
HSP
Joseph-Jacques Ducaju (1823-1891)
Op 31 augustus 1823 krijgt Maria De Beuckelaer in Antwerpen een zoon. De vader is Alexander Ducaju en de spruit krijgt de troetelnaampjes Joseph Jacques. In zijn latere leven zal Joseph het ver brengen, maar toch nooit helemaal dé grootste naam worden als beeldhouwer. Dat begint al wanneer hij op de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten na het volgen van lessen van Jozef Geefs in 1846 de tweede plaats voor de Prijs van Rome behaalt. Dat cijfer twee komt vaker voor in Josephs leven: na de academie in de leer bij beeldhouwers Govaerts en Vandermeer, tweemaal getrouwd, eerst met Maria Ulrichs, daarna met Maria Broeckx – inderdaad, twee Maria’s. En na zijn overlijden in Antwerpen op 5 juli 1891 worden er ook twee portretten van hem gemaakt. Het ene door Joseph Dupont, dat zich in het Amsterdamse Rijksmuseum bevindt, het andere door Louis Ghémar, dat in het Antwerpse FelixArchief wordt bewaard. Niettemin brengt Joseph Jacques het tot professor aan de Koninklijke Academie van Antwerpen, wordt hij lid van de Koninklijke Academie van België, lid van de Commissie van Monumenten en van de Commissie van het Museum van Oudheden. Maar hoe zit het met zijn eigen werk? Het begint heldhaftig in 1861 met het standbeeld van Buduognat, leider van de Nerviërs die het waagt om zich te verzetten tegen Julius Ceasar op het rondpunt van wat dan nog Leopoldlei heet, genoemd naar de prins Leopold , de latere koning Leopold II. Als de bewondering voor Leopold II afneemt na minder fraaie berichten uit Congo Vrijstaat, krijgt die laan in 1919 een andere naam: Belgiëlei. Maar ook Buduognat vergaat het slecht. Wanneer er trams door de Belgiëlei gaan rijden, wordt hij een sta-in-de-weg en daarom afgebroken in 1954 voor rechte tramsporen. Zijn hoofd en schouders worden gered en belanden in de Zoo. Maar recent is onze oppernerviër daar ook weer weggehaald en hij ligt nu in het zogeheten Openlucht depot van het Middelheimpark, in gezelschap van andere standbeelden die op restauratie wachten. En op herplaatsing. Of dat nog in Antwerpen wordt is een vraag, want er wordt actie gevoerd door een actiegroep uit het Zuid-Oost Vlaamse Herzele, waar men als gebied waar ooit de Nerviërs resideerden hun held terugeisen. Sterk argument: onze Nerviër hoort niet thuis in een stad waar de burgemeester vaak het Latijn van de Romeinse tegenstander spreekt. Dan volgt een grafmonument voor het echtpaar Peter Jodocus van Oosthuyse en Margaretha de Jongh in de Sint-Petrus’ Bandenkerk in het Nederlandse Rijsenburg. Peter was aannemer, die heel Rijsenburg in bezit had en zelf die kerk laat bouwen in 1810 als eerste katholieke kerk in Nederland na de protestantse Reformatie en ook nog eens de enige in empirestijl. Hun kinderen geven de opdracht tot het monument, dat zich vooraan in een kapel bevindt. De Belgische gemeente Brecht wil een standbeeld oprichten voor de grote 16de-eeuwse humanist Gabriël Mudaeus, aldaar geboren in 1500. Aangemoedigd door de Belgische overheid die met dit soort standbeelden het Belgiëgevoel bij de burgers van de nieuwe staat wil aanmoedigen en daar ook nog eens subsidie voor geeft, wordt Joseph Ducaju in de arm genomen en op 10 september 1865 kan de inhuldiging plaatsvinden. Als men op 5 september 2010 wil herdenken dat Mudaeus dan net 450 jaar geleden in Leuven is overleden, wordt het plein waarop het standbeeld staat heraangelegd. Gabriël moet daarvoor enkele meters opschuiven, maar het stramme oudje redt dat niet en loopt schade op. Die wordt hersteld bij een volledige restauratie, maar het is toch altijd wat met die beelden van Ducaju. Na Mudaeus is het de beurt aan David Teniers in Antwerpen. Dat is de stichter van de academie waar Ducaju het vak heeft geleerd, zoals blijkt uit een bul van de Spaanse koning Filips II waarmee onze schilder zwaait. Op de rugzijde van de sokkel staat een gevleugelde stier en de tekst ‘In jonsten versaemt’. De leuze ‘voor ons genoegen bijeen’ komt van de rederijkerskring De Violieren en de stier is het symbool van evangelist Lucas, patroon van de schilders omdat hij ooit een portret van Maria zou hebben gemaakt. Samen komen ze terug in het logo van de Antwerpse academie. In 1867 gaat het werk van Joseph Jacques weer binnenskamers, in feite binnenskerks, dan beeldhouwt hij een Sint-Joris en de draak onder de preekstoel van de Sint-Joriskerk te Antwerpen. Drie jaar later wordt er voor de net overleden Antwerpse schilder van historische taferelen een standbeeld opgericht, waarvoor in 1871 het ontwerp van Ducaju wordt gekozen door het stadsbestuur, al is hij pas –jawel – tweede voor de jury die de ontwerpen beoordeelde. Nu was Leys vrij klein van stuk en dat staat niet echt voor een standbeeld op een sokkel. Daarom laat de Joseph de kunstschilder Rik Schaeffels model staan, die is wat groter uitgevallen. Eigenlijk gaf Ducaju de voorkeur aan uitvoering in witte steen, maar het stadsbestuur hield vast aan brons. De schoonvader van J.J. Ducaju is Corneille Broeckx, een arts met een bijzondere interesse voor de geschiedenis van de geneeskunde. Hij heeft de Antwerpse apotheker Peeter Van Coudenberghe van onder het stof der historie gehaald, wat later tot diens beeld in de Antwerpse Botaniek zal leiden. Onze arts is medestichter van de Société de médicine d’Anvers en dat weet de Académie royale de Médicine de Belgique in Brussel te waarderen. Ze willen in 1871 voor hun lokalen een standbeeld van hem en wie anders dan zijn schoonzoon zou daarvoor kunnen zorgen? Leopold II wordt eind 19de eeuw toch populair en het is in 1873 Ekeren, dan nog niet ingelijfd bij Antwerpen, dat deze vorst als eerste gemeente op een sokkel wil zetten. Ducaju is hun man. En hij mag het nog eens overdoen op busteformaat in 1880 voor de provincieraadszaal in het voormalige bisschoppelijk paleis aan de Antwerpse Schoenmarkt. Intussen is elders in Antwerpen een nieuwe wijk in aanleg, het Zuid. Daar wordt gebouwd aan een enorm Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en heel wat beeldhouwers vinden daarbij enig emplooi. Zo ook Ducaju, die rond 1890 meewerkt aan een hele reeks borstbeelden boven de voorgevel van de nieuwe kunsttempel. Hij haalt Jan Van Eyck, Quinten Matsijs en de Beeldhouwkunst uit de Euvillesteen. In de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal valt op het koorgestoelte nabij het hoofdaltaar ook nog werk van Joseph Jacques Ducaju te bewonderen. Hier zorgt hij voor acht kleine losstaande beeldjes die twee evangelieteksten letterlijk uitbeelden. En voor het Verbond van Kunsten, Letteren en Wetenschappen maakt hij nogmaals een beeld van Leopold II voor in het Brusselse Koninklijk Paleis. Met zo’n palmares verdient Ducaju zelf ook wel een standbeeld en dat komt er al kort na zijn dood. Hij overlijdt op 5 juli 1891 en krijgt zijn marmeren standbeeld in 1894, hem bezorgt door collega Louis Dupuis en vandaag opgeborgen in de collectie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen.