijlen. Zo is er die toren, die niet direct functioneel is voor een schoolgebouw. De klokken hebben natuurlijk wijzers gehad, zodat leerlingen konden zien hoeveel minuten ze te laat waren.


We vervolgen onze route via de Leopoldlaan.


Op huis nr.39 is het “Hier waak ik” – een draak van een deurklink.


Ga nu de eerste zijstraat links in, de Lindanusstraat.‘Start People’ komt voor ons als aansporing wat laat ...


LINDANUSSTRAAT


Als er iemand was, die bekommerd was om zijn stad, was het beslist David van der Linden, een 17de-eeuwse intellectueel, die zijn naam volgens de humanistische mode verlatiniseerd tot Lindanus. De uit Gent afkomstige David verdient hier de kost als griffier-pensionaris van het Land van Dendermonde, een bestuurscollege dat over de stad niets te zeggen heeft, maar des te meer over het omringende platteland. Van opleiding is hij rechtskundige, uit interesse geschiedschrijver. Omwille van die laatste kwaliteit heeft hij zijn straatnaam verdiend. Zijn De Tenraemonda libri tres is een geschiedenis van deze stad uit 1612, gedrukt bij Verdussen, naast de beroemde Plantin-Moretus een van de bekendere namen in het Antwerpse drukkerswereldje uit die dagen. De titel van het boek wijst erop, dat de stad ooit Tenremonde werd genoemd. Van in de middeleeuwen tot aan de Franse bezetting was dat zelfs de officiële stadsnaam. Nabij de stad Leuze in de Waalse provincie Henegouwen lag de heerlijkheid Tenre, waar de rivier de Dender ontspringt en vermoedelijk haar naam aan ontleent.


Van der Linden is ‘op stand’ getrouwd met een jonkvrouw, Anna van der Sijpen, woont in de Savaanstraat waar de veemarkt wordt gehouden en geeft daar les aan een hogeschool. Op 21 september 1638 verliest Dendermonde een stukje van haar geheugen.


Als u hier even op de huisnummers aan de rechterzijde let, merkt u na nummer 66 plots iets vreemds, het volgende huis draagt het nummer 38. Het geheim schuilt achter de doorgang, wandel dus naar binnen.


BELUIK GORUS-De ZEEUW - Lindanusstraat 38-66.


Je staat hier in een verrassende binnentuin, waaraan de ontbrekende huisnummers grenzen. Dit is niet wat Nederlanders een hofje noemen, maar een beluik. Bij een hofje, of op z’n Vlaams een godshuis, gaat het over huisjes voor bejaarde of zieke mensen, die daar kunnen wonen dankzij een weldoener of als lid van een gilde of ambacht. Een beluik, soms ook fortje genoemd, is een verzameling huisjes waar arbeidersgezinnen een onderkomen vinden, vaak verbonden aan een nabije fabriek. In dit geval ging het om het bedrijf van Judocus Goris-De Zeeuw, een handelaar in koloniale waren, die ook een eigen zoutziederij aan de Beurzestraat bezat, waarvan je even verderop nog een laatste restant te zien krijgt. Hij laat deze huisjes bouwen in 1888 en ze worden nu gerenoveerd door een particuliere eigenaar.


Wat nu aangenaam oogt, zo midden in de stad, was destijds minder ideaal. Doorgaans waren beluiken behoorlijk overbevolkt, doordat de gezinnen nogal wat kinderen hadden. In de huisjes ontbrak elk sanitair, dat was gemeenschappelijk voor alle bewoners ergens in een apart hokje ondergebracht. Ook voor water moet iedereen naar een centraal opgestelde pomp. Beluiken waren daardoor haarden van besmetting in tijden van cholera.


Dit beluik is mooi bewaard. In de parallel met de Lindanusstraat lopende Sint-Jacobsstraat, staat nog achter een bakstenen doorgang een rij huisjes tussen het onkruid te verkommeren. Omdat veel beluiken werden aangelegd in tuinen van iets beter behuisde burgers, zijn ze grotendeels weer verdwenen zodra de huisvesting voor arbeiders erop vooruit ging.


Terugkerend naar de straat kijkt u door een opening in de huizenrij aan de overzijde recht op een vleugel van de vermaarde Dendermondse rijksgevangenis.


RIJKSGEVANGENIS


Tussen 1860 en ’83 wordt op een terrein van ruim 1 ha een gevangenis gebouwd van het toen voor Europa zeer vooruitstrevende Pennsylvania model: vanuit een centrale ruimte vertrekken lange vleugels waarin de cellen zijn ondergebracht. Zo kunnen ze beter worden gecontroleerd. De voornaamste nieuwigheid is echter, dat de gevangenen in ‘stille’ afzondering worden gehouden. Ze worden wel gezamenlijk gelucht op de binnenplaatsen tussen de cellen, maar ze worden niet langer tot arbeid gedwongen. Vroeger werden gevangenen vaak tewerkgesteld ten behoeve van industriëlen, die dan voor hun onderhoud moesten instaan. Dat laatste liet dan wel eens te wensen over, zoals in Gent, waar begin 19de eeuw katoenbaron Lieven Bauwens gevangenen garens laat weven die in zijn fabrieken worden gesponnen. Als er echter niet voldoende garens zijn, hebben de gevangenen geen werk en krijgen ze geen eten van Bauwens. Eerder wordt er in Gent door gevangenen Braziliaans hout geraspt om er kleurstof uit te halen, waardoor deze gevangenis algemeen werd aangeduid als het Rasphuis.


Bij een gevangenis van het type als hier in Dendermonde wordt over Pennsylvania-systeem gesproken, omdat dit model voor het eerst in 1829 is gebouwd in de stad Philiadelphia in de Amerikaanse staat Pennsylvania. De Belgische ex-politieke gevangene Eduard Ducpetiaux leert het systeem als banneling in Amerika kennen en introduceert het bij ons, als hij zelf hoofd van het Belgische gevangeniswezen is geworden midden 19de eeuw. Ook hier is België de voorloper, waarnaar andere Europese staten komen kijken.


Vandaag hebben we weer een iets andere kijk op het onttrekken van mensen aan de samenleving en dus zijn er plannen voor een hypermoderne nieuwe strafinrichting op wat nu nog een brok groen platteland is tussen Dendermonde en fusiegemeente Sint-Gillis. Wie ginds gaat kijken, zal meteen merken dat de huidige bewoners van dat gebied niet op de komst van ‘onvrijen’ zitten te wachten. Er hangen zwarte vlaggen en je leest achter menig venster: “Geen gevang in onze groene long.” Zal de Madonna van Zwyveke, die daar haar kapel heeft, een pleidooi kunnen houden bij het Allerhoogste Beroep?


De huidige Dendermondse gevangenis is momenteel vooral bekend om haar ontsnappingen. Maar zei men in de middeleeuwen niet reeds: stadslucht maakt vrij?


We slaan de eerste straat links in, maar kijken ter hoogte van die straat eerst nog even naar de linkerkant van de Lindanusstraat.


Hier staat een woning, die wat bouwstijl betreft sterke gelijkenissen vertoont met een groot pand verderop in de Lindanusstraat, waarin o.a. een wassalon huist. Maar wie even beter kijkt, ziet dat dit huis de stijl vereenvoudigd kopieert en van na de Eerste Wereldoorlog is, terwijl het grotere pand toen een van de uitzonderingen was, die gespaard bleven van oorlogsschade. Het gaat om een industrieel gebouw:


HOOFDKANTOOR La DENDRE - Lindanusstraat 31-33.


Jean Ezéchiel De Bruyn, Emile Clément en Emile Geerinckx richten hier in 1875 een katoenfabriek op, die vanaf 20 juli 1894 onder de naam La Dendre katoen spint, verft, bleekt en apprenteert. Het drietal is van goed katholieke huize en de Dendermondenaren spreken al snel over ‘t katholiek fabriek. Zo staat er in het arbeidsreglement dat “Godslastering, zedeloosheid, zingen of andere onbetaamlijkheden, zowel buiten als binnen de fabriek, ten strengste verboden zijn”. Paternalistische fabrieksdirecteuren zijn eind 19de eeuw geen uitzondering. Zij willen goed bedoeld de arbeidersklasse ‘verheffen’, maar hebben er geen idee van hoe die mensen dagelijks leven. Sommige ondernemers gaan daarin zo ver, dat ze hele woongemeenschappen rond hun bedrijven laten bouwen met alle mogelijke voorzieningen. Maar dat is tot mislukken gedoemd, de arbeiders zien zich niet aan het handje van de directeur lopen om ontwikkeld te worden.


La Dendre heeft het uiteindelijk volgehouden tot 29 maart 1938, toen de crisis te hard toesloeg om de productie overeind te houden. Vandaag is er op het vroegere fabrieksterrein achter het kantoorgebouw een Colruyt-supermarkt. Dus toch weer een familiebedrijf, dat zich zelfs overeind weet te houden door de kampioen van de laagste prijs te spelen.


Nu echt de zijstraat inslaan.


LEO BRUYNINCXSTRAAT


Ook in dit geval was de naamgever een geschiedschrijver, nu van recenter tijden. De op 22 september 1866 geboren Bruynincx was advocaat van beroep en achtereenvolgens volksvertegenwoordiger en burgemeester van Dendermonde tijdens de Eerste Wereldoorlog. In oktober 1929 schrijft hij een boek over zijn stad, maar doordat de man nog op de 18de van diezelfde maand tijdens de jaarmarkt overlijdt, wordt het pas in 1965 uitgegeven.


Ga even midden op de rijweg staan.


Zo zie je links en rechts rijen lage arbeiderswoningen, die vrijwel halverwege de straat even worden doorbroken door een hoger dak. We bevinden ons hier middenin het Nieuw Zwyvicqkwartier, zoals het wordt genoemd bij de aanleg rond 1900, waarbij industrieel Albert Vertongen zijn fikse lap grond verkavelt.


Het uit de band springende huis op nr.18 was de chique woning van Odilon Straetman, eigenaar van een deken- en dweilenfabriek in de toen nog zelfstandige gemeente Sint-Gillis. Een balkon en blauwe regen langs de gevel zijn je herkenningspunten, want een huisnummer ontbreekt.


Aan het straateinde naar links, de Zwyvinckstraat in. Die komt achteraan met een haakse hoek uit bij de


WELDADIGHEIDSSTRAAT


In 1901 zorgt het Weldadigheidsbureel (stedelijke bijstand voor de armere bevolking) voor het bouwen van een straatbeluik met twee rijen van in totaal 32 arbeiderswoningen in dit doodlopende straatje. Ook hier zorgde een pomp voor drinkwater ten behoeve van alle gezinnen. Aan deze huizen werd geen haar gekrenkt tijdens de Eerste Wereldoorlog.


Net als bij begijnhoven spreken we over straat- en pleinbeluiken. Zojuist heb je een pleinbeluik bezocht en dat oogt vandaag prettiger dan dit straatbeluik. Bij begijnhoven ligt dat anders, omdat in een straatbegijnhof de huisjes niet allemaal hetzelfde zijn en de straatjes minder rechtoe-rechtaan, waardoor er een zekere nostalgische romantiek vanuit gaat. Vooral het straatbegijnhof van Lier scoort hier hoog. Bijna aan het eind van deze wandeling bezoeken we het Dendermondse pleinbegijnhof.


We keren op onze stappen terug en wandelen de Zwyvinckstraat helemaal uit. Je passeert daarbij een groot schoolgebouw.


ZWYVINCK MIDDENSCHOOL - Zwijvinckstraat.


Ongeveer op deze plaats resten er in de 13de eeuw wat gebouwen van de eerste cisterciënzerinnenabdij. Die is door Machteld I, vrouwe van Dendermonde, in 1223 opricht met als basis een door haar in reeds in 1214 gesticht gasthuis voor arme pelgrims en hulpbehoevende burgers. Wanneer die abdij – waarover zo meteen meer – in 1228 naar elders verhuist, worden deze gebouwen ingenomen door vrome reclusen, gewone alleenstaande vrouwen die bijeen gaan wonen omdat zulks veiliger is in een gemeenschap waar niet gehuwde vrouwen met een scheef oog worden bekeken. Een vrouwenoverschot is echter ten tijde van de Kruistochten in veel Europese steden niet ongewoon. Vrouwe Machteld II maakt er in 1259 dan maar meteen een echt begijnhof van. Tussen 1288 en 1295 verhuist een deel van deze begijnen naar een nieuw hof aan de Brusselsestraat, de achterblijfsters noemen zich voortaan kluizenaressen en hun woongebied De Grote Kluis. Ze houden stand tot het eind van de 16de eeuw, waarna de gebouwen meer dan een halve eeuw leeg blijven staan, totdat er met een legaat van Hilduard d’Haens, pastoor van de Sint-Gilliskerk, een onderkomen voor oude vrouwen wordt gesticht. Een paar jaar later, in 1663, maakt Anne Puttemans daar een Maricolenklooster van, dat tot aan de Franse tijd blijft bestaan.


Alle kloosterordes worden door deze revolutionairen opgeheven en zij gaan in deze kloostergebouwen voortaan zwakzinnigen onderbrengen, dus een ‘zothuis’, want aan echte psychiatrie wordt in die dagen nog niet gedaan. Wanneer die Fransen na de Slag bij Waterloo (1815) weer spoorslags verdwijnen, komen de nonnen terug en nemen het bestuur van de krankzinnigeninstelling over. Ze bouwen zelfs tussen 1863 en 1865 een volledig nieuwe inrichting – die gebouwen zie je nu – maar ze gaan die nooit gebruiken, omdat ze ongeveer tezelfdertijd besluiten hun psychiatrische instelling naar het dorp Lede nabij Aalst te verhuizen. De Belgische Staat koopt de panden in 1867 over en maakt er een Krijgshospitaal van. Dat is dus de fase die volgt op collectieve waanzin. Vandaag worden ze gebruikt als school, dat is dan de voorafgaande eerste fase, waarbij je nooit zeker bent welke kant het later op zal gaan.


Aan het eind van deze straat sta je voor de oude poort van de


VOORMALIGE ABDIJ VAN ZWIJVEKE - Nijverheidsstraat 1.


In 1223 sticht Machteld I hier vlakbij een cisterciënzerinnenabdij, zoals we zojuist vertelden. Maar te veel lawaai is nadelig voor de contemplatieve godsvrucht van de nonnen en daarom verhuist de abdij op 14 juni 1228 naar de Zwijvekekouter aan de overzijde van de oude Dender, op grondgebied van buurgemeente Sint-Gillis.


De naam Zwiveke schijnt te duiden op een gebied van een zekere Suevus, een Gallo-Romein die daar woonde op zijn Suiviacum, een groot landbouwbedrijf, zoals je ze daar vandaag – ietwat bescheidener – nog steeds aantreft. Samen met zwarte vlaggen, zoals we reeds vertelden.


Die abdij wordt in 1579 tijdens de Tachtigjarige Oorlog door de calvinistische geuzen behoorlijk beschadigd, maar tussen 1608 en 1663 weer hersteld. Een beetje boter aan de galg, want als amper vier jaar later in augustus 1667 de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV in zijn strijd rond de Spaanse troon het beleg voor Dendermonde slaat, geeft de Spaanse gouverneur van de stad zelf opdracht tot verwoesting van de abdij om zo de Fransen te verhinderen hun artillerie binnen de kloostermuren op te stellen ter ondersteuning van hun aanvallen op Dendermonde. Lodewijk moet zijn beleg inderdaad opgeven wanneer de Dendermondenaren hun waterlinie inschakelen: via een systeem van sluisjes en kanaaltjes kan bij vloed Scheldewater via de Dender binnenstromen en het lagerliggende land rond de stad overstromen. Lodewijk wordt nog gewaarschuwd voor het oprukkende water door de molenaar van een van de watermolens in dat gebied, het zogenaamde Verraad van Dendermonde.


Maar goed, met die overwinning op de Fransen zijn de nonnen niet echt gebaat. Uit veiligheidsoverwegingen - je zou voor minder na zulke ervaringen - herbouwen de zusters hun nieuwe abdij binnen de stadsmuren. Tussen de poort waar je nu voor staat en de Lindanusstraat, verrijst tussen 1671 en 1762 een nieuwe abdij met naast een compleet poortgebouw met enkele dienstgebouwen ook een gesloten pandhof en een kerk, alles omgeven door een royale tuin. Het leek zo mooi, maar wat de Fransen in de 17de niet hadden klaargekregen, lukt hen tijdens hun volgend bezoek begin 1797. Ditmaal komen ze zonder koning. Lodewijk XVI en zijn koningin Marie Antoinette hebben hun hoofd in Parijs verloren, terwijl de Revolutie voortrolde naar het noorden. De nonnen worden manu militari uit hun klooster gezet, dat in 1798 openbaar wordt verkocht als ‘nationaal goed’. Het grootste deel van de gebouwen wordt gesloopt omdat de bouwmaterialen geld opbrengen. Wat blijft staan is een gastenkwartier, een dienstgebouw, een poortgebouw en een gaanderij die verbouwd wordt tot acht kleine arbeiderswoningen. In het dienstgebouw neemt een boer zijn intrek. Een kleine eeuw later komt alles in bezit van Albert Vertongen, de ons al bekende industrieel die rond 1900 het Zwijvicqkwartier laat ontstaan.


Doordat de stad Dendermonde in 1969 de intussen aardig vervallen abdijrestanten koopt en laat herstellen, kunnen we die vandaag nog zien. Daarbij is de grote poort uit 1755 het meest schamele restant, want enigszins ‘fake’. Hij staat gewoon tegen de tuinmuur van een pastorie, omdat het oorspronkelijke poortgebouw bij de restauratie niet meer te redden viel.


Wandel je rechts de Nijverheidsstraat verder in, dan kom je langs een


Zuilengalerij


Deze galerij is in 1690 door abdis Livina Mendez Correa gebouwd, waarbij gebruik is gemaakt van arduinen zuilen uit de verwoeste abdij op de Zwijvekekouter. In de muur zijn een groot aantal gevel-, gedenk- en grafstenen ingemetseld, waarnaast vaak hun herkomst wordt vermeld. De smeedijzeren pompzwengel uit het derde kwart van de 18de eeuw komt van de vroegere Vismarkt achter het stadhuis. In de muur zit ook het beloofde overblijfsel van de zoutziederij van Jodocus Goris, een jaarsteen uit 1882. Een opvallend restant is de gevelsteen met het wapen van Juan de Alvarade y Bracamonte, tijdens de 80-jarige burgeroorlog tussen Spanjaarden en Geuzen de Spaanse gouverneur van Dendermonde, residerend in het geconfiqueerde Prinsenhof aan de Vlasmarkt. Boven op deze galerij ligt een tentoonstellingszaal, waar exposities het Dendermonde uit de 19de en 20ste eeuw tonen. Je bereikt die ruimte via een trap in het


Dienstgebouw


De glazen deur doorgaan en je staat in een hal met arduinen gedenksteen voor mevr. Alice Dörbecker-Van Ranst, die geld gaf voor de restauratie van deze abdijrestanten. Rechts kom je in het


Gastenkwartier


Hierin is het Historisch Documentatiecentrum gehuisvest, waar iedereen die wat meer wil weten over het Dendermondse verleden boeken en tijdschriften kan komen inkijken. Op de bovenverdieping, bereikbaar via de trap in de hal van het dienstgebouw, zit de Dendermondse foto- en diatheek.


Openingsuren Zwijvekemuseum:

ma.-vr. 9-12/13-16u.,apr.-okt. ook zo. 14-18u., tel.052/21.30.18.


Wandel de Nijverheidsstraat uit, zodat je opnieuw in de Lindanusstraat belandt, waar je linksaf gaat.


LINDANUSSTRAAT deel 2


Op de linkerhoek een reliëf van het Ros Beiaard met de vier heemskinderen – daar ontkom je hier echt niet aan! “Mijn Dendermonde mijn”, hier woont een échte liefhebber van zijn stad.


Wie stilaan wat vermoeid raakt, kan even binnenspringen op nr.9 bij ‘Misento’ voor een snelle relaxbeurt.


Aan het eind van de straat naar links, maar eerst even naar de overzijde kijken.


ABDIJSCHOOL - Oude Vest 79.


Deze school is voortgekomen uit de belangrijkste nog bestaande geestelijke instelling van Dendermonde, de Sint-Pieter-en-Paulusabdij, waarover we zodadelijk meer gaan vertellen. Maurus Peleman wordt in 1935 de derde abt van deze abdij, die naast voltooiing van de herbouwde abdij na de verwoesting tijdens Eerste Wereldoorlog, ook deze Abdijschool opricht. Uit deze onderwijsinstelling werden onder andere nieuwe roepingen voor het priesterschap gerecruteerd.


OUDE VEST


In de 12de eeuw ontpopt Dendermonde zich tot een regionaal centrum van handel in geweven wollen stoffen – die dan gezamenlijk met de term laken worden aangeduid - en wordt de stad uitgebreid met een buitenwijk op de rechteroever van de Dender. Om die te beveiligen wordt een gracht aangelegd, die aan weerszijden op de Dender aansluit. Aan beide zijden worden huizen gebouwd, wanneer die gracht evolueert tot een belangrijke binnenhaven. Je ziet dan ook, dat de medio 20ste eeuw gedempte Oude Vest behoorlijk breed is. Zo kom je eigenlijk nu pas in het oude stadsgedeelte binnen de middeleeuwse wallen.


Langs de Oude Vest woonden in de middeleeuwen de pijnders, de middeleeuwse havenarbeiders. In Dendermonde vormen ze een groep die in hoog aanzien staat - en daarom ook het Ros Beiaard in de Ommegang mag dragen -, waarbij een huwelijk met een pijnder wordt gezien als een gouden toekomst, want zo’n man heeft altijd behoorlijk betaald werk. Omdat die pijnders gewend zijn enig gewicht te torsen bij het laden en lossen en ook bedreven zijn in samenwerken, worden zij doorgaans ingeschakeld voor het blussen van branden. Dat is dan nog een kwestie van emmers water doorgeven van de Dender of een nabije gracht tot de plek waar het vuur woedt.


Vandaag is dit nog altijd Dendermonds navelstreng met de rest van de wereld, maar nu in de vorm van filialen van nationale en internationale winkelketens. Om te voorkomen dat we je meteen aan hen kwijtraken, maken we na C&A een zijsprong:


Rechts een naamloze expeditieweg inslaan, die je aan de achterzijde van de winkels aan de Oude Vest brengt.


Vanaf deze plek heb je een behoorlijk zicht op de omvang van de gebouwen van de Sint-Pieters-en-Paulusabdij achter de hoge muur. Rechts daarin een dubbele toegangspoort met een Mariabeeld en de aanduiding ‘Huize Nazareth’, die leidt naar de tuin van het klooster van de Zwartzusters, dat pal naast de abdij ligt. Meteen zie je ook de grootte van de abdijkerk met zijn twee hoge torens.


Wandel tot aan het pleintje, met links een doorgang naar de Oude Vest en rechts de ingang van winkelgalerij De Oude Vismijn, waar je doorheen loopt. Zo kom je uit op een pleintje met terrasjes. Even omdraaien naar de


OUDE VISCHMIJN - Vlasmarkt.


Doorgaans vind je de plaats waar vis wordt verhandeld in riviersteden zo dicht mogelijk bij het water. Dat was in Dendermonde niet anders. Bij de burcht van de lokale heren splitste de Dender zich in twee takken, waarvan er eentje de Visgracht werd. Daarlangs wordt de Vismarkt aangelegd met een Vishalle als verkoopsruimte. Als die in de late 17de eeuw wordt afgebroken, komt er een afdak voor in de plaats, dat met een ijzeren leuning wordt omgeven en waaronder de aangevoerde verse vis wordt gemijnd. Dat is verkopen bij afslag. Er wordt begonnen met het roepen van een hoge prijs en wanneer daar geen kopers voor blijken te zijn, wordt dat bedrag in vaste stappen verlaagd totdat iemand van de omstaanders ‘mijn’ roept en daarmee de partij koopt. Mijnen is dus het omgekeerde van veilen – verkopen bij opbod – en wordt toegepast bij bederfelijke waar, zoals vis en snijbloemen.


1914 zet ook een punt achter de vismijn langs de Dender en na de oorlog wordt dit gebouw aan de Vlasmarkt opgetrokken. Maar daar is dan allengs minder behoefte aan, de komst van koelinstallaties maakt het mogelijk vis langer te bewaren en koel te transporteren, zodat de activiteit van de vismijn verhuist naar de winkel van de visboer. Nu staat hier hooguit nog vis op de menukaart van de restaurantjes. Herinner je je de pompzwengel in de Zwijvekegalerij? Die kwam dus van de oude vismarkt langs de Dender.


AANDACHT: Hier sluiten zich de wandelaars aan, die bij de Brusselse Poort voor de verkorting hebben gekozen.


PRINSENHOF - Vlasmarkt 29.


Bovenstaand woord staat nog in de naam van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, die huist achter de deur rechts. Het duidt op een adellijk woonhuis, dat hier heeft gestaan.


De heren van Dendermonde hadden een verdedigbare burcht op een eilandje in de Dender, maar dat soort bouwsels zijn doorgaans niet synoniem met comfortabel wonen. Daarom zorgen heel wat lokale heren dat ze nog een tweede woning hebben binnen de rond hun burcht ontstane stad. Zo’n huis stond hier aan de Vlasmarkt, waar de heren hun hoge gasten ontvingen en lieten logeren, waardoor dat huis als Prinsenhof bekend stond.


Wanneer in 1397 Maria van Vlaanderen en Ingelram Ossemont als vrouwe en heer van Dendermonde hun heerlijkheid verkopen aan de Franse koning, schenkt die het gebied een jaar later aan de Vlaamse graaf Lodewijk van Male. Deze heeft geen permanent verblijf in Dendermonde nodig en daarom wordt het Prinsenhof verkocht aan hoogbaljuw Geraerd van Maldegem, die als ambtenaar hier de belangen van de graaf veiligstelt en de rechtspraak controleert.


Midden 16de eeuw neemt Jan Van Royen, heer van Paddeschoot – thans een gebied binnen de stad Sint-Niklaas - zijn intrek in het Prinsenhof. Het is een roerige periode van frustratie bij veel edelen over het bestuur van koning Filips II, die vanuit zijn residentie in Spanje een vertekende kijk heeft op wat er zich in zijn Nederlanden afspeelt. De lage adel is misnoegd omdat Filips de functies waaruit zij hun bestaansmiddelen halen door Spaanse ambtenaren laat uitoefenen, zodat ze in geldnood raken. Maar ook de hogere adel, die voor zijn inkomen niet afhankelijk is van staatsfuncties, ergert zich aan ‘s konings aanpak. Zij verenigen zich en komen hier op 4 oktober 1566 bijeen om de Liga van de Adel te sluiten. Daarbij zijn heel wat BV’s aanwezig: graaf Lamoraal van Egmond, Filips van Montmorency-Nivelle - zeg maar graaf van Hoorne -, Anthony de Lalaign, Lodewijk en Willem van Nassau. De laatste bekender als Willem van Oranje, de man die later de opstand zal leiden, waardoor uiteindelijk Nederland zich afscheurt van zijn zuidelijke deel, het tegenwoordige België. Maar Willem is tijdens deze vergadering in Dendermonde nog allesbehalve een Nederlander. Hij spreekt Frans en woont in een stadspaleis op een boogscheut van het Habsburgse koninklijke paleis op de Koudenberg in Brussel.


Enkele jaren na deze samenkomst zijn Egmond en Hoorne onthoofd en is Willem naar zijn geboortestreek in Duitsland gevlucht. Hun woningen zijn door de nieuwe Spaanse landvoogd Alcazar d’Alvarez de Toledo, hertog van Alva, in beslag genomen. Een deel van het Dendermondse Prinsenhof wordt verkocht aan de paters capucijnen om er hun klooster te stichten, wat resteert dient als woning voor de nieuwe Spaanse gouverneur van Dendermonde, Juan de Alvarado y Bracamonte, wiens wapenschild je al zag in de Zwijvekegalerij. Bij de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde kan je zelf nagaan of je misschien een verre nazaat van hem bent.


ZWARTZUSTERKLOOSTER - Vlasmarkt 27.


Nee, zwartzusters zijn géén negerinnen, wel nonnen met een zwart habijt en levend volgens de kloosterregel van Augustinus, vandaar voluit zwartzusters-augustinessen. Ze zakken in 1491 vanuit Pamele bij Oudenaarde de Schelde af tot in Dendermonde en vestigen zich hier in een woning met kapel, die tegenover de lijkdeur van de Onze-Lieve-Vrouwekerk ligt. Inderdaad, geen leuke plek en wanneer Hendrik Scale hen drie jaar later een stuk grond aanbiedt tussen de spanramen van de wevers aan de Kromme Elleboog, verhuizen ze maar al te graag. En ze blijven er zolang, dat die straat vandaag Zwarte Zusterstraat heet. Achter hun klooster beginnen ze met een Latijnse School, waarmee ze snel succes boeken. Augustijnen en augustinessen hebben nu eenmaal iets met onderwijs, hun naamgevende heilige is tenslotte een van de vier westerse kerkleraars, grote geesten die het christendom een theoretisch fundament hebben gegeven. Augustinus was die kerel, die op het strand een jongetje zeewater in een putje zag scheppen. Toen hij vroeg wat de bedoeling was, antwoordde het jochie dat hij de hele zee in zijn putje wilde scheppen. “Dat kan toch niet,” reageerde de verbaasde Augustinus en realiseerde zich toen, dat hijzelf ook zoiets aan het proberen was, alle kennis van de wereld in zijn hoofd proppen.


Maar onze zwartzusters deden meer dan theorie doorgeven, ze sprongen ook daadwerkelijk bij door het verzorgen van pestlijders in een ziekenhuisje, dat ze in 1545 in hun kloostertuin bouwen. Net als ze dat in 1702 nog vergroot hebben, bombarderen Engelsen en Hollanders de stad in 1706 om de Franse koning Lodewijk XIV een halt toe te roepen. Die komt hier wat ruzie zoeken rond de erfopvolging voor de Spaanse troon. Een bezetting van de Spaanse Nederlanden lijkt hem een aardig begin, maar dat zien de Engelsen en Hollanders dus even anders. O ja, die Engelsen worden aangevoerd door de hertog van Marlborough, een zekere John Churchill, voorvader van Winston Churchill, die we kennen van zijn ‘V for Victory’-teken tijdens Wereldoorlog II.


De zusters geven niet op, herbouwen hun klooster, hun ziekenhuis en zetten er een nieuwe kerk naast als afsluiting in 1733. Dan gaat het meer dan een halve eeuw goed, totdat de Fransen opnieuw de grens overstreken, ditmaal zonder koning, die hebben ze bij het begin van hun revolutie onthoofd. De nonnen worden met harde hand uit hun klooster gezet, maar ook ditmaal keren ze terug, nu naar deze plek en in volle Hollandse periode, 1828.


Ze kopen een deel van het vroegere Prinsenhof en starten met de bouw van een groot nieuw klooster met ontvangstkamers, kapel, twee refters (eetzalen) en logeerkamers voor voorname gasten op de bovenverdieping. Daar zijn ze tot begin 20ste eeuw aan bezig. Maar dat is niet het gebouw dat je nu hier ziet. Want echt, het zit onze zwartzusters niet mee, weer zo’n oorlog, 1914, weer alles tegen de vlakte, alleen wat kunstschatten gered.


Enfin, je kent ze intussen, ze komen terug! En ze hebben blijkbaar ook wat geld bijeengekregen, want ze kunnen nog wat grond bijkopen en geven de Gentse architect Henri Valcke opdracht om tussen 1921 en ’23 dit uitgebreide kloostergebouw in traditionele bak- en zandsteenstijl uit de as te laten oprijzen. En er kan nog een beeldbepalende hoektoren af ook – noem je geld van zwartzusters zwart geld? Wat op het eerste gezicht een symmetrische gevel lijkt, is het niet. Tel de ramen maar, links vier rijen ‘drielichten’, rechts drie rijen. En zo rijkelijk als de gevel oogt, zo sober is de binneninrichting.


Na al die bakstenen, eerst even naar iemand van vlees en bloed, die hier op een sokkel is gezet.


PRUDENS VAN DUYSE - Vlasmarkt.


Een hier enkele meters vandaan op de hoek van de Vlasmarkt en de Brusselsestraat in 1804 geboren dichter, letterkundige en actief voorvechter van de Vlaamse ontvoogding. Bij ‘t Vitamientje hangt zijn geboortekaartje tegen de gevel en de Dendermondse uitspraak van zijn voornaam klinkt ook beslist sappig: Prudang. In een korte periode als archivaris van Dendermonde heeft hij nog even de romaanse doopvont teruggevonden, die vandaag een van de pronkstukken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk is.


Twee-en-een-halve meter brons had Godfried Devreese veil voor onze staande Prudens Van Duyse, die hier sinds 27 augustus 1893 ons voorhoudt: “De taal is gansch het volk”. Dat staat op een art deco-sokkel van een andere VIP, architect Victor Horta. Van dat voetstuk leer je verder nog dat Prudens’ ganse leven een lied was, hijzelf de ‘roem van Vlaanderens kunstgebied’ en hij zijn vaderland bezong. Als je dat allemaal weet, heb je intussen een rondje gemaakt om Prudang. De bronzen man heeft al beide kanten van de Dender gezien. In 1927 is hij bij een heraanleg van deze Vlasmarkt naar de overzijde van de rivier gestapt om daar post te vatten terzijde van het gerechtsgebouw. Maar vanaf 16 april 1994 stond hij hier terug, want ‘gansch het volk’ spreek je natuurlijk beter toe vanaf een plek aan het begin van een drukke winkelstraat, dan naast een gebouw waar geen mens voor zijn plezier komt, tenzij hij/zij een toga draagt. Ginds moeten ze het nu stellen met een schilder, Franz Courtens, die netjes z’n mond houdt - we gaan hem straks nog begroeten.


KOORNAARD


Zo luidde de vroegere naam van deze Vlasmarkt. Vanaf 1295 staat hier op de plaats van Prudens’ geboortehuis het Koornhuis. In de middeleeuwen hebben steden aan grote waterwegen de voor handelaars onhebbelijke gewoonte om op de verkoop van levensbelangrijke producten bepaalde rechten uit te oefenen. Zo is een handelaar die in Dendermonde graan op de markt wil brengen, verplicht zijn partij eerst op te slaan in het Koornhuis. Daardoor kan de stad gemakkelijker controle uitoefenen op de hoeveelheid en de kwaliteit van dat graan en er accijns over innen. Bovendien is er op deze manier steeds een voorraad graan binnen de muren, om bij een belegering of misoogst hongersnood te voorkomen. Ook kan de prijs van het brood in zulke omstandigheden redelijk stabiel worden gehouden, wat opstanden van de bevolking voorkomt.


Als begin 15de eeuw door de zieltogende wolnijverheid de lakenhal op de Grote Markt veel te ruim is geworden, wordt een deel daarvan ingericht als Coorenhuys en komt hier het Oud Koornhuys leeg te staan. Een burger kan het kopen, laat het afbreken en zorgt ervoor dat Van Duyse een geboortehuis krijgt.


Op de Koornaard wordt dan voortaan elke maandag markt gehouden, waar boter, fruit, hout en vooral vlas wordt verkocht, waardoor de naam van het plein zich aanpast aan de activiteit.


In de oude naam Koornaard duidt ‘aard’ op een aanlegplaats, in ons geval langs de Dender, waar het graan wordt gelost. Jammer genoeg is die activiteit verdwenen, want het zou natuurlijk voor de toerist een ‘aardige’ attractie zijn geweest.


SINT-PIETER-EN-PAULUSKERK - Vlasmarkt 25.


De Dendermondse abdij is gebouwd op de plaats van een vroeger kapucijnenklooster. Abt Maurus Lebeau laat de kleine kapucijnerkerk afbreken en vervangen door een nieuwe neogotische kerk naar een ontwerp van architect August Van Assche uit 1902. Twee nonnenkoppen links en rechts aan de zuiltjes fluisteren elkaar iets toe, misschien wel over jou, maar de engel in het midden op de makelaar (deurlat) gebaart van niks te weten. Ga binnen wanneer de kerk open is en via een zijdeur links in het portaal kom je in een hoge ruimte, die vrij sober is ingericht in vergelijking met de meeste andere neogotische kerken. Maar het is dan ook een abdijkerk. Het hoogaltaar met zijn retabel uit albast en het beeld van Benedictus zijn van de Gentse beeldhouwer Remi Rooms, de glasramen van Gentenaar Camille Ganton en in 1906 zorgt Zelenaar Aloïs de Beule voor een kruisweg langs de wanden. Dat alles dateert van kort voor de Eerste Wereldoorlog en het mag dus een wonder heten, dat het gespaard bleef. Nochtans werd deze kerk wel door projectielen getroffen en vatte het dak vlam. De torenspitsen brandden af, maar het gewelf hield stand, waardoor het interieur goeddeels behouden bleef. Je ziet hier ook twee rijen koorbanken. In kapittel- en abdijkerken is er een speciale plaats gereserveerd nabij het altaar voor respectievelijk de kanunniken, of zoals hier de monniken. De gewone gelovigen zitten in de banken van het kerkschip.


Bij het binnenkomen zag je een gedenksteen waarop je kon lezen dat paus Pius XII deze abdijkerk in 1939 tot basiliek heeft verheven. Dat is een eretitel voor kerken die op een of andere wijze een bijzondere betekenis hebben voor Rome. Zo’n basiliek herken je aan twee voorwerpen: links van het altaar zie je het conopaeum, een soort parasolletje in de kleuren rood en geel, de oude pauselijke kleuren van voor de tijd van Napoleon – nu is dat blauw en geel. Rechts staat een standaard met een klokje, het tintinnabulum.


SINT-PIETER-EN-PAULUSABDIJ - Vlasmarkt 23.


Een deurtje verder is de ingang van de abdij. Let ook even op het neogotische kijkgat in deze deur, niet enkel God ziet u hier! Boven de deur staat Benedictus, de stichter van de benedictijnen. Naast hem een raaf met een stuk brood in de bek. Benedict was nogal streng en daar hadden zijn monniken het knap lastig mee. Ze gingen zo ver, dat ze hun stichter wilden vermoorden met een vergiftigd brood. Maar een raaf was hen te snel af en was ermee weg voor Benedict erin kon happen. Wat er van de vogel is geworden, zegt de legende niet.


Tussen 1798 en 1815 kon je beter geen pater of nonneke zijn. De Fransen wilden hun Revolutie broederlijk met ons delen, maar van geestelijke broeders en zusters moesten ze niets weten, die waren voor hen de levende symbolen van de slechte oude tijd. Ze werden uit hun kloosters en abdijen gezet, die op hun beurt verkocht werden, zodat er meermaals geen steen op de andere bleef van die dikwijls fraaie gebouwen. Zo was dat ook gebeurd in Affligem met de 16de-eeuwse benedictijner abdij. Enkele jaren na de Belgische Omwenteling loopt Dom Veremundus D’Haens als laatstoverlevende monnik van Affligem door zijn geboortestad Dendermonde te kuieren, mijmerend over een plek om opnieuw met een abdij te starten. De Vlasmarkt heeft voor hem een nostalgische betekenis, daar staat nog op de plaats waar nu het Zwartzusterklooster is, het Landhuis, waar het bestuur zetelde dat de zaken op het platteland rond Dendermonde regelde. En in dat gebouw stak nog een stuk van de oude refugie van Affligem, het optrekje van deze abdij in de stad, waar de paters konden logeren als ze hier waren voor zaken. En waar ze eventueel een veilig heenkomen vonden, wanneer legerbendes het platteland onveilig maakten, zoals de naam refugie (vluchthuis) aanduidt. Dan ziet Veremundus pal daarnaast het verlaten kapucijnenklooster en besluit onze dom – de aanspreektitel van benedictijner priesters – om het nieuwe Affligem in Dendermonde te stichten. Hij slaagt er in 1837 in om het leegstaande klooster aan te kopen en gelukkig dagen er enkele jonge roepingen op, zodat de nieuwe abdij meteen een stevig fundament krijgt. Veremundus wordt prior, want om als abt door het leven te kunnen gaan, moet zo’n abdij eerst bewezen hebben dat het initiatief leefbaar is. Pas de zesde prior, dom Maurus Lebeau, kan zich in 1894 tot eerste abt laten kiezen door zijn monniken.


Intussen is zijn voorganger in 1886 begonnen aan de herbouw van de abdij in de stijl van de neogotiek, waarvoor hij architect Edouard Bouwens engageert. In 1891 komt daar een bibliotheek bij met een zeer stevig dak en dat zal later nog van pas komen. Een van de kostbare handschriften in deze bibliotheek is het 12de-eeuws manuscript Symphonia Harmoniae Caelestium Revelationum (Welluidendheid der Harmonie van de Hemelse Openbaringen) met zo’n 60 eenstemmige liederen van Hildegard von Bingen, abdis van een Duits benedictinessenklooster en mystica – een vrouw die streeft naar een intense zielevereniging met God, wat vaak zoals bij Hildegard met visioenen gepaard gaat.


Omdat je een abdij niet zomaar kan binnenwandelen en je aan deze kant weinig van de gebouwen kan zien, omdat die grotendeels achter de kerk liggen, houden we het verhaal over wat er na de Eerste Wereldoorlog met de afgebrande abdij is gebeurd voor even verderop. Op een plek waar je de abdijgebouwen wel kan zien.


AANDACHT: Wie vooral met de grote monumenten van Dendermonde kennis wil maken, kan de route hier inkorten. Je gaat dan over de Denderbrug en even verderop rechtsaf, tot je op de Grote Markt komt, waar je weer kan aansluiten bij onze route.


Aan het eind van de Vlasmarkt rechts even de Dender volgen via de Koningin Astridlaan tot aan de Dijkstraat, die rechts wegloopt.


DIJKSTRAAT


In tegenstelling tot de Koningin Astridlaan, die tussen 1925 en 1930 als wandelpromenade is aangelegd langs de oude Dender, is de Dijkstraat een reeds zeer oude en bochtige straat. Ooit op middeleeuwse kaarten aangeduid als Platea Aggeris, Latijn voor Dijkstraat, ligt deze straat op een dijk, waarop ook de huizen staan, om zo droog te blijven wanneer de Dender buiten haar oevers treedt. Helemaal aan het eind van de straat stond de Dijkpoort vlakbij de Oude Vest. Maar laten we aan het begin starten.


ART DECO-CAFÉ - Dijkstraat 1-3.


In 1926 wordt hier een filiaal gebouwd van de Gentse Handelsbank, een Vlaamse financiële instelling die nog in het oorlogsjaar 1918 is ontstaan en al snel nauwe banden heeft met de nv. Boerhaave, een verzekeringsmaatschappij voor zelfstandigen uit de medische sector. Architect van dit art deco-gebouw is de bekende Gentenaar Jan-Albert De Bondt. De Koningin Astridlaan moet nog aangelegd worden en de bankloketten bevinden zich dan ook aan de zijde van de Dijkstraat. Klanten gaan binnen langs de voordeur, het personeel via de zijdeur aan de Dijkstraat. Na de fusie van Boerhaave met de Noordstar in 1936 wordt dit bankgebouw verkocht aan modiste Vergeylen, waarbij in de zijmuren van de voorbouw rondboogvensters aangebracht worden. Vandaag is dit een eigentijdse brasserie met een modern interieur.


In de jaren 1920 was de Dijkstraat een echte uitgaansbuurt.  Zo was er verderop ‘Paleis Koningshof’, een danszaal met spiegels en een groot balkon. Eigenaar Adolf Schellekens laat er in 1929 de eerste geluidsfilm in Dendermonde projecteren, de beroemde The Jazz Singer met Al Jolson als zingende pseudo-neger. In Dendermonde wordt de titel vertaald als “De Zingende Gek”, we zitten dus nog ver van het multiculturele tijdperk in die jaren. Helaas, Adolfs projectoren zijn nog niet optimaal wat de synchronisatie van beeld en geluid betreft, zodat je ofwel een vertraagde grammofoonplaat lijkt te horen, ofwel je oren worden geteisterd door een snerpende piepstem.



Rechts zie je op nr.16 een merkwaardige handelszaak, waar aangekondigd wordt: “Geen fruit of groenten! Niet bellen aub.!”


LKD - LITURGISCH KUNSTAPOSTOLAAT DENDERMONDE - Dijkstraat 32-34.


Aflaten worden hier niet verkocht, maar voor religieus design, ambachtelijke spijzen en dranken, documentatie en sfeerscheppers kan je in deze abdijshop terecht. “Neem eens een heilige mee naar huis” is hier geen loze leuze, maar of je ook kan intreden als nieuwbakken roeping, moet je zelf maar vragen.


Openingsuren: ma.-za. 9-11.30/14-17.30u. Zondags gesloten.


Ga na deze eerste kennismaking met de abdijwereld de volgende poort door om de kloostertuin te bereiken. Van daaruit heb je een goed zicht op de abdijgebouwen.


SINT-PETRUS-EN-PAULUSABDIJ - Dijkstraat 38.


Aan de verwoestende vuurzee van 1914 ontsnappen slechts een handvol kerkschatten, die nog dateren uit de oude Affligemse abdij. We spreken over schilderijen en wat zilverwerk. Het bijzonderste object is de Staf van Sint-Bernardus, een 12de-eeuwse romaanse staf, ingesloten in een vergulde barokke kromstaf van Antwerpse makelij uit 1647-’48.


In 1919 wordt gestart met de herbouw in neo-Vlaamse renaissance van de abdijgebouwen naar een ontwerp van Gentenaar Valentin Vaerwyck, waarbij de traditie van de benedictijner abdijen wordt gevolgd: vier grote vleugels rond een binnenhof. De roserode bakstenen gevels worden met zandstenen accenten verlevendigd. Het geheel doet imponerend aan, zo midden in een middelgrote stad.


Terug naar buiten, waar zowat tegenover de abdijpoort een huis opvalt door de vele glas-in-loodramen.


BRANDSCHILDERSATELIER CYRIEL LOS - Dijkstraat 33.


Wat in eerste instantie als reclame overkomt, is in werkelijkheid vooral aandenken. Cyriel Los is namelijk in 1985 op 71-jarige leeftijd gestorven. Van deze Dendermondenaar zijn in diverse monumenten glasramen aanwezig, zoals twee driedelige reeksen rond de heilige Begga en Alexius in de Begijnhofkerk. Zijn glasramen met de uitbeelding van de Ros Beiaard Ommegang, die in de Sint-Blasiuskapel van het Onze-Lieve-Vrouw van Troostziekenhuis hingen, zijn door de gasthuiszusters meegenomen naar hun klooster in Lier, toen hun hospitaal werd overgenomen door het O.C.M.W. en daardoor een stedelijke instelling werd.


Natuurlijk is wat je in deze woning aan glasramen ziet wat teveel van het goede, maar je krijgt toch een indruk van Cyriels werk.


Wandel rustig deze straat verder uit.


Terzijde van de Dijkstraat had ooit de Sint-Sebastiaansgilde van de handboogschutters zijn oefenterrein. Aanvankelijk waren dat geen louter gezelligheidsclubs, maar stedelijke milities, die moesten helpen bij het verdedigen van de stad tegen vijandelijke aanvallen. Voor Dendermonde kwamen die vooral uit Gent, waar de wevers meermaals optrokken tegen hun concurrenten alhier en de stad enkele malen innamen om er de getouwen te vernielen. De globalisering werd toen nog met harde hand bestreden.


Op nr.51 heeft men Beyaert gemoderniseerd tot ‘t Ros Radio, een legende moet ook met zijn tijd meegaan.


Rechts lag er ooit een olieslagerij van industrieel De Bruyn, waar uit kopranoten olie en kokoline werd geperst. Voor de aanvoer van die noten was er een Decauville-spoorlijn vanaf de Dender over de Dijkstraat gelegd.


Bijna aan het eind zie je links op nr.83 een gangetje. Was dat misschien het steegje, dat hier bekend stond als de Kontentast?


Op nr.112 vliegen vlinders rond de rozen op de intacte geveltableaus, bijna even exotisch als de combinatie die hier bij La Savane verkocht wordt: erotische voeding en telefoongesprekken.


ONZE-LIEVE-VROUW TER DIJKPOORT GASTHUIS - Dijkstraat 116-118.


Achter de poort tussen de winkels van Eeckhout en Oxfam lag in 1308 het gasthuis Onze-Lieve-Vrouw ter Dijkpoort. Gasthuis is hier letterlijk op te vatten, het is een overnachtingsplaats voor reizigers die zich geen commercieel logement kunnen permitteren, zoals lieden op bedevaart. Vrijwel elke middeleeuwse stad beschikt over dergelijke logeeradressen, waar men twee of drie nachten gratis mag blijven. Meestal zijn het Sint-Jacobsgasthuizen, waar pelgrims op weg naar het Spaanse Santiago di Compostella, ofwel Sint-Jacob-in-Galicië, een bed vinden.


Aan de overzijde zie je de


KONINCKLYKE ACADEMIE VOOR SCHOONE KUNSTEN - Dijkstraat 91.


In 1800 wordt in Dendermonde een Tekenschool gesticht door vier kunstenaars: goudsmid Jan Vandevelde, schilder Alexander Deswert en de architecten Rudolf Dufour en Jan Van Hoonacker. Hun initiatief wordt gesteund door kunstliefhebber Antoon Parmentier. Ze starten boven café Alcazar aan de Grote Markt. Dan heb je uiteraard meteen veel volk bij de hand, maar of daar grote kunst van komt? Ze verhuizen met hun lessen naar de Dijkstraat, waar stadsarchitect Fernand De Ruddere na 1914 voor deze waarachtige kunsttempel zorgt.


Rechtsomkeer even enkele tientallen meters terugwandelen en dan rechts de Bogaerdstraat in.


BOGAERDSTRAAT


Een bogaard is niets anders dan onze boomgaard, dan nog met hoogstammen en niet de lage ‘snoeren’ waaraan vandaag de appels groeien. Dit stukje paradijs lag rechts achteraan in deze straat, tegen de Dender aan.


Meer naar deze kant, op de hoek met de Dijkstraat, bevond zich de nieuwe Lombaardenhof. Daar zaten de bankiers bijeen, doorgaans lieden uit Zuid-Frankrijk of Noord-Italië, waar het bankwezen zich in de middeleeuwen sterk heeft ontwikkeld. Daarom gebruiken we nog steeds Italiaanse termen als saldo, credit, disconto, giro … Aanvankelijk waren de lombarden gehuisvest in het oude Landhuis aan de Vlasmarkt, maar begin 15de eeuw krijgen ze hier een royalere stek. Hoewel ze woekerrentes vragen, zijn ze noodzakelijk voor de handel en leent ook het stadsbestuur geld bij hen.


Aan het eind van de Bogaerdstraat sta je op een grote asfaltvlakte, waarlangs aan deze zijde de Papiermolenstraat loopt en aan de andere kant de Kasteelstraat.


Dit is het gedempte laatste stukje Dender, voor deze in de Schelde uitmondt. De eigenlijke rivier is rond de stad omgeleid en daar is men vandaag niet zo gelukkig meer mee, zodat er plannen zijn om opnieuw de Dender boven water te halen. Zo’n beetje in navolging van hetgeen Gent nu met de Schelde in de binnenstad doet en ook in Mechelen voorzichtig wordt geprobeerd met de Melaan. Over enige jaren zie je hier wellicht jachten liggen.


BOGAERDDAM


Zo heet het verlengde van de Bogaerdstraat die dwars over deze vlakte loopt. Vroeger lag hier de Bogaerdbrug, een houten ophaalbrug. Om voetgangers toch de kans te geven bij een geopende brug naar de overzijde te raken, was er links van de Bogaerdbrug een betonnen passerel gebouwd, een hoge smalle voetgangersbrug met aan beide oevers een toegang via trappen.


Midden op de Bogaerddam zie je links:


DANSENDE KINDEREN - Bogaerddam.


Twee jongens en een meisje voeren een enthousiaste rondedans uit sinds 7 november 1997. Maar - het klinkt wat vreemd - toen waren die kinderen in feite al 21 jaar. Beeldhouwer Jos De Decker maakte het trio namelijk in 1976, maar het is de Rotary Club Dendermonde die de kinderen uiteindelijk naar hier heeft gehaald. Ze vormden in 1997 een mooi tegenwicht tegen al het minder fraais rond kinderen dat zich een jaar eerder over België had uitgestort, het jaar dat de Dutroux-affaire aan het licht kwam.


Aan de overzijde van de Dender links de Franz Courtensstraat in, de vroegere Scheldstraat, nu genoemd naar de man wiens borstbeeld je verderop aan je linkerhand langs de oever ziet en die in deze straat heeft gewoond.


BORSTBEELD FRANZ COURTENS - Franz Courtensstraat.


Dendermondenaar Franz Courtens heeft als schilder een belangrijk aandeel gehad in de opkomst van de Dendermondse Schildersschool, een groep lokale kunstenaars, die zich lieten inspireren door het landschap van de Dender en de Schelde. Naast Franz Courtens worden daar ook Théophile Bogaert, Leo Spanoghe, Cesar Beeckman, Jacques Rosseels en medestichter Isidore Meyers toe gerekend. Een aantal van hun werken hangt vandaag in het stadhuis en Franz is in 1922 voor zijn verdienste voor deze schildersgroep door koning Albert I als baron in de adelstand verheven. Hij is evenwel niet zijn hele leven in zijn geboortestad blijven wonen, maar heeft een groot deel van zijn oeuvre vanuit de Brusselse gemeente Sint-Joost-ten-Node gerealiseerd. Zijn zoon Alfred Courtens, die dit bronzen borstbeeld heeft vervaardigd, is bekend geworden als beeldhouwer van de Koninklijke Familie.


Kijk nu even naar de huizenrij op de linker Denderoever, die een fraaie boog maakt langs de Koningin Astridlaan.


Voorheen stroomde de Dender door die boog vlak langs deze huizen en liep er aan deze kant een tweede Denderarm, zodat er een klein eilandje werd gevormd in de rivier. Nu vult een perkje de ruimte tussen de huizen en de Dender, waarin een beeld van Koningin Astrid staat. Dat is ook een werkstuk van Jos De Decker, de man van de Dansende Kinderen, die zelf in het ‘bruine’ huis aan Koningin Astridlaan 22 woonde, links in de huizenboog.


Aan de rechterzijde van de Franz Courtensstraat zie je Dendermondse vlaggen wapperen.


ADMINISTRATIEF CENTRUM - Franz Courtensstraat 11.


De stad Dendermonde kon zijn ambtenaren niet eeuwig blijven bergen in het aloude stadhuis. Daarom wordt voor een heel nieuw gebouw gezorgd in 1983, op het moment dat de computer zijn intrede doet in de stedelijke administratie. Het nieuwe centrum staat op de fundamenten van het oude theresianenklooster uit 1834, waarvan de gewelven vandaag een stevige steun vormen voor de stedelijke archieven.


Vervolg je wandeling en sla de volgende zijstraat rechts in, de Kazernestraat. Meteen op de hoek staat het


GEBOORTEHUIS PIETER-JAN DE SMET - Kazernestraat 2.


Het zoontje van schipper-handelaar Jodocus De Smet ziet dagelijks de schepen vanuit Dendermonde naar verre oorden varen. Begin 19de eeuw is er echter nog geen Kazernestraat, die kazerne komt er pas een kwarteeuw later. Toch is het een roerige tijd: de Fransen preken revolutie, hun Eerste Consul Napoleon Bonaparte sust de zaak enigszins door in 1803 een concordaat met de paus te sluiten, waarna de katholieke kerken weer open mogen. België zal iets meer dan tien jaar later een van de beroemdste veldslagen uit de geschiedenis op zijn grondgebied uitgevochten zien worden, maar Dendermonde blijft voor één keer uit de vuurlinie. Toch gaat Pieter-Jan een spannend leven tegemoet, dat hem de bijnaam Grote Zwartrok verschaft. Hoe hij die kreeg, hoor je later op onze wandeling, wanneer je Pieter-Jan zelf ontmoet.


Loop de Kazernestraat uit naar de wapperende nieuwe stadsvlaggen. Dat is meteen het enige dat hier nieuw oogt, want je botst op een groot leeg terrein met een wat verkommerend bouwwerk met een bogenarcade.


HOLLANDSE KAZERNE - Kazernestraat.


In de Hollandse periode worden tussen 1825 en 1830 langs de Dender en aan de Zuidlaan arsenalen gebouwd, waarvan dat aan de Zuidlaan bomvrij is. De Scheldebrug wordt in 1822-‘25 vernieuwd met een versterkt bruggehoofd op de linker Schelde-oever. In de jaren 1828-‘30 volgt nog als sluitstuk de constructie van deze bomvrije kazerne aan de Noordlaan binnen Bastion I. Een permanent garnizoen zorgt ervoor dat de stad in staat van verdediging blijft. Oorspronkelijk zorgde een metersdikke laag aarde bovenop deze kazerne, dat het gebouw bestand was tegen inslaande mortieren.


Binnen deze kazerne waren er veertien zalen, verdeeld over twee verdiepingen. Rond het gebouw liep een brede gracht, die na de Belgische Omwenteling overwelfd is, en het open terrein werd als oefenplein gebruikt. Binnen de kazerne waren er naast slaapzalen ook een eigen bakkerij, keukens, kantines, leslokalen, plus een bibliotheek en een schermzaal. De onderofficieren hadden hun eigen slaapzalen en refter. Na de Tweede Wereldoorlog is de bedekking met aarde vervangen door platte daken.


Maar het meest opmerkelijk is vandaag de enorme, over beide verdiepingen oprijzende, dubbele houten poort. Daarachter huizen de drie Dendermondse reuzen Goliath (anno 1626), Mars (1648) en Indiaan (1714), respectievelijk van de Sint-Jorisgilde der kruisboogschutters, de Sint-Andriesgilde van de kolveniers en de Sint-Sebastiaangilde van de handboogschutters. Daarnaast zijn er historische figuren uit de Ommegang, zoals een opgetuigd schip, een walvis - omdat er ooit eentje is aangespoeld in de Schelde voor Dendermonde - en de ‘Knaptanden’, een soort wolfskoppen die hun bek kunnen bewegen en daarmee naar hoeden en petten van de toeschouwers happen.


Maar hét pronkstuk dat hier opgeborgen is, is natuurlijk het Ros Beiaard, waarvan alleen het holle hoofd al 1m30 hoog reikt en rond 1600 is gemaakt. Doch de legende maakt het enkele eeuwen ouder en een werkstuk van Lieven Van de Velde. Die beeldhouwer zit dan in de Dendermondse gevangenis en is veroordeeld tot de strop. Omdat echter het vroegere Beiaard-hoofd geheel vermolmd is en een Blijde Intrede van hertog Jan Zonder Vrees voor de deur staat, moet er snel een nieuw hoofd komen. Lieven wordt verzocht daarvoor te zorgen en als beloning zal zijn lichaam dan na zijn terechtstelling niet aan de galg blijven bungelen, maar in gewijde grond worden begraven. Lieven ziet zijn kans en bedingt dat hij best zo’n Beiaardkop wil beitelen, maar dan in ruil voor zijn vrijheid. Hij krijgt zijn zin en wordt na zijn vrijlating een voorbeeldig burger. Maar sommigen beweren, dat hem toch eerst nog de ogen worden uitgestoken, opdat hij nooit meer een tweede identiek kunstwerk zal kunnen maken ...


Daarnaast is er een nog groter paardenhoofd, dat een zware molensteen om zijn hals draagt en oprijst uit de golven. Dat verwijst naar het einde van een middeleeuws verhaal, waarin de strijd tussen Karel de Grote en vier broers van de familie Aymon uitgebreid aan bod komt. Die zogenaamde Frankische roman wordt oorspronkelijk mondeling verteld door rondtrekkende troubadours, later in handschriften vastgelegd, eerst in het oud-Frans, daarna ook in het Diets, de voorloper van het Nederlands. Aymon wordt daarin Haymijn of Heem, vandaar die Vier Heemskinderen, waarvan we het relaas weergeven in onze Bollebooswicht voor wie het zich niet van haar of zijn schooltijd herinnert. Aan het begin van deze route vertelden we je al over de Dendermondse Ommegang en welke rol Beiaard en de Vier Heemskinderen daarin spelen.


Wie er de moed toe heeft, wandelt even rond de hele kazerne.

Misschien zie je een van de praalwagens, want ze worden regelmatig opgeschilderd en gerestaureerd. Let dan meteen even op de metalen schildjes op regelmatige afstanden aan de gevels. Daar ontbreekt iets op, het Nederlandse leeuwenkopje. Blijkbaar bij de Belgische onafhankelijkheid zorgvuldig overal verwijderd, op één leeuwtje na …


Kijk nog even naar de Heilige Maagdkapel in de verte en keer terug door de Kazernestraat. Sla aan het eind rechtsaf, waardoor je op het Justitieplein belandt.


GERECHTSHOF - Justitieplein


Ongeveer op deze plaats lag ooit de burcht van de heren van Dendermonde op een eilandje in de rivier. Later wordt op die plek een karmelietenklooster gebouwd, dat na de bezetting door de Fransen eind 18de eeuw leeg komt te staan en als eerste overdekte gerechtsgebouw wordt gebruikt. In Dendermonde wordt nog een tripel Karmeliet als lokaal bier geserveerd.


In 1822 is dat klooster vervangen door een groot gerechtshof met zo’n neoklassieke tempelingang met vier hoge zuilen. In 1882 wordt dat enorme gebouw gebruikt als krijgarsenaal, wanneer een kleiner neogotisch gerechtsgebouw met spitsboogramen er pal voor wordt gezet op dit plein. Dat overleeft de Eerste Wereldoorlog niet, waardoor in 1923 wordt begonnen aan het huidige gebouw, dat 100 meter lang en 50 meter breed is. Architect Valentin Vaerwyck zorgt voor een zakelijk gebouw met toch een Vlaamse toets in vorm en decoratie: de belforttoren met achtkantige koperen bekroning en helemaal bovenop een 6 m hoog bronzen Ros Beiaard met zijn vier berijders van kunstsmid Isidoor Blanquaert en op de torenhoeken vier stenen uilen als wijsheidssymbolen van Oscar Sinnia. Zowel Isidoor als Oscar zijn Gentenaar. Lager op het gebouw gevelreliëfs van Geo Verbanck, met onder meer de wapenschilden van de kantons waar de Dendermondse rechtbank voor bevoegd is. Binnen zijn er naast de raadszalen ook zes cellen, waarvan in twee het licht dag en nacht blijft branden.


Niet iedereen is opgetogen als dit kolossale bouwwerk in april 1927 wordt ingehuldigd. De bouwkosten zijn hoog opgelopen, terwijl er op dat ogenblik nog heel wat Dendermondse gezinnen sinds de Eerste Wereldoorlog in noodwoningen huizen.


Nu even rechts langs het gerechtshof richting Dender.


KNAAP MET VIS - Naast Justitiepaleis.


Opnieuw een beeld van Dendermondenaar Jos De Decker, een fontein uit 1949. In 1993 wordt dit beeldje gestolen en later toevallig ontdekt in een parktuin van een villa in Wespelaar. De eigenaresse blijkt haar visdragende jongen eerlijk gekocht te hebben van een Antwerpse antiquair en kan daarom niet zomaar verplicht worden haar eigendom af te staan aan Dendermonde, waar op dat moment ook al een kopie van het origineel is geplaatst. De vraag rijst bovendien, of Jos De Decker misschien niet meer dan één afgietsel van dit bronzen beeld heeft gemaakt. Maar daar is zijn vrouw Paula Bosteels dan weer zeker van: er is slechts één kind met vis geboren.


Het beeld staat hier niet zomaar. Terzijde van het Dendermondse stadhuis vond immers eeuwenlang de vismarkt plaats en achter het stadhuis liep de Visgracht als zijtak van de Dender waar de vissersboten aanmeerden.


Aan de Dender naar rechts en dan nogmaals rechtsaf, waardoor je op de Grote Markt komt.


AANDACHT: Wie voor de verkorting vanaf de Vlasmarkt heeft gekozen, kan hier opnieuw aansluiten.


STADHUIS - Grote Markt.


Wie niet goed kijkt, zou denken dat het Dendermondse stadhuis een symmetrisch gebouw is met mooi in het midden een belforttoren. Maar dat is absoluut niet zo. Eigenlijk staan hier drie aparte gebouwen, die mooi aan elkaar gebreid zijn in de loop der tijden. We zien van links naar rechts:


De Lakenhalle


In 1337 krijgen de lakenwevers van Ingelram Ossemont, heer van Dendermonde, toelating om een nieuwe lakenhalle op te richten aan de Grote Markt, omdat ze door hun economisch succes niet meer voldoende hebben aan de eerste verdieping van het Vleeshuis, ook aan ditzelfde marktplein. Maar dat is buiten de concurrerende Gentenaren gerekend, die in 1345 Dendermonde komen innemen om hun collega’s een toontje lager te laten zingen. Daardoor duurt het tot 1350 voordat de nieuwe hal voltooid wordt. Het resultaat is een rechthoekige verkoophal met vier toegangspoorten aan de Grote Markt – je ziet ze nog, al zitten er nu ramen in - en drie aan de Vismarkt, plus een vergaderruimte op de eerste verdieping.


De welvaart van de Dendermondse lakenhandel wordt intussen flink ingeperkt door voorschriften, die aan de wevers zijn opgelegd door de Gentenaren, die hun concurrenten in 1380 nog eens manu militari daaraan komen herinneren met een plundering van de stad.


Vanaf begin 15de eeuw gaat het toch echt minder florisant met de lakennijverheid en wordt de halle te ruim voor de wolwevers. Daarom wordt de benedenverdieping verdeeld in een Wollehuus en een Coorenhuus, dat van de Koornaard (Vlasmarkt) naar hier wordt verplaatst. Eind 16de eeuw krijgt de voorgevel een nieuw design in barokstijl.


Het Belfort


Op verzoek van de wolwevers bouwt het stadsbestuur een belfort van ruim veertig meter hoogte rechts tegen hun halle in 1377. De stedelijke privileges worden bewaard in een brandvrije kamer. Daarboven huizen de torenwachters en nog hoger hangt Jan van Dilft een loopwerk met zestien slagen dat de uurklok in werking zet en is verbonden met een weversklok. Beiden worden vooral gebruikt om de werkdag te regelen. De open houten spits is versierd met verguld koperen appels en windwijzers.


Midden 16de eeuw krijgt de spits van het belfort een bekroning in de vorm van de keizerlijke arend, verwijzend naar keizer Karel V.


Een in 1526 geleverd uurwerk is voorzien van een klokkenklepper, een beeld dat de uren op de klok slaat, ook wel jaquemart genoemd. Zes in Mechelen gegoten klokken vormen een begin van een beiaard. In 1548 wordt dit klokkenspel tot 15 klokken uitgebreid. Via het smalle rechterpoortje onder aan de toren heeft de beiaardier tot op vandaag toegang tot deze toren. Tussen 1732 en 1825 gieten diverse leden van de Leuvense familie Van den Gheyn 40 klokken voor de beiaard. Na 1914 worden er nieuwe klokken gekocht en nu hangen er in de toren 49 stuks, de zogeheten Mechelse standaard, met een gezamenlijk gewicht van 6.800 kg.


In 1973 heeft een kopie van Jeanne De Dijn de plaats ingenomen van het eeuwenoude Mariabeeld boven de belforttoegang.


Het Schepenhuis


In 1395 besluit het stadsbestuur rechts naast het belfort een nieuw schepenhuis op te trekken, waarvan een brede poort toegang biedt tot het wapenarsenaal en de stadswaag. Op de eerste verdieping komt de schepenkamer en enkele jaren later wordt een schepenkapel toegevoegd. Wanneer Jan Zonder Vrees in 1405 zijn Blijde Inkomst in Dendermonde houdt, kan hij een nagelnieuw gebouw aanschouwen.


In 1551 wordt het schepenhuis vergroot met de naastliggende herberg Den Grooten Oeijvaart, waarin later op de verdieping een kamer wordt ingericht voor hoge gasten.


De drie samen: het Stadhuis


Hoewel er in 1811 al een ontwerp is om de drie panden te verbouwen tot één nieuw stadhuis, komt daarvan niets in huis. Er wordt later in die eeuw wel aan de achterkant een nieuw stuk toegevoegd, waarin een handelsbeurs, een feestzaal, het stadsarchief en later nog de brandweer onderdak krijgen.


Maar tussen 1864 en 1896 wordt er wel een schoonheidsoperatie uitgevoerd door architect Edouard Bouwens. Daarbij krijgt het schepenhuis zijn twee lage trapgevels in plaats van één hoge en wordt de pui met trappen die eerst helemaal rechts stond, meer naar de kant van het belfort geplaatst, zodat die nu in het midden van het totaal lijkt te staan. Er staan twee leeuwtjes aan elke trapzijde, maar daarvan is er eentje een kopie. De oorspronkelijk leeuw is namelijk in 1934 vernield na een nogal tumultueuze raadszitting. En jij dacht dat hier vredig Bourgondisch volk woonde?


De gevel van de vroegere lakenhal wordt eveneens aangepast door Bouwens. Die had aanvankelijk een barokke gevelpunt met veel krullen en sierstukken, net als de zijgevel van deze hal aan de kant van het Justitiepaleis. Edouard maakt er trapgevels van, die beter passen bij de trapgevels van het schepenhuis.


Twaalf nissen van het type zoals de vier op de belforttoren worden nu op de gevels van halle en schepenhuis aangebracht en alle zestien worden in 1896 van stenen beelden van de stadspatronen en de Heren van Dendermonde voorzien.


Op 17 september 1914 om 17 uur slaat een Duitse obus te pletter tegen de houten spits van het belfort. Die vliegt in brand en stort op het dak van het stadhuis, waardoor het gebouw volledig uitbrandt. Het stadsarchief, de stadsbibliotheek en enkele kunstwerken gaan verloren, terwijl een handvol moedige burgers de rest van het kunstpatrimonium weet te redden uit de vlammen.


Het dak van het oude gedeelte wordt in 1915 voorlopig hersteld, maar pas in 1920 starten de echte restauratiewerken onder leiding van stadsarchitect Alexis Sterck.


Bij die herbouw wordt de 19de-eeuwse achterbouw door Fernand De Ruddere vervangen door het neogotische gebouw waar je zojuist langs bent gekomen. Zo lijkt het of het Dendermondse stadhuis één groot geheel vormt.


Sinds 21 juli 1957 hangen ‘s zomers aan de stadhuisgevel elf heraldische vlaggen. Die vertegenwoordigen de machthebbers over onze stad. Links van het belfort: Robrecht VII van Bethune en Dendermonde, Robrecht van Bethune, Willem van Crèvecoeur, Ingelram van Amboise, graaf Lodewijk van Male. Rechts van het belfort: Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede + Karel de Stoute + Maria van Bourgondië, Margaretha van York (de echtgenote van Karel de Stoute), Filips de Schone en keizer Karel V.


Interieur


Binnen is het stadhuis een vrij ingewikkeld kluwen van kamers en zalen. Op de eerste verdieping links vooraan is de trouwzaal met een heel speciale kroonluchter van de Lierse kunstsmid Lodewijk Van Boeckel en daarrond liggen de kabinetten van de burgemeester en de schepen van Cultuur. Achteraan is er de jumelagezaal, die gewijd is aan de verbroedering van Dendermonde met diverse buitenlandse steden, o.a. de Nederlandse gemeente Geldrop, bij Eindhoven. In dit gedeelte bevindt zich ook de raadzaal. Meteen na het opklimmen van de stadhuistrap zie je in de hal een groot schilderij van de Ros Beiaardommegang van 1888, waarop je het paard met de vier heemskinderen ziet voor de barokke gevel van de lakenhal. Dat juist die ommegang is weergegeven, heeft te maken met het bezoek dat jaar van de Lord Mayor van Londen aan Dendermonde. Dat was toen namelijk de hier geboren Sir Polydore De Keyser.


In de Schepenvleugel zit onderin de Toeristische Dienst. Hou er rekening mee dat die tussen de middag 1½ tot 2 uur dicht gaat, behalve in het hoogseizoen (juli/augustus).


Het stadhuis is toegankelijk ma.-vr. 10-12/14-17u., Pasen-sep. ook za.zo. 10-12/14-16.30u. Bereid je erop voor, dat je niet altijd in de diverse zalen zomaar binnen zal kunnen.


Min of meer midden op het marktplein staat de


COCONUT VOOR DENDERMONDE - Grote Markt.


Ongetwijfeld is die bronzen palmboom op dit marktplein je al opgevallen. Nee, geen stunt van een lokale cafébaas, die zijn terras wat zonniger wilde aankleden, maar een bewust door het stadsbestuur gekozen merkpunt om dit in 2004 vernieuwde plein een verticaal accent te geven. Gekozen werd voor het ontwerp van de Antwerpse beeldhouwer Peter Rogiers, die hier vooral iets wilde neerpoten dat uitnodigt tot verpozen, zonder dat er een diepere bedoeling in schuilt. Aapjes moeten 5,50 meter hoog klimmen om de top van de palm te bereiken, die zelf in de bronskleur van de belfortspits is gezet en op 21 oktober 2005 officieel is ‘geplant’. Niet iedereen is even enthousiast over dit kunstwerk, maar als voorbode van de te verwachten opwarming van de aarde kan het toch tellen ...


Het gebouw met de zeszijdige traptoren aan de rechterkant van de Grote Markt is het


VLEESHUIS - Grote Markt 32.


Het Vleeshuis wordt in 1460-‘62 door Jan Gueteghem gebouwd. Het is dan de derde vleeshal, want in 1293-‘94 wordt een eerste voorganger die totaal versleten is vervangen door een nieuw gebouw op deze plaats. Tot ca. 1340 zijn ook de lakenhandelaars nog in dat tweede vleeshuis te gast op de eerste verdieping, alvorens ze naar hun eigen halle verhuizen, de linkerzijde van het huidige stadhuis. In 1461 komt op de verdieping van het vleeshuis de Sint-Jorisgilde van de voetboogschutters bijeen.


Bovenaan op het torentje geeft een zonnewijzer de tijd aan.


Kort voor het begin van de 20ste eeuw is het gebouw grondig gerestaureerd en als Oudheidkundig Museum in gebruik genomen. De geschiedenis van Dendermonde wordt hier aan de hand van diverse attributen uiteengezet. Op het gelijkvloers maak je kennis met de Ommegang en zie je in maquettes of op schilderijen en tekeningen de praalwagens die in de Hollandse Kazerne worden gestald. De zolder is heel bijzonder, niet alleen voor het grote houten gebinte met de namen van al die balken en schoren erop vermeld, maar vooral vanwege het enorme mammoetgeraamte. Dat is hier bijeengesprokkeld door Hugo De Potter, die als jonge knaap in zijn vrijetijd naar de werf van de Dendersluis trok en daar met goedkeuring van de werfbaas fossielen verzamelde. Op zijn fiets nam hij in stukken en brokken de beenderen mee en had zowat de complete mammoet bijeen, toen de politie op zijn slaapkamertje binnenviel en het hele pakket meenam. Toen Hugo wat later op zijn 19de aan de slag ging in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel, ontdekte hij daar tot zijn verbazing de beenderen van zijn mammoet keurig geëtiketteerd met zijn eigen etiketten. Uiteindelijk is dat prehistorische beest mooi in elkaar gezet weer thuis in Dendermonde geraakt en loopt Hugo nu elke dag in Brussel als dinotechnicus tussen de iguandonskeletten, waarvan ze er in Brussel zo’n twintig in huis hebben, ditmaal gevonden door een mijnwerker in het Henegouwse Bernissart. En net zoals hier geldt: niet aaien, niet voederen! Open: 1 apr.-31 okt. ma.-zo. 9.30-12.30/13.30-18u.


GROTE MARKT


Oorspronkelijk hoort dit stukje Dendermonde bij de burcht, die op een eilandje in de Dender lag. Het is een soort neerhof van de heren van Dendermonde, waarrond een gracht loopt. Dat is nog te zien aan de fraaie boog die de huizenrij van links naar rechts tot bij de toren van het Vleeshuis maakt.


Wat die huizen betreft, van de rij tussen Vleeshuis en Stadhuis helemaal rechts zijn alle kroegen en restaurants door de Duitsers in brand gestoken. De horecazaken van “Barbuda” tot en met “Sint-Joris” zijn dus volledig herbouwd in de jaren ’20. Stadsarchitecten Alexis Sterck en Fernand De Ruddere hebben alles in een neo-barok kleedje gestoken, wat deze huizen ouder doet lijken. Van de huizen in de boog zijn diverse panden gespaard gebleven.


SPIJSHUIS Het VADERLAND - La PATRIE - Grote Markt 16-17.


Het beste restaurant van Dendermonde, chic maar stemmig, waar menige BV al te gast was en zijn of haar foto aan de muur achterliet met handgeschreven commentaar. De patriottische naam is wellicht tactiek. Voor de wereldoorlog heette deze zaak nog “Den Duitsch”, maar dat was na 1918 natuurlijk niet de populairste naam om mee uit te pakken.


Op zondag 11, maandag 12, dinsdag 13 en donderdag 15 december 1898 geeft J. Levison hier de eerste vertoning met zijn cinematograaf en maakt Dendermonde kennis met het medium film.


Den Ommeganck (nr.18) was tussen beide Wereldoorlogen in de ‘gay twenties’ danszaal Alcazar. Het deftige advocatenkantoor ernaast op nr.19 behield zijn oorspronkelijke bepleistering vanuit de tijd dat hier textielfabrikant Clement Ramlot in zijn late empirestijl-herenhuis leefde.


Het GULDEN HOOFD - Grote Markt 20-21.


Al in de 14de eeuw is er sprake van dit huis, maar dan als huidenvetterij, zeg maar leerlooierij. In 1611 komt er de huidige barokgevel met doorgang en wordt het een afspanning, horeca dus.


Je ziet meteen het verschil tussen deze authentieke vrij sobere barokstijl en de veel uitbundiger neo-barok naast het Vleeshuis.


In deze herberg worden op 28 en 29 augustus 1782 de versterkingen rond Dendermonde openbaar verkocht in opdracht van keizer Jozef II van Oostenrijk en de Nederlanden, omdat ze eind 18de eeuw niet meer voldoen aan de eisen van militaire versterkingen. Reeds het volgende jaar zijn de vier middeleeuwse stadspoorten verdwenen en ook van de rest van de oude versterkingen blijft niet veel over. Wat je vandaag aan vestingwerken in Dendermonde ziet, is 19de-eeuws.


Den HELLEPUT - Grote Markt 30.


Dit huis bezit nog een tijdens Wereldoorlog I gespaarde gevel, daterend van 1685. Raak je binnen, bekijk dan de muurschildering nabij de deur, die deze Grote Markt in een ver verleden weergeeft.


In het hoekhuis ernaast, nr.31, waar “Annell” aan dit verhaal breit, woonde in de 19de eeuw Peter Byl, de eerste die in Dendermonde van photographie zijn beroep maakte.


AANDACHT: Je kan de route hier   inkorten, door vanaf de Grote Markt naar de Denderbrug te wandelen en daar weer bij onze route aan te sluiten.


Verlaat de Grote Markt via de doorgang naast de toren van het Vleeshuis. Je komt dan in de Kerkstraat en loopt recht op de


NATIONALE BANK - Kerkstraat 20-22.


Een mooi stadspaleis in Franse neo-barok van architect Eugène Dhuicque uit 1923. Vergulde regenpijpen met vismotief, wapenschild boven de deur en letters ‘NB’ op de gevel. Toch lijkt het een vreemde eend in de bijt van het oeuvre van deze Brusselse architect. Die heeft weliswaar een aantal jaren in Frankrijk gewerkt op de bureaus van Franse architecten, maar na een beginperiode waarin hij in de gangbare Beaux-Artsstijl bouwt, stapt hij vrij snel over naar de strakkere lijnen van de art deco. Een van zijn bouwwerken is de elektriciteitscentrale van Langerbrug nabij Gent; een groter contrast met dit bankkantoor lijkt amper mogelijk.


Momenteel valt hier geen enorme buit meer te halen, het is nu een particuliere woning. Naar het schijnt is nog wel de oude loketzaal enigszins behouden. In de tuin staat de oude poort van een vroegere vestiging van de Nationale Bank aan de Vlasmarkt.


Sla linksaf en volg de Kerkstraat.


KERKSTRAAT


Vroeger zou je vanaf de Grote Markt over de Logenbrug – denk aan de leerlooiers van de Gulden Cop - naar deze straat zijn gekomen, want er liep een gracht in het midden van de Kerkstraat. Aan de overzijde van die gracht, nu de linkerzijde van de Kerkstraat, liep er een smal weggetje langs. Dat was het Dievenstraatje, waarlangs veroordeelden vanaf de vierschaar naar de galg net buiten de Gentsepoort werden geleid, helemaal aan het einde van de Kerkstraat. Naargelang de ernst van het vergrijp moest zo’n veroordeelde enkele uren tot enkele dagen aan de galg blijven bengelen. Voor hem of haar had dat uiteraard weinig voor- of nadeel. Maar voor de naaste familie was de schande groter naarmate ze het lijk langer moesten laten hangen, dat kun je begrijpen.


Nu wordt de Kerkstraat afgezoomd door fraaie gebouwen:


Cultureel Centrum BELGICA - Kerkstraat 24-26.


Je raadt nooit waar dit cultureel centrum naar is genoemd. Naar de luchtballon waarmee een zekere heer Dumortier in de jaren 1920 een eind-19de-eeuwse traditie voortzet van het opstijgen met zo’n montgolfière tijdens de Dendermondse kermis.


Voor 1928 huist hier De Burgerkring, een katholieke club, die aanvankelijk Vlaamse kermissen en filmvoorstellingen organiseert in zijn lokalen op de plaats van een oud benedictinessenklooster aan de Veemarkt (thans E. Van Winckellaan). Wanneer tijdens de Eerste Wereldoorlog de vroegere herenwoning van burgemeester en minister Léon De Bruyn tot een puinhoop wordt herleid, weten de katholieken in 1923 de hand op dat bouwterrein te leggen en ze zetten architect Fernand De Ruddere aan het werk om hier tussen 1925 en ‘27 een royale herberg te bouwen, met boven vergaderlokalen en achteraan een schouwburg met plaats voor zo’n 500 toeschouwers. Op 15 september 1928 wordt Cinema Belgica ten doop gehouden met de Cecil B. De Mille-productie “Koning der Koningen” – en voor een katholieke vereniging kan dat uiteraard enkel over Jezus van Nazareth gaan. Toch is men niet geheel ongevoelig voor heidense romantiek, zoals blijkt wanneer in 1938 “Romeo en Juliette” met de eerste lichtreclame van Dendermonde gevelbreed wordt aangekondigd.


HERENHUIS VAN WINCKEL - Kerkstraat 28.


De familie Van Winckel is een náám in Dendermonde, dankzij de activiteiten van Emiel, doctor in de geneeskunde. Maar deze woning is van zijn jongere neef Léon geweest, meester in de rechten. Hij koopt de bouwval die na Wereldoorlog I is overgebleven van de woning van industrieel Julien De Bruyn, zoon van burgemeester-minister Léon, die we bij de buren hebben ontmoet. Advocaat Van Winckel laat architect Herbert De Maen uit zijn geboorteplaats Lokeren hier iets moois optrekken. Het is gereed in juni 1925 en vrijgezel mr. Léon neemt er zijn intrek, om een ruim jaar later gezelschap te krijgen van Marie, als inwonende meid. Maar denk niet aan een romance, we zijn hier bij een gegoede familie, Léon huwt op 16 april 1934 met een dame uit Neufchâteau, Leonie Lauche. Wanneer dit echtpaar in 1937 naar Gent verhuist, verhuren ze hun Dendermondse optrekje aan Georges de Vaucleroy, die als beheerder van bedrijven de kost verdient. Na diens dood in 1968 verhuist zijn weduwe naar Elsene, een Brusselse voorstad die zij wel Ixelles zal genoemd hebben, en wordt het huis een revalidatiecentrum. Het is evenwel nog steeds eigendom van de familie Van Winckel, nu van rechter André, die er in 1987 zowaar weer zelf komt wonen. Zijn dochter Ariane verkoopt het huis in 2003 aan de stad Dendermonde, die het gaat laten restaureren als uitbreiding van het cultureel centrum.


Kijk vooral eens naar het glasraam in de rechter balkondeur en let even op de glasramen beneden. Daar zie je opaakglas in zitten, ondoorzichtig gebrandschilderd glas, typisch voor de art deco-periode.


OUD-ARME KLARENKLOOSTER - Kerkstraat 42.


De arme klaren zijn gesticht door een timmermansdochter. Deze Nicoletta Boilet wordt in 1381 in Corbie geboren en timmert zelf haar verdere leven aan de weg, zonder man, en maagd gebleven. Eerst wordt ze begijn, één stap verder wordt ze non in het clarissenklooster van Corbie. Die orde is in de 13de eeuw gesticht door Chiara (Clara) Offreduccio, dochter van een rijke edelman uit het Italiaanse Assisi en de eerste volgelinge van stadsgenoot Franciscus. Het zijn dus vrouwelijke franciscanen.


Nicoletta groeit op tot Coleta en brengt de clarissen weer in het gareel, die intussen wat waren afgeweken van de regels van Clara. Ze sticht zelf zo maar even zeventien kloosters en wordt algemeen overste van de nonnen clarissen-coletinnen, die ook arme klaren worden genoemd. Coleta overlijdt in 1477 in Gent, maar moet nog flink wat geduld hebben voordat ze heilig wordt verklaard, want dat gebeurt pas in 1807. Coleta wordt aangeroepen voor een voorspoedige zwangerschap en bevalling. Dat lijkt wat vreemd voor iemand die haar hele leven maagd is gebleven. Maar het heeft alles te maken met haar eigen geboorte; haar moeder was al 60 toen ze Nicoletta ter wereld bracht. Doch moeder is niet heilig, dus moet je via de dochter je verzoek doen.


Voor mooi weer worden nog altijd eieren naar de clarissen gedragen. Dat heeft alles te maken met de Latijnse naam van de ordestichtster Clara, wat de vrouwelijke vorm is van clarus, helder, klaar.


In 1842 komen zes arme klaren uit Gent een klooster stichten in het 14de-eeuwse Heilig-Geesthuis (een instelling voor hulpbehoevende burgers), waar ook een godshuis als onderdak voor zestien arme vrouwen aan was verbonden. De middeleeuwse kapel van dat godshuis laten ze door de Gentse architect Arthur Verhaegen in 1877 vervangen door een neogotisch equivalent, waarvoor hij zelf de glasramen maakt. Ach, zoek er niet naar, 1914, alles gaat teloor. Maar collega-architect Frans Van Severen zorgt ervoor dat alles ook weer herrijst, waarbij hij de bouwtekeningen van Arthur nauwkeurig volgt. De zusters zijn echter de grote afwezigen. Zij zijn in 1919 naar Nederland getrokken en arriveren na lange omzwervingen langs Lokeren en Gent pas in 1951 weer in Dendermonde. Ze ontvangen hier eieren tot in de jaren ’80, wanneer deze nonnen afgelost worden door de Vincentiuszusters van even verderop aan de Kerkstraat. Zij brengen hun patroonheilige mee en sindsdien zie je hier Vincent als bodyguard bij de ingang staan.


Even de overzijde bekijken:


STEDELIJKE ACADEMIE VOOR WOORD EN MUZIEK - Kerkstraat 47.


Het gebouw dat nu naast muziek en voordracht ook beweging in de schoenen krijgt geschoven, was in de 19de eeuw het postkantoor van Dendermonde. De puinhoop werd na WO I keurig gerestaureerd en in 1930 gaan hier voor het eerst de kelen open of worden de lippen getuit. Alleen die ene kerel achterin heeft er geen zin in, die slaat er maar wat op los, die wordt slagwerker.


KBC-BANK - Kerkstraat 57.


Hier heeft een ridder gewoond, Oscar Schellekens. In 1871 strijden ridders niet meer in harnas te paard, maar worden ze advocaat en pleiten ze voor de rechtbank. Wanneer na 1918 de rechtbank herbouwd moet worden, stelt Oscar zijn eigen huis tot 1927 ter beschikking van Waarheid en Wet. Zo voorkomt hij, dat de Dendermondse rechtbank naar een andere stad zou moeten verhuizen – en wellicht ginder zou blijven.


Zijn geste van krediet geven wordt nu nagevolgd door andere dames en heren, die zich onder de letters KBC verenigen. De eerste twee komen van Krediet Bank, de C is gefuseerd van Cera, beide zijn vetgemest door de boeren, via landbouwkredieten.


Terug de blik naar links richten:


HEILIGE MAAGDCOLLEGE - Kerkstraat 60.


Er huizen kennelijk nogal wat maagden aan deze kant van de Kerkstraat. Maar of je er in dit ferme gebouw met rondbogen, casementen en een boogfries in zandsteen en arduin vandaag nog veel tegenkomt, durven we je niet te garanderen.


In de 17de eeuw woont Willem du Carne, deken van de nabije Onze-Lieve-Vrouwekerk, hier in een voormalig huis van het Gentse Sint-Baafskapittel. In 1652 schenkt hij zijn huis en een som geld aan de stad Dendermonde om er een weeshuis te stichten. Stadsbouwmeester Johan Beekman breekt dat in 1845 af, om het door deze nieuwbouw in neo-byzantijnse stijl te vervangen.


Intussen elders in de stad: priester Van Bavegem sticht een congregatie van de Heilige Maagd (een vereniging waar diepgelovige burgers samenkomen om actief met hun geloof bezig te zijn) en voegt daar in 1834 een Heilige Maagdcollege aan toe in een gebouw op de hoek van de Beestenmarkt en de Ridderstraat. Dat overleeft de Duitse 1914-brand niet, daarom wordt na de oorlog naar de Kerkstraat verhuisd.


Er wordt wel aardig wat aan dit pand gerestaureerd tussen 1920 en 1925, waarbij de Gentenaar René Van Herrewege er in 1922 een neogotische kapel aan toevoegt. Dat was de kapel die je in de verte zag bij de Hollandse Kazerne.


Het laatste publieke optreden van Arsène Goedertier


Op zondagmorgen 25 november 1934 vindt in een zaal van dit college een politieke bijeenkomst plaats van 400 leden van de katholieke strekking. Wisselagent Arsène Goedertier uit Wetteren houdt er een toespraak, gevolgd door een heftige discussie waaraan ook zijn vriend Joris De Vos deelneemt, advocaat in Dendermonde. Na deze discussie voelt Goedertier zich onwel worden en verlaat tijdens de toespraak van de Antwerpse havenschepen Leo Delwaide de zaal. Hij gaat naar een nabij café dat vrachtrijder Lanoey in de Kerkstraat openhoudt, waar hij op een bank wordt gelegd, zijn gezicht wordt afgebet en zijn kleren wat los worden gemaakt. Romain De Cock, een jonge arts, eveneens uit Wetteren en ook aanwezig op de meeting, wordt erbij gehaald en geeft Arsène een injectie met caffeïne, wat zijn toestand enigszins verbetert. Ze helpen hem in een auto en rijden daarmee naar de Vlasmarkt, waar juwelier Ernest Vanden Durpel woont, een zwager van Goedertier. Daar leggen ze hem op een matras. Een wellicht alledaags voorval, ware het niet dat Arsène Goedertier op de Vlasmarkt een zin zal uitspreken, die voor grote commotie zorgt en tot op vandaag stof geeft voor een flink aantal boeken en een veelheid aan krantenartikelen. We laten je nog even in spanning tot we op de Vlasmarkt terugkeren. Wordt vervolgd.


ONZE-LIEVE-VROUWEKERK - Onze-Lieve-Vrouwkerkplein.


Eind 11de eeuw behoort Dendermonde nog tot het bisdom Kamerijk, wanneer Ringoot ofwel Reingot II, heer van Dendermonde, een romaanse kerk laat bouwen op wandelafstand van zijn burcht aan de Dender. Net na de volgende eeuwwende, in 1106, verbindt hij daar een kapittel aan. Met zo’n college van kanunniken wordt de Onze-Lieve-Vrouw een collegiale of kapittelkerk.


Weer een eeuw later, wordt voorzichtig aan een kerkvergroting begonnen. Intussen is ook het bouwen veranderd. De romaanse stijl is vervangen door de gotiek. Stap voor stap wordt de oude Onze-Lieve-Vrouw veranderd in een grotere gotische kerk met de vorm van het kruis van Christus, aan de ‘hoofdzijde’ afgesloten met een drieledig vlak koor. Waar de lange en de korte ‘balk’ elkaar kruisen, de zogeheten viering, wordt een achtzijdige toren gebouwd.


Dat de achterkant van deze kerk vandaag niet meer vlak oogt, komt door de aanbouw in de 17de eeuw van een absiskapel in barok. Dat is die ronde aanbouw met zijn kleine middentorentje. Als je er dicht genoeg bij gaat staan, heb je een gedetailleerd zicht op het houtsnijwerk van deze zogeheten ‘lantaarn’.


Bij een 20ste-eeuwse restauratie vervangt het architectentrio Henri en Valentin Vaerwyck en Alexis Sterck in 1910-’12 het lage dak van de oude vieringtoren door een fonkelnieuwe spits. Maar die zie je vandaag niet meer; bij een storm in 1940 is die er helemaal afgewaaid. Sindsdien hebben ze het maar zo gelaten en heeft deze kerk een plat torendak met op de hoeken pinakels, zo heten de punten die omhoog steken. Achter de galmgaten hangen twee heel oude klokken uit 1466, de ene weegt 2000, de andere 3000 kilo.


Onder het dak van de zijbeuk waar je nu recht op kijkt, zit een ballingkamer. In de middeleeuwen kan een misdadiger die een kerk binnenvlucht niet door het gerecht worden opgepakt, hij krijgt een soort kerkasiel. Vandaag gebeurt dat nog wel eens met buitenlandse asielzoekers, die dan in een kerkgebouw komen kamperen. Zolang er niet teveel kerkgangers zijn, valt dat nog te combineren met de normale functie van een kerkgebouw. Maar in de middeleeuwen zitten alle kerken nog vol, of beter, ze staan vol, want er is dan nog geen meubilair voor wie gewoon een mis komt volgen. Voor ballingen worden daarom aparte ruimten vrijgemaakt tussen de gewelven en het dak. Hier in Dendermonde zijn nog dergelijke ballingkamers bewaard boven de zijbeuken. Die zijn te bereiken via de trap naar de toren.


Is de kerk open – de ingang is in de zuidelijke zijbeuk – neem dan vooral binnen een kijkje. We zetten even enkele bijzondere zaken op een rijtje.


Interieur Onze-Lieve-Vrouwekerk:


· meteen bij binnenkomst even op de kerkvloer letten. Over de plavuizen zie je een lijn lopen, die niet evenwijdig loopt met de naden van de tegels. Dat is de middaglijn van Adolphe Quetelet. Hij loopt helemaal onder het huidige verhoogde koorgedeelte door tot in de tegenoverliggende noordelijke zijbeuk en was oorspronkelijk van een koperen strip voorzien. Een zonnestraal, die door een gaatje in het raam van de zuidelijke zijbeuk viel, gaf een lichtpunt en als dat precies op die lijn viel, stond de zon in Dendermonde op haar hoogste punt en was het dus middag. Bedoeling was om op die manier de juiste tijd in verschillende steden vast te stellen en daarop alle klokken gelijk te zetten, wat nodig was om in de 19de eeuw de treinen op tijd te laten vertrekken. Zonder elektriciteit, telefoon of telegraaf was dat het enige hulpmiddel. Omdat de zon in de zomer hoger staat dan in de winter, valt zo’n lichtvlek elke dag even anders: ‘s zomers als de zon hoger staat dichter bij het kerkraam, ‘s winters verder daar vanaf. Daarom een lijn en geen vaste cirkel om de hoogste zonnestand te meten.


In een groot aantal steden met stations zouden dit soort middaglijnen worden aangebracht, maar Quetelet werd ingehaald door de komst van de telegrafie, waardoor zijn lijnen overbodig werden. Doordat het oude brandglasraam in het jaar 2000 door een eigentijds ontwerp van de Ninoofse kunstenaar Harold Van de Perre is vervangen, is het gaatje niet meer aanwezig en kan deze middaglijn niet langer de tijd aangeven. Dat nieuwe glasraam heeft als onderwerp De Stad Gods.


·Vanuit de viering gezien staat rechts midden in het kerkschip de preekstoel. Mattheus Van Beveren werkt daaraan tussen 1681 en 1684. Op de kuip beitelt hij God de Vader, diens Zoon en zijn Moeder en laat hen dragen door engelen. Onder hun voeten een man die vermoedelijk Mohammed met de Koran voorstelt, waarover het christendom triomfeert. ‘Straat zonder haat’ zou hier dus de waarheid geweld aan doen ... Op de trapstijlen staan Geloof en Hoop en het klankbord bovenaan wordt ondersteund door engelen met toorts en Bijbel om dat geloof brandend te houden en voor hoop op betere tijden.


·Helemaal links achterin is de doopkapel achter een hek met blinkende koperen spijlen. Die zijn allemaal apart betaald door gelovigen of verenigingen, waarnaar teksten of wapenschilden op de sokkels herinneren. Binnen deze afsluiting staat de romaanse doopvont uit de 12de eeuw in grijze Doornikse steen. Op de vierkante kuip zie je een hele rij van 13 mannetjes aan een tafel. Dat is niet het Laatste Avondmaal, maar de opname van Paulus als apostel, want die kwam er wat later bij. Hij vervangt Judas, die zich immers heeft opgehangen na zijn verraad van Jezus. En er horen 12 apostelen te zijn, want 12 is een bijzonder getal, de combinatie van het goddelijke getal 3 (drieëenheid, drie koningen) en het aardse getal 4 (vier windstreken, vier elementen, vier ledematen). De band tussen god en mens wordt daarom uitgedrukt in een verbinding van beide getallen, de cijfers 7 (3+4) of 12 (3x4). Aan de zijde links van dit tafereel, zie je als een soort stripverhaal hoe Paulus begon als Saul, een Romeins burger die de christenen vervolgt, maar voor de poorten van Damascus van zijn paard gebliksemd wordt. Hij laat zich dan dopen, wordt daarmee Paulus en mag zich na zijn dood samen met Petrus aanmelden bij het Hemelse Jeruzalem. Natuurlijk mogen ze binnen, Sint-Pieter heeft immers de sleutel bij zich!


·Draai je om en wandel helemaal naar het andere uiteinde, waarbij je het altaar links passeert, waardoor je naast het hoogkoor bij het Onze-Lieve-Vrouwekoor uitkomt. Links tegen de wand zie je daar 20 votiefportretten van kinderen. Dat zijn kleine schilderijtjes met kinderportretten, die rijke ouders schonken om hun zoontjes en dochtertjes onder bescherming van Onze-Lieve-Vrouw te plaatsen of als dank voor een verkregen genezing van hun spruit. Ze hangen hier met telkens twee stuks boven elkaar.


·Ga nu rechts achter het hoogkoor naar de Heilige Sacramentskapel, de ruimte waar de barokke lantaarntoren op staat, die je aan de buitenkant zag. Daar zie je het zilveren reliekschrijn van de heilige Hilduardus en Christiana, patroonheiligen van Dendermonde.Zij komen helemaal uit Dikkelvenne, een dorpje aan de Schelde tussen Gent en Oudenaarde. Wat deden Christiana en Hildeward daar? Zij was een Engelse koningsdochter uit de 8ste eeuw en haar vader was de heidense koning Migranimus. Zijn dochter heeft wel een boontje voor het christendom en wil dan ook niet trouwen met een heidense koningszoon. Om aan zo’n rabauw te ontkomen, vlucht ze naar Oost-Vlaanderen waar ze zich onopgemerkt in Dikkelvenne verschuilt. In 734 wordt ze toch ontdekt door de rondreizende bisschop Hildeward, die haar doopt en haar Christiana noemt, waarna hij de Sint-Petrusabdij in Dikkelvenne sticht, zodat ze meteen als benedictines kan intreden nu ze nog maagd is. Beiden worden heilig verklaard en eind 9de eeuw wordt wat er van hen rest overgebracht naar deze Onze-Lieve-Vrouwekerk en zijn ze meteen stadspatroon van Dendermonde geworden. Probeer Christiana vandaag niet na te volgen door weg te lopen naar Dikkelvenne, daar vlakbij is nu een opsporings- en controlecentrum van de Belgische luchtmacht en de Navo gevestigd. Vreemd genoeg wordt Christiana aangeroepen door vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen. Is een maagd daarvoor wel de beste raadgeefster?


Natuurlijk is er nog veel meer te bezichtigen in deze kerk, maar dat laten we je graag zelf ontdekken. Wij wachten buiten voor de kerkdeur om verder te gaan met onze rondwandeling.


Terzijde van de Kerkstraat staat het standbeeld van de man wiens geboortehuis je al gezien hebt


PIETER-JAN DE SMET - Onze-Lieve-Vrouwekerkplein.


Een jezuïet die op 30 januari 1801 in Dendermonde is geboren als zoon van schipper-handelaar Judocus De Smet en Maria Joanna Buydens. Hij gaat filosofie studeren in Mechelen, waar hij Charles Nerinckx ontmoet, die als missionaris in Kentucky werkt en op zoek is naar meer volk om de Amerikaanse missies te bemannen. Dat spreekt Pieter-Jan wel aan en in 1821 scheept hij in op het Nederlandse Waddeneiland Texel voor de overtocht naar de Verenigde Staten, zonder zelfs maar zijn studies af te maken. Maar dat laatste doet hij alsnog in de USA, waar hij als novice intreedt bij de jezuïeten en later econoom wordt aan het Saint-Louiscollege.


Tussen 1833 en 1837 keert Pieter-Jan even naar België terug om gezondheidsredenen. Blijkbaar geneest een mens liever in de eigen vertrouwde omgeving en mocht het ergste gebeuren, dan is de familie alvast in de buurt. Maar pater De Smet vertrekt opnieuw richting States, nu naar Missouri, waar hij als missionaris onder de indianen gaat werken. Daar weet hij het vetrouwen te winnen van achtereenvolgens de Potowatomies, de Plathoofden, Kalispels, Priemharten en de ons beter bekende Sioux. Hij verzamelt in Europa geld voor zijn werk en de Amerikaanse regering belast hem met vredesopdrachten, onder andere voor de verdragen van Fort Laramie in 1851 en Fort Rice in 1868.


Pater Pieter-Jan, voor de indianen de Grote Zwartrok, overlijdt te Saint-Louis in de nacht van 22 op 23 mei 1873. Aan dit beeld van hem wordt al drie jaar na zijn dood begonnen door Charles August Fraikin en het is hier in 1878 geplaatst.


Maar de 3½ meter hoge Pieter-Jan is niet zo stevig als hij lijkt. In 1982 viel-ie pardoes van zijn sokkel en aan een herstellingskuur van de metalen man viel niet te denken. Daarom heeft Michel Peleman gezorgd voor een kopie van polyester, een soort botox voor beelden, waardoor onze pater er sinds 30 augustus 1984 weer goed voorkomt in een herlevend Dendermonde. Zijn borstbeeld staat in het Capitool in Washington, waar hij pater Damiaan gezelschap houdt.


Op het Onze-Lieve-Vrouwkerkplein nog even naar de westzijde van de kerk, de voorkant, wandelen, daar liggen


BROKSTUKKEN VAN DE ABDIJ VAN ZWIJVEKE - Onze-Lieve-Vrouwekerkplein.


Tegenover het westerportaal van de kerk liggen hier een aantal gebeeldhouwde arduinfragmenten van de barokke abdij van Zwijveke, waarvan je elders in de stad al andere overblijfselen zag. Het lijkt wat op een monumentenkerkhof en is dan ook hier beslist op zijn plaats, want rond de kerk lag oorspronkelijk het kerkhof van Dendermonde.


Aan de linkerzijde van de kerk, de noordkant, zie je op de hoek met de Nachtegaalstraat:


MARIAKRING - Onze-Lieve-Vrouweplein 8.


Hier is vandaag nog een sociaal restaurant gehuisvest voor wie niet tot de gegoede burgerij of de tweeverdieners behoort. Binnenkort kan het verhuizen naar een nieuwbouw aan de Kerkstraat, waar het samen met de bibliotheek onderdak krijgt. Je kan dan het verleden van deze stad opzoeken in boeken of direct horen uit de mond van wie het aan den lijve heeft meegemaakt.


Oorspronkelijk was de Mariakring het lokaal van een Congregatie voor Mannen, die het in 1874 nieuw lieten bouwen. In zo’n congregatie kwam men bijeen onder leiding van een geestelijke om zich te verdiepen in het geloof en te praten over de toepassing ervan in het dagelijks leven. Er bevond zich ook een Zondagsschool op hetzelfde terrein, maar deze ‘Patronage’ is afgebroken. Datzelfde geldt ook voor de toneelzaal op de eerste verdieping, die tot vergaderlokalen en kantoorruimte is verbouwd. In de oorspronkelijke gelagzaal is nu het restaurant gevestigd.


Terug langs het Onze-Lieve-Vrouweplein, waar heel wat ‘zorg’ geconcentreerd zit, zoals Jeugd- en Gezinszorg, Thuiszorg en een Jongeren Advies Centrum, pal tegenover de kerk.


Sla rechts het vervolg van de Kerkstraat in.


BOUWWERF BIBLIOTHEEK ANNEX SOCIAAL RESTAURANT - Kerkstraat.


Waar nu een nieuwe bibliotheek wordt gebouwd, lagen ooit de looiputten van de huidenvetters of leerlooiers. Met hun eindproduct werden ook boeken ingebonden, maar leer was in de middeleeuwen toch vooral een multifunctioneel product: zadels, laarzen, bekleding van stoelen, zeemlappen, ja zelfs behang, het beroemde goudleder, dat echter met zilver wordt gemaakt. Nadeel van deze bedrijfstak: enorme stank bij het looien met looizuur of tannine (vandaar de Franse naam ‘tanneurs’ en ons woord ‘getaand’). Daarom worden de huidenvetters doorgaans wat op afstand van de stadskern gehouden, zoals ook hier in Dendermonde.


Keer je nog even om, naar een smal, thans naamloos, straatje.


KLEIN KWARTIER


Dit was weer zo’n beluik voor de arbeiders. Je ziet wat verder achterin hun huisjes nog staan, deels bewoond, deels in restauratie. Het Klein Kwartier eindigt wat pardoes op de binnenplaats van een nagelnieuw bejaardenhuis. Op zonnige momenten zitten hier de oudjes op het terras te mijmeren over vroeger, met uitzicht op een restantje van hun ‘goede oude tijd’ en misschien meteen een relativering daarvan.


Even verder aan het laatste stukje Kerkstraat voordat die overgaat in Gentsesteenweg staat het


OCMW-BURGERLIJK GASTHUIS - Kerkstraat 113-115.


Machteld I is als echtgenote van Willem van Bethune ook vrouwe van Dendermonde tussen 1188 en 1224. En zoals het dames van stand betaamt, bekommert zij zich om de slachtoffers die hun mannen al oorlogvoerend achterlaten. Dus sticht ze gasthuizen, waar kreperende Dendermondenaren terecht kunnen: op de rechteroever van de Dender het Sint-Gillishospitaal nabij de weg naar Brussel, hier op de linkeroever het Sint-Blasiusgasthuis aan de Gentse poort rond 1202. Genoemd naar een heilige waarheen volgens de legende ook dieren kwamen als ze ziek waren, dus dat gaf vertrouwen. De specialiteit van deze heilige Blasius van Sebaste waren trouwens keelaandoeningen, waarvoor hij de Blasius-zegen gaf. Daarbij worden twee kaarsen in X-vorm gekruist tegen je keel gelegd.


Verwacht van zo’n gasthuis geen medische hoogstandjes; een handvol zusters en één broeder hebben de handen meer dan vol aan verplegen en de meeste dokters – zo die er al zijn – houden zich liever ver van enigerlei besmettingshaard. Het is dus heel eenvoudig: ofwel genees je vanzelf, dankzij voorspraak van Blasius, ofwel ga je dood. En waar je dan terechtkomt, hangt van je voorgeschiedenis af. Lichamelijk alvast niet te ver van hier, op het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof.


Tot begin 17de eeuw vormen die ziekenverpleegsters geen religieuze orde, ze hebben geen kloostergelofte afgelegd. Dat verandert in 1602, dan worden het echte gasthuiszusters, die de regel van Sint-Augustinus aannemen en nu wordt het gasthuis stilaan een echt ziekenhuis onder de naam Onze-Lieve-Vrouw van Troost, met behoud van de oude Blasiuskapel binnen het geheel.


Wanneer de Fransen in 1798 de bezem halen door de kloosterorden, worden de ziekenhuizen allemaal onder een centraal bestuur van de Burgerlijke Godshuizen geplaatst en wordt ook dit een Burgerlijk Ziekenhuis. Maar er blijven nog wel gasthuiszusters werken, aanvankelijk hun religiositeit wegmoffelend, maar na de val van Napoleon weer openlijk katholiek.


Als we het jaartal 1914 noemen, weet je al wat er met dat oude ziekenhuis is gebeurd. Dus wordt het in 1925-’26 herbouwd zoals je het hier vandaag ziet staan, met een zweempje art deco getooid. In 1930 is er een nieuwe Blasiuskapel aan toegevoegd. Daar laat de familie Schellekens in 1952 een vijfdelig glasraam plaatsen door onze glaskunstenaar Cyriel Los, ter nagedachtenis aan hun telgen ridder J.E. Schellekens – voorzitter van de Burgerlijke Godshuizen – en zijn zonen ridders Oscar en Cesar, ook in hetzelfde bestuur zittend, zodat je van een familietraditie mag spreken. Met Oscar maakte je al kennis bij KBC.


Stilaan veroudert dit ziekenhuis en wordt er elders een nieuwe kliniek gebouwd, waarna het Dendermondse OCMW (stedelijke welzijnszorg) hier zijn intrek neemt rond 1980. Op dat moment vertrekken de gasthuisnonnen naar hun moederklooster in Lier, maar ze nemen wel Cyriels glasramen mee.


Voor de doorzetters even verderop nog dit:


MONUMENT GENTSE POORT - Gentsesteenweg 1/Aymonshof.


Zoals we bij de Brusselse Poort al vertelden, heeft Dendermonde in het eerste kwart van de 19de eeuw nieuwe stadspoorten gekregen ter vervanging van de vervallen middeleeuwse toegangen. Maar natuurlijk waren die doorgangen niet afgestemd op het latere autoverkeer. Bij de Brusselse en de Mechelse Poort zijn er daarom in 1909 doorsteken door de stadswallen gemaakt, om zo de wegen aan weerszijden rechtstreeks op elkaar te laten aansluiten. Dat is echter niet gebeurd voor de hier staande Gentse Poort, die in augustus/september 1914 door het eigen Belgische leger gedeeltelijk is afgebroken. Omdat de bovenbouw gebarsten was, werd gevreesd dat die wel eens zou kunnen instorten wanneer er zware konvooien met oorlogsmateriaal zouden passeren. Wat er van de poort nog restte, is later gesloopt en dus volledig verdwenen. Maar van die Gentse Poort uit 1824 bleef wel de sluitsteen van de binnenkant, dus van de Kerkstraatzijde, bewaard, die de vorm van een ramskop heeft. Op het gazon van OCMW-rusthuis Aymonshof is die sluitsteen in 1994 verwerkt in een monument, dat door ingenieur Philippe Janssens van de Stedelijke Technische Dienst is ontworpen. Zo heb je dan toch nog een idee tot hoever Dendermonde begin 19de eeuw reikte.


We draaien om, laten heer Aymon met zijn eeuwige verhalen over zijn vier zonen achter en gaan weer richting centrum. Even na de bouwwerf passeer je het


SINT-VINCENTIUSINSTITUUT - Kerkstraat 97.


In 1856 komt de Congregatie van de Zusters van Sint-Vincentius a Paolo vanuit Deinze naar Dendermonde en koopt het ‘maison de pension’, een privéschool van de Franse dames Guidamour de Rarécourt – David Davidse’s typetje Madame de Coeur Brisé lijkt plots een banale naam te hebben. Dergelijke privéscholen voor leerlingen van betere huizen, soms ook voor schipperskinderen, waren begin 19de eeuw alom verspreid in onze dorpen en kleinere steden. De leerlingen woonden vaak buiten de stad en met het toenmalige openbaar vervoer kon er geen sprake zijn van pendelen, dus bleven ze inwonen, vandaar ‘maison de pension’. Zoals ook hier, worden dat soort privé-instituten later vaak overgenomen door kloosterorden.


De Vincentiuszusters bouwen rond 1862 fluks een nieuw klooster met kapel en zetten de onderwijstraditie voort. Hun school floreert en in 1901 mag stadsarchitect Alexis Sterck de kapel vervangen door een groot neogotisch exemplaar, dat nog altijd achter dit huis overeind staat. En precies dàt, is een wonder. Want waren er niet die Duitsers gepasseerd in 1914, die lelijk hadden huisgehouden in deze straat?


Het is dankzij dokter Emiel Van Winckel, dat deze gebouwen niet platgebrand zijn. In de nieuwe kapel had hij een lazaret ingericht, waar hij ook Duitse soldaten verzorgde, dus dat mocht overeind blijven.


Na de Tweede Wereldoorlog bouwen de zusters ijverig verder aan een waar scholenimperium, dat vandaag een groot deel van de Prudens van Duysestraat inneemt, de zijstraat enkele passen verder. Zelf hebben de zusters in 1988 hun klooster hier verlaten om zich wat meer nabij het uitgaansleven te vestigen in het vroegere arme klarenklooster, waar je Vincentius naast de deur hebt zien staan. Hier laat hij zich vervangen door Onze-Lieve-Vrouw van Eeuwigdurende Bijstand, wat nuttig is voor een beschermd monument.


De tweede zijstraat rechts inslaan.


BEURZESTRAAT


Een café op deze hoek gaf zijn naam aan de straat en adopteerde zelf een meer trendy exotische. We zitten hier niet ver van de vroegere veemarkt en cafés met namen als “De Beurs” wijzen dan op handel. Voor de 17de eeuw heette deze straat Zuivelsteeg, wat nog dichter tegen vee aanleunt. Maar in de 18de eeuw vestigen zich in Dendermonde enkele bedrijven met een wat toegevoegdere waarde: zeep- en zoutziederijen. Zo zien we in 1882 hier J. Gorus-De Zeeuw opduiken met een zoutziederij. Zijn gevelsteen zag je in de Zwijveke-galerij.


Al in 1621 wordt hier met geld van juffrouw Anna van den Eynde een Berg van Barmhartigheid opgericht. Dat is een pandjeshuis, waar tegen onderpand geld geleend kan worden voor een lage rente. Zit je er weer beter voor, dan los je die lening af en krijg je je spullen terug. Goedkoop krediet, in tegenstelling tot het dure geld van de lombarden-bankiers. Alleen in de Brusselse volkswijk de Marollen is tot op vandaag nog zo’n Berg van Barmhartigheid in functie en die draait zelfs de laatste jaren weer beter en beter.


We komen nu op een wat breder straatgedeelte, waar de Emiel Van Winckelstraat uitmondt in de Beurzestraat en de Zwarte Zusterstraat.


CAUWENBERG


Dit bredere deel stond vroeger bekend als de Cauwenberg. Toch zie je hier hoegenaamd geen hoogte, dus vanwaar dat berg? We zitten hier bij de vroegere veemarkt. De Emiel Van Winckelstraat heette destijd Beestenmarkt. De naam Kauwenberg komt ook voor in Antwerpen tussen de Paardenmarkt en de Ossenmarkt. Kauwen betekent dan ook vee, verwand met het Engelse cattle en denk ook maar aan cowboy. En berg is een omheind terrein, waarbinnen tijdelijk mensen of dieren worden ondergebracht. Zoals een leger (heir) op doortocht reeds in de Romeinse tijd kon uitrusten in een heirberg, wat uiteindelijk als herberg onze taal binnensluipt. Kortom, op deze Cauwenberg werd het vee verzameld voordat de markt begon.


Vandaag zie je hier tegen een gevel een verzameling kleurrijke mensen. Die vormen samen het kunstwerk


TOUCHED


Parket van de Procureur des Konings - Zwarte Zusterstraat 2-4.


De kleurrijke portretten die je tegen deze gevel ziet, zijn een weerspiegeling van onze samenleving. Vandaar allerlei leeftijden, zowel mannen als vrouwen, religies en subculturen, een kleurrijke multiculturele mix. Hier worden dus geen specifieke personen afgebeeld, die een of andere bijzondere plaats in ons dagelijks bestaan innemen. Maar je ziet ook een soort puzzel, opgebouwd uit de portretten. Dat verwijst naar het Openbaar Ministerie, waarvan het Parket als taak heeft het zoeken naar feiten en deze stukjes informatie ineen te puzzelen tot een duidelijk beeld voor het beoordelen van strafzaken. Zo wil kunstenares Ingrid Rosschaert het werk van het gerecht in een positiever daglicht stellen, omdat het vaak louter negatief wordt bekeken als een instelling die met ‘straf’ heeft te maken.


Dan is er nog de hoek waaronder deze ‘puzzelstukjes’ zijn geplaatst. Doordat de Zwarte Zusterstraat niet loodrecht maar schuin op de Emiel Van Winckellaan aansluit, lijkt de gevel van het Parket naar achteren ‘weg te lopen’. Het kunstwerk corrigeert dat idee optisch, doordat het ten opzichte van de gevel aan de rechterzijde juist naar voren komt.


‘Touched’ dateert van juni 2004 en is als winnaar uit een wedstrijd gekomen. Het is de inzending van idplusart vzw. uit Gent en Hamme.


Tijdens kantooruren moet je zeker ook even binnenstappen bij het Parket. In de receptiehal staat nog een kleiner kunstwerk uit dezelfde wedstrijd. Die Hermeline is een ontwerp van Inge Heyvaert en is bekroond met de Prijs van de Stad Dendermonde. Het is een tinnen beeldje van een hermelijn, die rechtop staat en zich vasthoudt aan het zwaard van de gerechtigheid, dat vier wetboeken doorboort. De hermelijn incarneert de nieuwsgierigheid van de onderzoeksrechter en de zuivere waarheid waarnaar hij op zoek is. De tabberd van de rechters wordt ook gesierd met een stukje wit hermelijnbont en de kunstenares is feitelijk modeontwerpster. De legende wil, dat wanneer de pels van een hermelijn wordt besmeurd, het verdere leven van korte duur zal zijn.


Bij dit beeldje horen nog enkele aparte hermelijn-pootafdrukken, die aangebracht zijn op straat bij dit gebouw en bij de Rechtbank van Dendermonde, waar we al langskwamen. Inge Heyvaert is in Dendermonde geboren in 1972, studeerde architectuur aan de Academie van Aalst en mode-, textiel- en toneelkostuumontwerp aan de Gentse academie.


Over het gebouw: het Parket en het Openbaar Ministerie zijn ondergebracht in de gerenoveerde Sint-Christiakliniek.


ZWARTE ZUSTERSTRAAT (we gaan die niet in)


Hier hadden de zusters augustinessen die je tegenkwam aan de Vlasmarkt eerder hun klooster met gasthuis, waar ze lepralijders verzorgen. In die tijd heet de straat echter Kromme Elleboog en is het niet zo’n keurig rechte straat als vandaag. Nee, het is een weggetje dat tussen de velden kronkelt, waarop de droogramen van lakenbereider Berthouts staan opgesteld, om uiteindelijk uit te komen aan de Dender, waarover dan de Minnebrug ligt. Denk niet direct aan liefkozingen, het is een brug over een gemeenschappelijke binnenhaven, waar iedereen kan laden en lossen, zoals bij het Minnewater in Brugge.


Aan die Kromme Elleboog wordt soms ook een verhaal opgehangen dat met brandveiligheid te maken heeft. Als er in de middeleeuwen brand uitbreekt, wordt er een menselijke ketting gevormd, waarlangs snel leren emmers met water worden doorgegeven. Dat wordt geput uit de Dender of de grachten. Om te voorkomen dat de emmers leeg ter plekke arriveren door uitgeklotst water, haken twee mensen die met hun gezicht naar elkaar staan hun linkerellenbogen ineen, waarna de emmers vrij vloeiend met de rechterarm aangepakt en doorgegeven kunnen worden van het ene koppel naar het andere, zonder uit balans te raken. De lege emmers keren terug via de andere helft van het koppel. Omdat straten in die tijd meestal genoemd worden naar een gebouw of activiteit in de directe nabijheid, lijkt deze verklaring van de naam niet erg waarschijnlijk.


We gaan nu links de Emiel Van Winckellaan in.


EMIEL VAN WINCKELLAAN


Een opvallend brede straat als je bedenkt dat je hier door middeleeuws Dendermonde wandelt. Maar net als bij de Oude Vest ligt de verklaring in een gracht, die door deze straat liep, vanaf de andere zijde tot ongeveer middenin. Dat was de Savaangracht, vermoedelijk een volkse verdraaiing van Stefaansgracht. Op het bredere deel in de rest van de straat vond de veemarkt plaats. Daar stonden ‘baren’ of ‘leeën’, waaraan de dieren werden vastgebonden. In Ieper staan ze nog op de Veemarkt en ook in Mechelen aan de IJzerenleen, waar zelfs de straatnaam ernaar verwijst. Later werd heel de straat als Beestenmarkt aangeduid. Maar wat komt Emiel hier nu zoeken?


Hij komt uit Lokeren, Emiel Van Winckel, studeert geneeskunde in Leuven en vestigt zich rond 1881 in Dendermonde. Vanaf 1884 wordt hij aangesteld door het Bureel der Weldadigheid om in de 4de wijk toe te zien op de gezondheidstoestand van de gezinnen. Dat houdt in, dat hij gratis vaccineert tegen koepokken en tyfus, in die tijd nog ziekten die ware epidemieën veroorzaken. Van Winckel neemt zijn vak serieus, als een roeping. Dat maakt hem snel populair en bovendien is hij actief in allerhande commissies en verenigingen voor de geneeskunde. Wanneer generaal von Boehm op 4 september 1914 Dendermonde inneemt vlucht Emiel niet weg, maar zet zich in voor de slachtoffers in de tot lazeret omgebouwde kapel van het Vincentiusinstituut. Zijn eigen huis hier aan de Beestenmarkt wordt niettemin een dag later door de Duitsers in brand gestoken. “Verzeihung, het was een vergissing”, zeiden ze wel, maar daar ben je natuurlijk niet veel mee. Emiel gaat dan maar in het Vincentiusklooster wonen de rest van de oorlog. Wanneer hij in 1925 overlijdt, kan hij dan ook rekenen op een grote toeloop uit alle lagen van de bevolking bij zijn begrafenis. Vijf jaar later krijgt de Beestenmarkt zijn naam. Zijn woning wordt later afgebroken om plaats te maken voor de Sint-Christinakliniek, waar Emiel vast geen probleem mee zou hebben gehad. Nu zetelt daar zoals je zojuist hebt gezien het Parket, met op de gevel een goede doorsnee van een gemiddelde huisartsenpraktijk.


Wandel de straat maar door.


Links op nr.36 een merkwaardige trapgevel. Normaal volgt daarachter dan een dak haaks op de straat, maar hier is dat niet het geval, hier staat die gevel voor een dak in langsrichting.


Op nr.29 heeft in 1470 rederijkerskamer ‘De Roos’ zijn vergaderlokaal gehad. Kenspreuk van de Dendermondse rederijkers was “Deucht is ‘t motyf” en de heilige Dorothea van Caesarea was hun patrones. Zij was inderdaad niet voor een kleintje vervaard. Als dochter van senator Dorus weigert zij met een heiden te trouwen. Men tracht haar tot andere gedachten over te halen, door haar op te hangen aan haar voeten en te geselen. Maar zij voelt dat als een streling met pauwenveren. Haar borsten schroeien met fakkels lukt al evenmin, de wonden genezen nog dezelfde nacht. Dan maar een definitieve straf: onthoofding! Vlak voor de beul toeslaat zegt Dorothea dat ze weldra in de tuin van de Heer rozen en appels zal plukken. De aanwezige griffier Theophilus vraagt dan cynisch om hem een mandje appels en rozen te sturen. De winter na de terechtstelling komt een jongen hem die bezorgen – met de groeten van Dorothea. Sindsdien wordt Dorothee door fruitkwekers en bloemisten in de armen gesloten. Helaas is ze in 1969 van de heiligenkalender geschrapt. Als ze dat in Holland gaan beseffen, kan de paus natuurlijk zijn bloemen met Pasen vergeten

Na het Gulden Hoofdstraatje (genoemd naar het huis op de Grote Markt waar het onderdoor loopt) zie je een gekanteelde vakschool. “Wie van geen hout pijlen weet te maken, kan hier terecht” - zou dat de boodschap zijn?


VRIJ TECHNISCH INSTITUUT - Dr. Emiel Van Winckellaan.


In de middeleeuwen staat hier het Wevershuis, waar de vakbroeders van dat ambacht samenkomen. De spanramen waarop hun lappen stof na het vollen en verven te drogen worden gehangen, staan op de velden achter de huizen aan de overzijde, zoals we bij de Zwarte Zusterstraat vertelden. De middeleeuwse lakenbereiding of draperie is een complex geheel van productiefasen, waarbij de wollen stoffen telkens naar andere specialisten verhuizen. Een lakenhandelaar coördineert het geheel als eigenaar van het product.


Later komt hier het Heilige Maagdcollege met een grote school. Maar die wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig vernield, zodat we deze maagd nu hebben ontmoet in de Kerkstraat. Het lijkt enigszins stuivertje wisselen, wanneer vanuit diezelfde Kerkstraat de Vrije Vakschool naar hier komt. Die is op 27 december 1922 als verlaat kerstgeschenk aldaar opgericht, maar zoekt meer ruimte en vindt die hier in 1925 op de puinen van de Heilige Maagd. Nu wordt hier aan onderwijs gedaan onder de noemer VTI – Vrij Technisch Instituut. Voor de Nederlanders onder onze wandelaars: dat ‘vrij’ slaat niet op het technische gehalte van het hier gegeven onderwijs. In België is het een synoniem voor ‘katholiek’ onderwijs naast het door de overheid georganiseerde gemeentelijk, provinciaal of rijksonderwijs. Eind 19de eeuw heeft dit land een ware schoolstrijd doorgemaakt, waarbij de toen liberale overheid een poging deed om de bijzonder grote macht van het katholieke onderwijs te breken. Dat is niet gelukt, er zijn sindsdien twee onderwijsnetten naast elkaar uitgebouwd, die slechts in recente tijden weer echt samenwerken. De liberalen zijn hier jarenlang met het woord ‘geuzen’ aangeduid, daarmee teruggrijpend naar de twee kampen uit de Tachtigjarige Oorlog in de Spaanse tijd (1568-1648).


Aan de overzijde kijken een aantal hoofden in onze richting boven de vensters van de benedenverdieping op nr.25, een huis dat de Antwerpse architect Victor Lebens ontwierp. Daarnaast woonde


HUIS LODEWIJK DOSFEL - E. Van Winckellaan 13.


Naast Prosper Van Duyse was ook Lode Dosfel een voorvechter van de Vlaamse zaak, vlak voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een van zijn strijdpunten was de vervlaamsing van het universitair onderwijs en dat heeft de man toch even mogen beleven. Op 15 maart 1916 werd het Nederlands de voertaal aan de Gentse Universiteit. En laat dat nu net Lodewijks verjaardag zijn! Het huis dateert echter uit 1922, dus hij zou zijn woning niet meer herkennen als er geen plakette op was aangebracht.


Aan het eind van deze straat naar links.


RIDDERSTRAAT


Bij zo’n straatnaam - en hij komt in heel wat steden voor - verwacht je een spannend verhaal over strijdbare adel op paarden. Dat komt er zelden of nooit, historici zitten wat verveeld met deze straatnaam. Het zijn geen statige adellijke straten met fraaie huizen, eerder wat achterafstraatjes met bescheiden bebouwing, ook als je in hun verleden gaat kijken. Het woord ridder betekent dus wellicht iets anders. In Gent wordt gedacht aan een verbastering van rigghe, waarin het woordje ‘rug’ zit. Het zou dan gaan om een straatje aan de achterkant van een chiquere straat, hier bijvoorbeeld de Grote Markt. Hetzelfde ‘rug’ kom je tegen in ons woordje ‘terug’, achteruit. Voor diverse steden lijkt die betekenis juister dan die adellijke ruiters. Maar hierover is het laatste woord vast nog niet gezegd of geschreven.


Intussen passeer je aan je linkerzijde enkele zeer aparte gevels: nr.34, in zuiderse kleuren met de naam Saudade op tegeltjes, daarmee onmiskenbaar naar Portugal verwijzend en het bluesgevoel van de fado-zangeressen. Daarnaast op nr.28 een huis waar de aannemer alles uit zijn koker heeft gehaald om de bakstenen op zoveel mogelijk manieren te verwerken: met bogen, dwars of uitstekend. Aan het eind van dit straatje op nr.14-16 nog een oude klokgevel, waar later art deco-stukken in zijn aangebracht met tegels en zuiltjes.


Aan het eind van de Ridderstraat rechts de Denderbrug over.


AANDACHT: Hier sluit wie de verkorting op de Grote Markt heeft gekozen zich weer bij onze route aan.


DENDERBRUG


In tijden dat de Dender nog een druk bevaren rivier was, lag hier een houten ophaalbrug. Natuurlijk vervelend wanneer er druk scheepvaartverkeer is, dan wordt het lang wachten. Niet voor niets gaat in de filmwereld het gezegde: “Werk nooit met de drie B’s: baby’s – beesten – boten.” Een boot komt namelijk traag op gang, maar is dan niet meer snel te stoppen, zodat even een scène overdraaien enorm tijdrovend is. Zo kan je dus ook bij een ophaalbrug geen verkeerslicht plaatsen, dat de boten een minuutje laat doorvaren en dan op rood springt voor een volgende aankomende boot. Er vaart steeds een hele reeks boten achter elkaar langs zo’n brug.


Om er toch wat aan te doen, is er in 1893 een gietijzeren voetgangersbrug naast die ophaalbrug gelegd. Zo’n passerel kon hoog genoeg worden gebouwd, voetgangers kunnen trappen klimmen. Wat er in de nabije toekomst hier gaat gebeuren, als Dendermonde zijn rivier weer levendiger wil maken door het toelaten van jachten tot in de stad, wordt afwachten.


Pal voor je aan de overzijde van de brug zie je een aparte gevel.


VINKENBORCH–D’HANIS - Vlasmarkt 7-9.


De eerste naam slaat op een huis dat hier in 1375 heeft gestaan. Diverse huizen aan de Vlasmarkt dragen plaatjes met de oude namen erop, uit de dagen voor Napoleon, toen huisnummers nog onbekend waren en gevelstenen een huisnaam vermeldden, die dan bij alle stadsbewoners bekend was. Overigens wijkt onze huisnummering af van de Napoleontische. Hij nummerde niet per straat, maar per wijk. Vandaar dus in Keulen een huis met het nummer Glockengasse 4711, dat u ongetwijfeld kent van de eau de cologne.


Sinds 1923 rijst hier deze gevel van architect Bonte Staes op, met een breed gebogen raampartij – een bowwindow – op de eerste verdieping of bel-etage, waar de salon zich bevond. Door de gebogen lijnen en het kleurgebruik oogt deze gevel slanker dan hij eigenlijk is.


Verder langs de rechterzijde van de Vlasmarkt.


The Four Just Men en Arsène Goedertier – Vervolg


Na zijn onwel worden in de Kerkstraat, is Arsène Goedertier naar zijn zwager Ernest Vanden Durpel hier op de Vlasmarkt gebracht. Terwijl men hem op een matras legt, geeft dokter Romain De Cock een tweede caffeïne-injectie. Hij stelt vast, dat Goedertier een asystolie heeft, een acute hartverwijding waardoor zijn hart niet meer samentrekt en tot stilstand komt. Arsène vraagt om een priester, maar wanneer hij merkt dat ook Joris De Vos aanwezig is, zegt Goedertier dat hij het ook met hem kan doen, omdat hij geen behoefte heeft aan biechten, hij is met zichzelf in het reine. Er wordt niettemin toch een priester gezocht, waarbij men te rade gaat bij de Sint-Pieters-en-Paulusabdij aan de overzijde. Terwijl Joris en Arsène samen in de kamer achterblijven, komt pater Libertus Bornauw binnen, maar Goedertier wuift hem weg en vraagt om hen alleen te laten. Tegen Joris zegt Arsène dan de woorden: “Ik alleen weet waar de Rechtvaardige Rechters zich bevindt.” Hij doelt op een paneel uit De Aanbidding van het Lam Gods, een veelluik van de gebroeders Van Eyck, dat in de nacht van 10 op 11 april 1934 uit de Gentse Sint-Baafskathedraal is gestolen en waarvoor al maandenlang over een losgeld wordt onderhandeld met het bisdom en het gerecht. Op het moment dat hij nadere details schijnt te willen onthullen aan zijn vriend, begeeft zijn hart het en is Arsène Goedertier dood. Tot op vandaag heeft hij gelijk gekregen, ondanks allerhande speurwerk van officiële en would-be detectives tot helderzienden toe, zijn de Rechters nooit gevonden en hangt er in Gent een kopie van dit meesterwerk van de Vlaamse Primitieven.


Na de straat die Sint-Jorisgilde heet, gaat de Vlasmarkt over in de Brusselsestraat – en die nemen we.


BRUSSELSESTRAAT


Het is geen toeval dat juist deze straat de hoofdwinkelas van Dendermonde is geworden. Het is de verbinding tussen de oude stadskern en het in de 19de eeuw gereedgekomen station. Juist het dan nog ontbreken van particulier autobezit zorgt ervoor, dat het spoor populair wordt als reismiddel, zodat er tussen station en stadscentrum een levendige passage op gang komt. Daar wil je als handelaar natuurlijk gebruik van maken. Je ziet datzelfde in de meeste andere steden gebeuren: de Nieuwstraat in Brussel, de Meir in Antwerpen, de Veldstraat in Gent, de Zuidzandstraat in Brugge, de Kapellestraat in Oostende - steeds de kortste weg naar het station. In Brugge en Oostende is dat station later verplaatst naar elders, zodat het lijkt alsof de regel daar niet opgaat. Dat Brugge recent een grote parkeerplaats heeft gebouwd onder het Zand - de plek van het voormalige station - is enkel een onmiskenbare bevestiging dat koning Auto de macht heeft overgenomen ...


Torenstraat


Het eerste gedeelte van de Brusselsestraat heette vroeger Torenstraat, naar een huis met een toren dat hier stond. Je merkt als je een twintigtal meter deze straat bent ingewandeld, dat hij plots breder wordt. Achter je ligt het restant van de oorspronkelijke straatbreedte, toen een autoloze dag nog dagelijkse kost was. Wat verder liep de Torregracht, een eerste oude stadswal met de Torrepoort als afsluiting.


BELLE EPOQUEHUIZEN - Brusselsestraat 2-6.


Woningen die de Eerste Wereldoorlog hebben overleefd. Nr.4, Free Record Shop, met een houten balkon over de volle gevelbreedte. Boven de ramen van nr.6, City Bank, zie je sgraffiti, een typische art nouveau-versiering.


Tusschen Brugghen


Zo heette het stukje straat tussen de Torregracht en de Oude Vest, wat niet gelogen was.


GAZOIL - Brusselsestraat 10.


Merkwaardig is deze eigentijdse kledingzaak. Het rechter gedeelte van de gevel is van voor 1914 met een art nouveau tegeltableau en een erker, links is het wederopbouw in kasteelstijl uit 1922.


Zo komen we bij een rotonde, waar de Oude Vest op de Brusselsestraat aansluit. In het midden staat


ONTPLOOIING


Rotonde Brusselsestraat.


Dit beeld van Jeanne De Dijn geeft op zichzelf al een draai aan deze rotonde. Van onder bekeken, bundelt het eerst de krachten tot een stevig geheel, om die dan bovenaan met nieuwe dynamiek weer te laten uitwaaieren. Je kan het als een symbool zien voor een zich op eigen kracht vernieuwend Dendermonde, dat na tegenslag toch telkens de restanten bijeenpakt en herrijst.


Deze 2,35 m hoge torsie staat hier sinds zaterdag 27 november 1999 en daarmee heeft ook een Dendermondse beeldhouwster van de oudere garde haar plek gekregen in de stad waar ze opgroeide en zich ontwikkelde, zoals dat eerder al het geval was met Jos De Decker, ook zo’n oude crack in z’n vak. Van de kosten van deze bronzen zuil heeft de Rotary Club Dendermonde de helft voor zijn rekening genomen, ‘at your service’!


APOTHEEK - Brusselsestraat 35 / hoek Oude Vest.


Een okergele gevel met hoektorentje.


Aan je rechterhand zie je een poort met een steeg, die leidt naar het


SINT-ALEXIUSBEGIJNHOF - Brusselsestraat 36-38.


Kort na 1259 duiken er in Dendermonde begijnen op, maar nog niet op deze plek. Omdat het oude begijnhof nabij de Sint-Gilliskerk veel wateroverlast kent, krijgen de begijnen op 7 april 1288 toestemming om hun hof naar hier te verplaatsen. Zowel om waterproblemen te voorkomen als uit veiligheidsoverwegingen, wordt dit nieuwe begijnhof aan één kant gebouwd tegen de Rommeleire, het verlengde van de Oude Vest, die uitmondt in de Dender en wordt rond de rest van het hof een smallere gracht gegraven. Daarbinnen ligt dan een bijna driehoekig plein, dat via een smalle doorgang is verbonden met de Sint-Gillisstraat, vandaag onze Brusselsestraat. Een poort aan de straatkant en een tweede poort aan het einde van de doorgang sluiten het begijnhof af van de rest van de stad. De binnenpoort is vandaag vervangen door een hek.


Op dit ruim 2 ha grote hof, worden in 1288 de eerste woningen opgetrokken, dan nog uit vakwerk met leem. Vandaag tel je hier 42 stenen huisjes, gegroepeerd rond een middenplein met de kerk in het midden. Het is de tweede kerk, want de oorspronkelijke is tijdens de Eerste Wereldoorlog verwoest. Deze dateert van 1928 en Oudenaarder Maurice Vostaert tekende voor dit stukje neogotiek, waarin zes glasramen zitten van Cyril Los. Tegen de koorzijde is er nog een Lourdesgrot uit 1877 bij aangesloten, met een beeld van Bernadetje erbij en brandende kaarsjes. In de muren van de kerk zijn de Zeven Weeën van Maria aangebracht. Het zijn terracotta reliëfs van de Gentse beeldhouwer G. Dunstheimer, die nog uit de vroegere kerk stammen.


Hier wonen thans geen begijntjes meer. Ernestine De Bruyne, laatste begijn en grootjuffrouw van het hof, is in 1975 overleden. De huisjes worden nu bewoond door gewone burgers, die ze huren van de vzw Begijnhof van Dendermonde. Toen Ernestine nog leefde, werd enkel aan alleenstaande ongehuwde vrouwen of weduwen verhuurd, omdat op een begijnhof van oudsher geen mannen waren toegelaten. Nu wordt ook aan gezinnen verhuurd, omdat die mee moeten instaan voor het onderhoud en de restauratie van de huisjes. Want dit begijnhof mag dan wel net zoals de andere Belgische begijnhofen sinds 1998 UNESCO-Werelderfgoed zijn, aan zo’n titel hangt geen financiële steun vast, noch enige verplichting tot subsidie van overheidswege.


Natuurlijk heeft dit begijnhof er niet altijd zo uitgezien. Het is begonnen met een paar huisjes helemaal achterin. Merkwaardig genoeg is dat gedeelte vandaag onttrokken aan het begijnhof en er met een muur van afgescheiden. Rond de vroegere kerk stond eeuwenlang een muur, waarbinnen de begijnen hun eigen kerkhof hadden.


Niet lang na de stichting van dit begijnhof maakt de hele Europese begijnenbeweging een moeilijke periode door. De katholieke Kerk staat erg sceptisch tegenover deze alleenwonende vrouwen en is erg bang dat die het allemaal niet zo nauw gaan nemen met een vroom en zedig leven. Ze zouden er wel eens ketterse ideeën op na kunnen gaan nahouden. Daarom worden de begijnen vervolgd door de vorsten in Frankrijk en Duitsland en zal daar de begijnenbeweging ook uitsterven. In de Nederlanden springen een hele reeks gezagdragers voor de begijnen in de bres en komt er een onderzoek, dat bevestigt dat de begijnen zich hier aan hun vrome levensvisie houden en ook de Kerk trouw blijven. Maar intussen hebben allerlei lieden zich reeds meester gemaakt van bezittingen van de begijnhoven en het duurt nog een hele tijd, voordat de teruggave effectief geregeld is.


De begijnen halen hun inkomsten uit schenkingen: rentes (waarbij ze de jaarlijkse opbrengst van een geldsom ontvangen), stukken grond die ze kunnen verpachten of zelf bewerken, verkoop van zelf vervaardigde producten (zuivel, weefsels, kant), verlenen van diensten (wassen, onderwijs geven aan kinderen) en het geld dat ze zelf inbrengen. Begijnen moeten namelijk een hofgeld betalen als een soort aansluitcontributie, bij hun overlijden krijgt het begijnhof een deel van hun erfenis en er wordt van hen verwacht dat ze zelf de bouw van hun huisje betalen, of een leegstaand huisje kopen, danwel een kamer daarin huren. Daardoor hoeven begijnen dus niet te bedelen, maar kunnen begijnhoven op zichzelf overleven.


Maar begijnhoven staan niet buiten het dagelijkse leven en delen dus ook in voorspoed en tegenslag van de hele maatschappij. Zo hebben ze in Dendermonde veel te lijden van de godsdienstproblemen, die zullen leiden tot de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Op 15 september 1578 komt een vreemdeling in hun kerk heibel veroorzaken en dat blijkt het startsein voor een beeldenstorm in alle kerken en kloosters in en rond Dendermonde, waarbij het interieur van die instellingen ernstig wordt beschadigd en veel kostbaarheden verdwijnen. De begijnhofkerk wordt in brand gestoken en in maart 1579 worden alle geestelijken de stad uitgejaagd en nemen ook de begijnen de benen. De calvinistische François de la Kethulle, heer van Ryhove, neemt in Gent het stadsbestuur in handen en deelt hier ook de lakens uit. Het Dendermondse stadsbestuur verhuurt en verkoopt negen verlaten begijnenhuisjes aan particulieren. Wanneer de Spaanse landvoogd Alexander Farnese, hertog van Parma en in Nederland beter bekend onder die naam, op 17 augustus 1584 Dendermonde herovert, vraagt hij alle geestelijken zo snel mogelijk terug te keren en komen een aantal begijnen ook spoorslags weer naar hun huisjes. Maar er dient heel wat gerepareerd te worden en in 1601 leven er een 25-tal begijnen op het hof. Dat is weinig, wanneer je weet dat ze halfweg de 16de eeuw met rond de 300 zijn geweest.


Onder het bestuur van de aartshertogen Albrecht en Isabella zien we een nieuwe bloei, die zich de hele 17de eeuw voortzet tot er in 1691 hier opnieuw 250 begijntjes leven. Die hebben dus niet allemaal een eigen huisje, een deel van hen verblijft in een convent, waar vooral nieuwkomers die niet zo rijk zijn samenleven. Ook worden de verhuurde woningen met diverse begijnen gedeeld, die dan elk hun eigen kamer hebben.


In de 18de eeuw is er een gestadige achteruitgang van het aantal begijntjes in Dendermonde en zien we hun aantal tot 77 dalen. Er zijn wel tien ex-nonnen hier komen wonen, nadat de Oostenrijkse keizer Jozef II alle kloosterorden heeft afgeschaft, die niet hun handen uit de mouwen staken ten nutte van de burgers, de zogeheten contemplatieve orden. Maar het kon nog erger. Wanneer de Fransen de Oostenrijkse Nederlanden eerst bezetten in 1794 en dan als deel van Frankrijk inlijven, leggen ze de begijnen eerst een oorlogsschatting op van 10.000 gulden om het hele begijnhof op 25 september 1798 en alle daarmee verbonden goederen over te dragen aan de Burgerlijke Godshuizen. Daardoor bestaan er in feite geen begijnen meer, alleen nog gewone vrouwen, die hier wonen. Dat alle huisjes niet worden verkocht, is enkel te danken aan gewezen grootmeesteres Landuyt, die tot directrice van de infirmerie – het ziekenhuisje – is benoemd en in 1799 alle huisjes gaat huren. Pas op 2 juli 1814 mogen de begijntjes zich weer in hun normale kleding vertonen.


Kort daarop is het afgelopen met de Franse overheersing, maar de Nederlandse koning Willem I, noch na 1830 de kersverse Belgische overheid, zijn van plan om de begijnen hun bezittingen terug te geven, die de Fransen hen hebben afgenomen. Daardoor zijn de begijnhoven hun belangrijkste inkomstenbronnen kwijt en dat maakt het minder aantrekkelijk voor vrouwen om begijntje te worden.


In Dendermonde wil in 1860 het liberale stadsbestuur zelfs overgaan tot verkoop van het hele begijnhof. Daar kunnen de Gentse baron Frederik van der Brugghen en zijn vrouw barones Georgine de Naeyer een stokje voor steken, door in overleg met de Gentse bisschop zelf het hele begijnhof voor 170.027 goudfrank te kopen in 1866 en het vervolgens voor een jaarlijkse huursom aan de begijnen ter beschikking te stellen voor 50 jaar, wat in 1890 met nog eens 25 jaar verlengd wordt. Maar na het overlijden van deze weldoeners willen hun erfgenamen toch een deel van het begijnhof verkopen, waarbij ze weliswaar genoeg huisjes zullen overhouden voor het dan erg afgenomen aantal begijntjes. Op 25 juni 1926 wordt de vzw Begijnhof van Dendermonde opgericht, die voortaan moet zorgen het hof in stand te houden en daarom 42 huizen, de pastorij en de vernielde kerk in eigendom krijgt. De 19 woningen aan de westzijde van het hof en huizen aan weerszijden van de poort aan de Brusselsestraat worden verkocht door de erfgenamen van de baron. Een muur met schijndeurtjes wordt als afscheiding gebouwd.


Een rondgang door het Dendermondse begijnhof:


Voordat je het hek doorgaat, kom je langs de pastorie, die zich uiteraard buiten het eigenlijk hof bevindt. Vroeger was die zelfs door een gracht afgescheiden van de rest van de huisjes, de pastoor mocht niet ongezien het begijnhof betreden. Naast de deur een bronzen gedenkplaat voor Daniël Evrard, die tussen 1979 en 1992 hier als pastoor veel initiatieven heeft genomen om dit begijnhof in stand te houden, onder meer door het organiseren van Begijnhoffeesten.


De pastorie wordt geflankeerd door een kleuterschooltje.


In plaats van een hek, stond er vroeger een echte poort, tussen twee portieressenhuisjes. Van daaruit hielden twee begijntjes toezicht op wie in en uit het hof ging. Een boeiende functie, zij konden lekker roddelen over het doen en laten van hun mede-begijntjes.


Rechts van het hek staat de Heilige Antoniuskapel uit 1889 met links en rechts van de toegang beeldjes van Donatus en Rochus. De initialen J.B.D.S. betekenen Joannes Baptista De Smedt, de pastoor die deze kapel heeft laten bouwen.


Niet ver van het toegangshek lag tot 1729 de oude waterput, die in dat jaar door een nieuwe met een pomp erop is vervangen. De pomp staat er nog, is in 1987 hersteld, maar lijkt best een nieuwe onderhoudsbeurt te kunnen gebruiken.


We wandelen nu met de klok mee het begijnhof rond:


Nr.2-3-4: Michael-Gabriël-Raphaël


Drie kleine huisjes, genoemd naar de aartsengelen, daterend van ca. 1660-1665.


Nr.5: Engelen


Deze engelen zijn nog zo’n 20 jaar ouder dan de aartsengelen. Je ziet dat de witte banden geverfde bakstenen zijn en geen ‘speklagen’ uit natuursteen, al suggereren ze dat wel.


Nr.6-7-8: Jozef-Alexius-Hilduardus


De eerste huisjes aan de lange noordzijde van het hof dateren uit de late 16de eeuw van net na de Beeldenstorm. Het verbaast misschien dat patroonheilige Alexius zo’n bescheiden huisje heeft gekregen. Maar Alex is eigenlijk pas in de 19de eeuw echt op de voorgrond getreden. Voordien werd niet gesproken over het Alexius Begijnhof en was Onze-Lieve-Vrouw veel belangrijker als beschermvrouwe. Bovendien moest Alexius zijn status nog delen met Agatha van Catania, die op hetzelfde altaar in de begijnhofkerk werd vereerd.


Nr.9-10: Bavo-Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdes


In november 1635 begint meester-metselaar Merten Marien samen met meester-timmerman Abraham van Calendries aan deze beide huisjes en in mei 1636 zijn die zover gevorderd, dat smid Gilles Dhont het ijzerwerk kan uitvoeren. Ze zijn gebouwd in opdracht van het begijnhof zelf, dat ‘Bavo’ verhuurt en ‘Onze-Lieve-Vrouw’ verkoopt aan begijntjes.


Nr.11: Bonifacius


Bij Bonifacius staat nog een begijntje naast de deur. Hier is lange tijd het Begijnhofmuseum gehuisvest geweest, voor het naar de infirmerie werd overgebracht.


Nr.12-13: Lambertus-Ursmarus


Ursmarus is gerestaureerd en pronkt nu met mooie zandstenen raamlijsten en een arduinen deurrand. Lambertus, die onder hetzelfde dak woont, moet nog wat wachten. Hij is dat gewend, deze bisschop die vermoord is aan de rivier de Legia, waarlangs later de stad Luik is gegroeid tot een prins-bisschoppelijke hoofdstad.


Nr.14: Medardus


Deur en vensters zijn midden 19de eeuw vernieuwd. Medardus is de patroonheilige van de paraplumakers, u bent gewaarschuwd.


Nr.15: Hubertus


Een gerestaureerde dubbele woning; één deur met daarachter een gemeenschappelijke gang naar alle kamers.


Nr.16-17-18: Floribertus-Vulmarus-Adelardus


Drie tegelijk gebouwde huizen uit 1658-’59, waarbij begonnen is met Adelardus om zo verder naar links te bouwen tot en met Floribertus.


Nr.19: Guido


In de voorganger van dit huis leefde in 1590 Lysken Shertoge, die kosteres van de begijnhofkerk was.


Nr.20: Convent der HH. Harten van Jezus, Maria en Jozef


Sinds eind 18de eeuw wordt dit in 1789 verbouwde dubbelhuis ook Krankenhuis genoemd. Aanvankelijk is het dus een woning waarin nieuwe begijntjes of armere begijnen samenwonen. Wanneer in januari 1788 enkele begijnen vragen om een ‘infirmerie’ in te richten, een huis waar zieke begijntjes verpleegd kunnen worden, wordt het jaar daarop deze woning daarvoor uitgekozen. Aan het hoofd van zo’n ‘krankenhuis’ staat een meesteres. Ook oude begijntjes kunnen hier ter verzorging verblijven, maar daar moet dan wel voor betaald worden. Tussen 1990 en 2003 doet dit pand nog dienst als Rusthuis van de Gasthuiszusters Augustinessen van Lier onder leiding van zuster Jozefa. Die Lierse gasthuiszusters zijn het hoofdhuis van de gasthuiszusters die in Dendermonde in het Onze-Lieve-Vrouw van Troostziekenhuis aan de Gentsesteenweg hebben gewerkt.


Nr.21-22: Convent van de Acht Blijdschappen


Een zeer breed, maar oorspronkelijk slechts één kamer diep huis. Boven de ingang is een zandsteen aangebracht, waar je Gabriël de Blijde Boodschap aan Maria ziet brengen – hij zal er de beschermheilige van de postbodes door worden. Daaronder de tekst: TCONVENT GEFYN/DERT TR EERE GOD/EN DE VIII BLYSCAPP/ VAN H.MOEDER EN/MAGHET MARIA – A°1626. Dit convent is een schenking van de Antwerpse apotheker Franchois vander Nimmen ter nagedachtenis van zijn twee vrouwen Digna van Mockenbroeck en Anna Sneeuwaters en zijn inmiddels eveneens overleden zonen en dochters. Daarom wordt ook gesproken over het Vaderconvent. François zorgt ook voor het onderhoud van de inwoonsters, want hij schenkt grond in Denderbelle, die voldoende opbrengt om acht arme begijntjes in leven te houden. Nu kennen we van Maria zeven blijdschappen, naast de vaker genoemde zeven weeën. De achtste blijkt de Hemelvaart van Maria te zijn geweest volgens 16de eeuwse teksten.


Nr.23: Gerardus of Rapenborch


In dit laatste huis van deze rij is op 29 februari 1886 Joanna Francisca Verhelst vermoord door Gilles Deck. Hij is een 28-jarige Dendermondenaar die het in zijn geboortestad voor bekeken houdt en zich dan maar heeft aangemonsterd als matroos op een schip naar Amerika. Om ginds al wat geld te hebben, gaat hij aan de vooravond van zijn vertrek op rooftocht. Als inbreken op de Vlasmarkt niet lukt, sluipt hij om twee uur ‘s nachts langs de vestingwal naar de achterkant van het begijnhof. Daar springt hij over de gracht rond het hof, klimt over een haag en ziet kans via de aanpalende woning van de zussen Stefanie en Marie Verhas, die voor de begijntjes de strijk verzorgen, op het binnenplein te komen. Toevallig heeft Rapenborch geen vensterluiken, zoals de andere huisjes, dus daar kan Gilles een ruit uithalen, wat hij kennelijk vaker heeft geflikt, want hij gaat nogal vakkundig tewerk. Hij klimt de woning binnen, doorzoekt eerst stilletjs de ruimte beneden, om dan de trap op te sluipen. Boven schiet Janneke in haar bed plots wakker en begint wild om zich heen te slaan. Gilles geeft haar een dreun op haar hoofd en steekt een mes in haar hart, waarna hij het stervende 43-jarige vrouwtje voor dood achterlaat, al haar geld meeneemt en zich langs dezelfde weg uit de voeten maakt.


‘s Morgens zien ze Gilles op het station, wachtend op de trein van 8.45 uur naar Antwerpen. Maar hij gedraagt zich zo zenuwachtig, dat het stationspersoneel het maar verdacht vindt en er de chef bijroept. Die stuit op een zak met wasgoed, dat kennelijk niet van Gilles is en roept de politie. Er blijkt nog bloed aan Gilles’ handen te kleven en bij een huiszoeking vinden ze nog wat geld en gestolen goederen terug, zodat hij meteen hangt. Het Gentse Assisenhof veroordeelt onze gelukszoeker tot de doodstraf. En de marktzangers hebben een nieuw lied: “de Moord op een begijn in Dendermonde”.


Nu gaan we naar rechts, waar we de muur passeren die de in 1926 door de erfgenamen van de baron verkochte huisjes scheidt van de rest van het begijnhof.


Aan deze westzijde hebben de woningen hun voordeur nu aan de vroegere achterkant, die aan de Begijnhoflaan grenst. Maar ga daar liever niet kijken, want tussen huisjes en straat hebben de nieuwe bewoners allerlei aanbouwsels toegevoegd, die de oude begijnenwoningen onherkenbaar maken. De poortjes in deze muur zijn ‘fake’, ze kunnen niet open. Wat opvalt, is dat ze allemaal de naam van een vrouwelijke heilige dragen. Alsof het vooral de vrouwen zijn, die hier verkocht werden.


Zo komen we aan het eind van de muur bij een kleine uitsprong. Daar was eertijds het Klein Begijnhof, grenzend aan de Rommeleir-stadsgracht.

 

Aanvankelijk lag hier een boomgaard, waarin rond 1655 zeven huisjes worden gebouwd om de grote toeloop aan nieuwe begijntjes op te vangen. Die worden in 1835 echter opnieuw afgebroken om plaats te maken voor een groot huis, waarin de Fundatie Verpletsen wordt ondergebracht. Die stichting bestond reeds van 1670 als initiatief van Joanna Verpletsen, die met vier andere Dendermondse dames een huis aan de Vlasmarkt ter beschikking stelde van vijf arme weesmeisjes. Na de Franse tijd werd deze stichting beheerd door het Bureel van Weldadigheid en naar hier overgebracht. Er woonden toen een aantal religieuzen, plus vijf weeskinderen. In 1864 wordt deze fundatie opgeheven en twee jaar later met de rest van het begijnhof verkocht aan baron en barones van der Brugghen-de Naeyer. De begijntjes gebruiken het pand een tijdlang als novicenhuis, dus voor nieuwkomers. Na de Eerste Wereldoorlog is dit uitgebrande pand verkocht aan particulieren en toen van het begijnhof afgescheiden met een tuinhek. De ingang ligt nu aan de Begijnhofstraat.


We draaien nogmaals een kwartslag naar rechts, om aan de huisjes aan de noordzijde van het begijnhof te beginnen. We starten meteen goed:


Nr.24-25: Infirmerie-Woning van de Grootjuffrouw/Begijnhof-Volkskundemuseum


De Infirmerie was een soort rusthuis voor oude, arme begijntjes, waar ook een kapel bij hoorde. Zo hoefden die vaak gebrekkige vrouwen niet het huis uit om de mis in de begijnhofkerk bij te wonen. Wellicht al vrij kort na de stichting van het begijnhof is hier een eerste gebouw neergezet. Dat heeft een lange geschiedenis gekend, waarbij in 1616 in de infirmerietuin een brouwerij wordt opgericht. Die staat meteen langs het water. Bier drinken is gezonder dan water uit de gracht halen, want het brouwwater wordt gekookt. Toch loopt daardoor niet iedereen de hele dag beschonken rond, want het is zogeheten ‘klein bier’. Dat is het derde brouwsel dat met dezelfde grondstoffen wordt gebrouwen. Vergelijk het met een theezakje, waar je voor de derde keer thee van trekt in heet water. Veel meer dan dorstlessend was dat klein bier dus niet.


In 1709 wordt de eerste steen voor een nieuwe infirmerie gelegd, het gebouw dat nu nog overeind staat en Barbara als heiligennaam draagt. De oude infirmerie – huisje Begga – blijft echter behouden en wordt voortaan de woning van de grootjuffrouw, zeg maar de directrice van het begijnhof. De laatste bewoonster was Ernestine De Bruyne, die van 1939 tot haar dood in 1975 grootmeesteres en tevens laatste Dendermonds begijntje is geweest.


Vandaag worden beide gebouwen ingenomen door het Begijnhofmuseum, dat naadloos overloopt in het Museum voor Volkskunde. Je kan in vele voor- en achterkamertjes en op drie verdiepingen heel veel te weten komen over Dendermonde in al zijn facetten. En je zal ook menig voorwerp tegenkomen, dat de ouderen onder ons nog zullen herkennen als iets uit hun jeugd. Trek er wat tijd voor uit, je zal er geen spijt over hebben.


Openingsuren Begijnhofmuseum/Volkskundemuseum:

apr.-okt. za.zo. 10-12/14-18u., wo. 14-18u., tel.052/21.30.18.


Via de noordzijde terug naar de uitgang:


Calvariekapel


Op een hoek van de infirmerietuin is in 1883 deze kapel opgericht door pastoor Desiderius Massot, meesteres Francisca De Bock en ondermeesteres Maria Justina Van Uytfanck. Het kruis met Christusbeeld is ouder en komt van een calvarie, die tegen de buitenmuur van de oude begijnhofkerk was opgericht. Deze calvarie is in 1791 afgebroken, maar eind 1882 ontdekt pastoor Massot het kruisbeeld op de kerkzolder. De Gentse beeldhouwer Mathias Zens – afkomstig uit het Duitse Scharzenborn – heeft het beeld gerestaureerd.


Nr.28: Heilig Geesthuis


Oorspronkelijk is dit convent al voor 1480 gesticht, maar in 1610-’12 wordt het verbouwd en komt er een verdieping bovenop. Hier brachten jonge meisjes onder leiding van een conventmeesteres hun leerjaren door. Op 5 oktober 1993 heeft CM-Ziekenzorg het huis in gebruik genomen als vrijetijdscentrum voor zorgbehoevende bejaarden, die er gezamenlijk en samen met verpleegsters en verplegers de dag komen doorbrengen. Binnen is er nog een grote pompsteen aanwezig en in de tuin zijn er religieuze monogrammen gecreëerd met planten.

De andere huisjes die hier staan hebben vrijwel allemaal een witgekalkte gevel, wat hen onderscheidt van de bakstenen huisjes aan de overzijde. Ze worden nu aan particulieren verhuurd. Omdat je er toch niet binnen kan, gaan we er niet nader op in.


Bij het verlaten van het begijnhof passeer je in de lange toegang nog het


BEELDJE VAN DE HEILIGE BEGGA


Zij is pas sinds de 15de eeuw patroonheilige van de begijnen. En dat komt enkel en alleen omdat haar naam aan begijntjes doet denken. Want Begga is een dochter van Pepijn van Landen, hofmeier van de Merovingische vorsten, en zuster van Gertrudis, abdis van het klooster in Nijvel (Nivelle). Begga zelf wordt na de dood van haar man eveneens abdis, van een door haarzelf gesticht klooster in het Waalse Andenne. Dat was al in de 7de eeuw, toen er nog helemaal geen sprake was van begijnen.


Luister nog even voor je weer de drukte ingaat - heb je gemerkt hoe stil het hier is ?


Terug naar de Brusselsestraat en je weg vervolgen naar rechts.


Je komt nog langs :


nr.50 Neuhaus – een gevel met groene tegeltjes.


nr.56 – een geslaagde combinatie van belle-époque met een eigentijds groen balkon.


nr.66 ‘t Portael – stemmige wederopbouw uit 1921.


Aan je linkerzijde zie je weldra de


SINT-GILLIS-BINNENKERK - Brusselsestraat/Heldenplein.


Machteld I, vrouwe van Dendermonde, verenigt het vrome met het nuttige wanneer zij rond 1215 een Sint-Gillisgasthuis sticht langs de hoofdweg naar Brussel. Daar kunnen zieke mensen terecht, die kunnen rekenen op liefdadige verzorging, al is er in die dagen van echte medische kennis nog geen sprake. Heb je geluk, dan overleef je, anders sterf je tenminste zonder echt te kreperen. Ook reizigers zonder onderdak en zonder financiële middelen kunnen vaak in zo’n hospitaal een nachtje doorbrengen.


Aegidius is een Athener, die als kluizenaar in de Provence is gaan leven en het rond 720 tot eerste abt brengt van het later naar hem genoemde Saint-Gillesklooster in Nîmes. Hij heeft daar niet de denim uitgevonden, maar is wel patroonheilige geworden van jagers, herders en boogschutters - natuurmensen dus - plus een van de veertien heiligen die als ‘noodhelper’ uitrukken bij rampen en ziekte, vandaar dat kreupelen en schipbreukelingen ook de weg naar Gillis kennen. Zo iemand wil je uiteraard wel achter de hand hebben als je een hospitaal sticht, vandaar.


In Machtelds Sint-Gillisgasthuis werken aanvankelijk gewone vrouwen als helpsters. Op 11 oktober 1223 staat bisschop Godfried de Fontaine van het bisdom Kamerijk, waaronder Dendermonde dan ressorteert, aan Machteld toe om van haar gasthuis een cisterciënzerinnenabdij te maken. Dat geeft zo’n stichting wat meer allure. De gasthuishelpsters moeten dan kiezen: non worden, of de nonnen ten dienste blijven staan als lekenhelpster. Blijkbaar is het reeds in die dagen wat rumoerig in deze stad, want op 14 juni 1228 staat de bisschop toe, dat de abdij verhuist naar rustiger oorden: de Zwijvekekouter, waar de oude kerk van Zwijveke lag. Vandaag is dat de Boonwijk van deelgemeente Sint-Gillis. De oude naam Zwijveke is afgeleid van een Gallo-Romeinse persoonsnaam, Suevus. Die woonde daar in zijn Suiviacum, zeg maar Zwiveke, een grote boerderij.


De oude kerk aldaar speelt stuivertje wisselen met de abdij, dus die kerk verhuist naar hier. Als Dendermonde in 1230 voor een derde keer zijn grondgebied uitbreidt door ruimere stadswallen aan te leggen, komt die kerk binnen de muren te liggen en spreken we voortaan van Sint-Gillis-Binnen, of wat gesofistikeerder, Sint-Egidius intra muros.


In feite is onze eerste Sint-Gillis de hospitaalkapel. In de 13de, 14de en 15de eeuw wordt er een echte kerk gebouwd in eenvoudige stijl, waarvan de stevige vierkante toren in Balegemse steen nog overeind staat, ietwat achter de huidige kerk. Het onderste torengedeelte is duidelijk wat ouder dan de rest, dat is rond 1444 opgetrokken maar nooit helemaal afgeraakt. Wel hangt nog altijd de klok die Pieter Waghevens hier in 1525 leverde in deze toren. Ook nog aanwezig zijn de sacristie en het oude koor achter de toren - nu bergplaats -, zoals je opzij vanaf het plein kan zien. Dat komt omdat de benedenkerk voor de zowat 1900 inwoners van dit stadsdeel midden 18de eeuw wat te krap in het pak zit, zodat ingenieur Judocus Siebens in 1779-‘81 een wat ruimer gebouw mag neerzetten. Drie beuken onder één zadeldak en echt veel geld wordt er dan niet tegenaan gesmeten, want de voorgevel wordt niet afgewerkt en de arduinen ingang uit 1741 van de oude Sint-Gillis wordt daar tegenaan geplakt. Ook binnen blijft een en ander bij het oude: communiebank, preekstoel en vier biechtstoelen.


In 1912-‘13 is het dan aan architect Valentin Vaerwyck - we kennen de man intussen - om wat te gaan restaureren. Van hem is dan ook de neobarokke gevel, waar hij wel de oude 18de-eeuwse poort in laat aanbrengen om de kerkgangers toch wat vertrouwds te laten. De glasramen in deze gevel zijn van de Gentenaar Camille Ganton-Defoin. De Gentse bisschop mgr. A. Stillemans en paus Pius X mogen er hun wapenschild boven hangen.


Sint-Gillis heeft als patroon van de boogschutters alvast gezorgd dat het geschut in beide Wereldoorlogen hier geen schade toebracht.


Interieur


Staat de deur op een kier, stap dan maar even binnen in het nogal heldere interieur. Tussen de beelden ontdek je onder de preekstoel een Bernardus uit 17de-eeuws wit marmer, die vanuit de afgebroken Zwijveke-abdij naar hier is gekomen. Gillis zelf is aanwezig op het altaarschilderij van Frans Verhas, waar hij kreunt, geveld door een pijl van een jager, die bestemd was voor de hinde die onze kluizenaar met eigen lijf en leden trachtte te beschermen. Het dier gaf hem namelijk dagelijks verse melk en zo blijft een mens fit. De man die Gillis ondersteunt is Wamba, koning der Westgoten. Hier staan drie altaren bij elkaar: links van Maria, in het midden het hoofdaltaar en rechts dat van Gillis. Let even op de reliëfs op elk altaar: treurende Maria, Heilig Aanschijn, de apostel Johannes - precies zoals je ze ook veelal tegenkomt op zo’n calvarieberg met middenin een kruisbeeld waaraan Christus hangt en links zijn moeder, rechts zijn ‘meest geliefde’ leerling. Kijk nog even om naar de orgelkast uit 1873, waarachter het orgel van Lambert Van Peteghem uit 1778 verstopt zit.


Van de glasramen komen er vier uit het Duitse Linnich, waar glazenier Oidtmann zijn atelier heeft in 1871-’73, zes zijn in 1878-’87 gemaakt door Jules Bernaerts uit het nabijere Gent en Sint-Gillis en Sint-Joris zijn de benjamins uit 1956, je vindt hen in het koor. Soms mogen ze meezingen als hier concerten worden gegeven voor beperkt publiek.


Naast de kerk ligt het Heldenplein, mét monument, maar ook met fonteinen.


Niet slecht gekozen om hier de oorlogsdoden te herdenken, ooit lag hier het kerkhof van de Sint-Gillisparochie.


Wandel de Brusselsestraat verder uit.


MARICOLENKLOOSTER – HUIZE MARIATROON - Brusselsestraat 88-90.


Op 20 juni 1658 laat Hilduard d’Haens, pastoor van de Sint-Gilliskerk en tevens landdeken, een legaat na. Daarmee wordt in de Groenstraat, thans het stukje Zwijvekestraat tussen de fonteinen op het Heldenplein en de Nijverheidsstraat, een onderkomen voor oude vrouwen gesticht in de gebouwen van een vroegere kluis, waar ooit het deel van de vrijgevochten dames die niet naar het begijnhof wilden hadden gewoond. Al in 1663 neemt Anne Puttemans het initiatief om daar een maricolen klooster van te maken. Dat heeft succes totdat in de Franse tijd alle kloosterorden aan de kant worden geschoven en in de gebouwen voortaan krankzinnigen worden afgezonderd. Die instelling wordt na het verdwijnen van de Fransen overgenomen door de teruggekeerde maricolen, maar later verplaatst naar Lede, een dorp nabij de stad Aalst. Intussen zijn de maricolen zelf vanaf 1850 in het leegstaande brigittinen klooster gaan wonen, dat zich uitstrekte op de plek waar je nu staat. Ze gaan zich hier bezighouden met bejaardenzorg.


Wanneer in 1914 ook hun gebouwen worden vernield, volgt nadien de bouw van het klooster-rusthuis dat nu hier verrijst. Gelukkig hebben de bejaarden sinds de jaren ’80 een modernere accommodatie gekregen in een gebouw aan de achterzijde, waar ook een grote tuin ligt. Er hoort zelfs een moderne kapel bij met glasramen uit 1984 van Herman Mortier.


BOMVRIJ ARSENAAL - Zuidlaan – toegang via Bijvang.


Wie durft en voldoende interesse heeft, kan even de privacy van bejaarden en zusters schenden door langs de slagboom in de steeg met de naam Bijvang terzijde van de Brusselsestraat naar de grote tuin te wandelen. Daar doemen de restanten op van het grote arsenaal dat de Hollanders hier tussen 1820 en 1825 hebben gebouwd als onderdeel van de vesting Dendermonde, bedoeld om eventuele Franse annexatiegedachten na Waterloo meteen te ontmoedigen. Deze opslagplaats voor wapens en munitie moest tegen een vijandelijk stootje kunnen en daartoe is er een dikke laag aarde op het stevige dak aangebracht. Die moest eventuele voltreffers door mortieren – geschut dat van dichtbij wordt afgevuurd en waarbij de granaten een hoge, spitse boog afleggen – in de kiem smoren. Je ziet dat nu op het restant van dit enorme bouwwerk nog steeds wat wilde planten welig tieren.


Terug naar de Brusselsestraat voor een afsluitend stukje geveltoerisme.


TORNADO WASH - Brusselsestraat 81.


Een gevel met getorste zuilen, van na 1918, maar refererend naar de 17de-eeuwse barok, toen krullen cool waren.


FABRIKANTENWONING - Brusselsestraat 99-101.


Vandaag is het gelijkvloers verdeeld tussen een restaurant en een winkel, maar dekenfabrikant L. De Schrijver kon er vanaf 1901 nog alleen van genieten. Zo’n puzzel van versierende elementjes in een amalgaam van bouwstijlen noemen we eclectisch. Puzzel met het woord zelf en je krijgt iets als ‘selectie’, dat is het dus, een keuze uit het architectuurrepertoire.


BELFIUS BANK - Brusselsestraat / hoek Zuidlaan.


De koepel is wederopbouw, maar voorheen woonde op deze plek kolonel Evariste Tégmenne, stamvader van een heel geslacht van fotografen.


Nu kan je aan de overzijde van de rotonde schuin rechts de Stationsstraat kiezen om terug op je vertrekpunt te komen en hopelijk je eigen ros Beyaert ongeschonden terug te vinden, tenzij je dat laat voorrijden door De Lijn of NMBS.


INFO


Dendermonde openingstijden :


Dienst Toerisme en Stadspromotie, Stadhuis, Grote Markt 1, tel.052/21.39.56. – toerisme@dendermonde.be

1 apr.-30 jun./1-30 sep. ma.-vr. 9-12/13.30-16.30u., za.zo. 10-12/13.30-18u.; 1 jul.-31 aug. ma.-zo. 9-18u.; 1 okt.-31 mrt. ma.-vr. 9-12/13.30-16.30u., za. tijdens schoolvakanties en elke zo. 10-12/14-16.30u.


Zwijvekemuseum, Nijverheidsstraat 1, tel.052/21.30.18. – musea@dendermonde.be

ma.-vr. 9-12/13-16u., 1 apr.-31 okt. ook zo. 14-18u.


Stadhuis, Grote Markt 1.

Openingsuren via Toeristische Dienst tel. 052/21.39.56.


Vleeshuismuseum, Grote Markt 32.

1 apr.-31 okt. 9.30-12.30/13.30-18u.


Begijnhofmuseum & Museum voor Volkskunde, Sint-Alexiusbegijnhof, Brusselsestraat 36-38.

1 apr.-31 okt. 9.30-12.30/13.30-18u.


Onze-Lieve-Vrouwekerk, Onze-Lieve-Vrouwekerkplein.

1 jul.-31 aug. ma.-zo. 14-17u. Gids veelal aanwezig.


Liturgisch Kunstapostolaat Dendermonde, Dijkstraat 32-34.

ma.-vr. 9.15-11.30/14-17.15u., Za. 9.15-11.30u., zo. gesloten.


Cultuurcentrum Belgica, Kerkstraat 24, tel.052/20.26.26. – info@ccbelgica.be


Honky Tonk Jazz Club & Jazz Centrum Vlaanderen, Leopold II-laan 12, tel.052/52.04.66. – www.honkytonk.be, www.jazzcentrumvlaanderen.be