
HSP
Jozef Geefs (1808-1885)
Het hoeft niet altijd een slagerszoon met een brilletje te zijn, ook zonen van bakkers hebben hun plaats opgeëist in de Belgische kunstwereld. Willem Elsschot vooral literair, de zonen van Johannes Geefs en Joanna Verbruggen lieten hardere bewijzen na als beeldhouwers. Naast oudste zoon Willem – als hofbeeldhouwer wordt dat Guillaume – is er tweede zoon Jozef, geboren op 23 december 1808 in Antwerpen. Hij krijgt zijn opleiding aan de Antwerpse academie van Schone Kunsten, waarna hij verder studeert aan de Parijse École des Beaux-Arts. Daarna gaat hij werken in het atelier van beeldhouwers Peeters en wat later bij zijn broer Willem. In 1836 behaalt Jozef de Prijs van Rome, waarmee hij een reis kan gaan maken naar Italië, om via het Oostenrijkse Tirol en Duitsland.naar België terug te keren. Hij heeft dan inmiddels al met enkele gipsen beelden zijn kunnen bewezen, maar de opdracht in 1837 voor een Genius van het Kwaad van het kerkbestuur van de Luikse Saint-Pauls kathedraal betekent toch een mooie erkenning, al krijgt die opdracht wel een merkwaardig duivels staartje. Jozef is er ook niet à la minute mee klaar, want hij wordt in 1841 benoemd als leraar Beeldhouwkunst aan de Antwerpse academie, om een jaar later ook nog de lessen Anatomie voor zijn rekening te mogen nemen. Om dat laatste voor de leerlingen aanschouwlijk te maken, realiseert Jozef een beeld waarvan de spieren los zitten, zodat je echt kan zien hoe een mens in elkaar zit. Een van zijn leerlingen is Jef Lambeaux en wie diens beelden kent, weet dat hij zeer goed heeft opgelet bij de anatomielessen van Geefs. De Luikse L’ange du Mal raakt in 1842 af. Het beeld is bestemd voor een preekstoel waar nog vijf andere marmeren beelden rond staan: de H. Maagd Maria, geflankeerd door de apostelen Petrus en Paulus, plus de bisschoppen Hubertus en Lambertus. Het Kwaad, zeg maar Lucifer, krijgt de achterzijde toebedeeld, tussen de twee naar boven draaiende trappen. Hij vormt de tegenpool van Maria aan de voorzijde. Maar het kerkbestuur heeft een probleem: de kwade genius van Jozef Geefs is zo verleidelijk uitgebeeld, dat de kerkgangers er eerder door aangetrokken dan afgestoten zullen worden. Binnen een mandoria – een amandelvormige omlijsting van twee halve bogen – prijkt een bijna naakte jongeling met vleugels, die ook nog eens naar beneden kijkt, dus de blik op het eigen aantrekkelijke lichaam richt. Dat was niet meteen wat men voor ogen had met de ‘Triomf van de godsdienst over de kwade genius’ zoals het geheel van de vier preekstoelbeelden moest symboliseren. Bisschop Cornelius van Bommel laat het beeld daarom weghalen … om het te vervangen door een nieuwe Kwade Genius van broer Willem Geefs, die de opdracht wat beter interpreteerde. Uiteindelijk is Jozefs Engel van het Kwaad 1864 in het Brusselse Koninklijk Museum voor Schone Kunsten terechtgekomen. Jozef Geefs krijgt er geen depressie door, hij trouwt met Odilia – zeg maar Adèle – Roelandt, een dochter van de bekende Gentse architect Lodewijk Roelandt, van wie Jozef later een portretmedaillon op zijn graf zal maken.Uit het huwelijk komen drie kinderen voort, zoon Georges zal in de voetstappen van zijn vader gaan en ook beeldhouwer worden. Ook Jozefs carrière verloopt voorspoedig, in 1876 wordt hij directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in zijn geboortestad. Jozef Geefs heeft ook grensoverschrijdend gewerkt, met name in Nederland, waar in de 19de eeuw niet zoveel Nederlanders als beeldhouwer actief waren. Dat had te maken met de calvinistische religie, waar het maken van beelden niet in zwang was. Ze hadden hun religie toch ooit met een beeldenstorm kunnen vestigen, nietwaar? Nee, Nederlanders schilderden, maar als een nationalistische tijdgeest het standbeeld propageert als voorbeeld voor het volk om de eigen identiteit steviger te waarderen, zijn het aanvankelijk diverse Belgische vaklui die daarvoor worden aangezocht. Zo ook Jozef voor een standbeeld van Gijsbrecht Karel van Hogendorp in Rotterdam, een portretmedaillon van koning Willem II in Tilburg en een monument voor Adolf van Nassau in het verre Heiligerlee. Dat monument in Heiligerlee is er gekomen nadat onderwijzer Herman Bouman een gedicht voordraagt met als titel ‘Opwekking tot het stichten van een Nationaal Gedenkteken’. Het gaat om een monument dat de Slag bij Heiligerlee in 1568 moet herdenken, die in Nederland wordt gezien als het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Daarbij is Adolf van Nassau, een broer van Willem van Oranje-Nassau gesneuveld. Er wordt een wedstrijd uitgeschreven voor een ontwerp. Van de tweeëntwintig inzendingen wordt gekozen voor het idee van het duo Johannes Hinderikus Eigenberger, schilder en hoofdonderwijzer van de Groningse kunstacademie Minerva, en architect Pieter Schenkenberg van Mierop. Hun ontwerp toont een stervende graaf Adolf, ondersteund door een wraakzuchtige Nederlandse Maagd en een krijgshaftige Nederlandse Leeuw, terwijl hij een vaandel omklemd met de tekst ‘Recuperare Aut Mori’, ofwel ‘Herwinnen of Sterven’. En dat allemaal op een heuvel van noordse steen. Eigenberger beseft dat hij als schilder niet de bekwaamheid van een beeldhouwer heeft en dus wordt een beroep gedaan op Jozef Geefs. Nadat op 23 mei 1868 de eerste steen is gelegd door kroonprins Willem en prins Hendrik van Oranje-Nassau, kan de echte opbouw beginnen, die liefst vier jaar zal duren. Het begint al meteen met het kostenplaatje: brons blijkt te kostbaar en wordt vervangen door Elzasser kalksteen. Ook die heuvel van noordse steen valt te duur uit en wordt vervangen door een achthoekig voetstuk van Belgische hardsteen. Maar tijdens de voorbereidingen breekt de Frans-Duitse Oorlog uit, waardoor de levering van Elzasser kalksteen moeilijk wordt. Geefs neemt zijn toevlucht tot vier soorten natuursteen, die wit overschilderd worden om ze op kalksten te laten lijken, iets wat pas veel later aan het licht zal komen. Dan zijn er namelijk veelvuldig problemen doordat die verschillende soorten steen anders reageren op weersinvloeden, met veel reparaties tot gevolg. Bovendien blijken er over het nationaal karakter van het monument religieuze verschillen. Katholiek Nederland onder leiding van schrijver J. Alberdinck Thijm ziet die Tachtigjarige Oorlog als een strijd tegen hen, terwijl de protestanten onder politicus Groen van Prinsterer juist daarin hun bevrijding van het Roomse juk bejubelen. Op 23 mei 1873 komt koning Willem III uitzonderlijk naar het noorden van zijn land om daar de onthulling te verrichten en daarna deel te nemen aan een driedaags Onthullingsfeest. Maar juist de vele reparaties die zullen volgen, brengen de Nederlandse Staat ertoe om op 15 januari 2016 dit in een park geplaatste Rijksmonument over te dragen aan de Nationale Monumentenorganisatie, die voortaan zorg draagt voor ex-Rijksmonumenten en zo toch een stukje Belgisch vakmanschap in het noorden van Nederland overeind houdt. Intussen is in 1868 te Antwerpen een ruiterstandbeeld van koning Leopold I gereed gekomen. Maar ook met dit beeld ontstaan er meteen problemen, ditmaal niet veroorzaakt door Jozef Geefs maar door Leopold himself. De initiatiefnemers waren handelaars. De koning was echter niet ingegaan op de vraag van het stadsbestuur om de vestingwerken rond het centrum van Antwerp te slopen, om de stad uitbreiding te geven naar het buitengebied. Hij liet integendeel juist versterkingen aanbrengen. Dus weigerde nu de Antwerpse magistraat een terrein binnen de wallen ter beschikking te stellen voor dat ruiterbeeld. Daarom is het buiten de stadsmuren op een braakliggend terrein nabij de Mechelsesteenweg onthuld op 1 augustus 1868. Pas in 1872 draaide men bij en mocht koning Leopold II zijn vaders standbeeld nog eens komen onthullen op het Sint-Jorisplein, bij die gelegenheid omgedoopt tot Leopoldplaats. Bij een recente restauratie is er nog discussie ontstaan rond de vraag of het paard nu zo moest staan dat het de stad in- of uitrijdt. Zoals je ziet, het is het eerste. In de 19de eeuw moet je als kunstenaar in Brussel zitten om de betere opdrachten te krijgen. Dus ook wie in Antwerpen is geboren en daar gestudeerd heeft, kan niet anders dan verhuizen naar Brussel, waar in randgemeenten als Sint-Gillis, Elsene en Sint-Job het rijkere volk woont. Die gemeenten liggen namelijk hoger ten opzichte van de Zenne, hebben geen last van de ongezonde lucht die zich over het lager liggende Sint-Jans Molenbeek en Anderlecht uitspreid. Dus de beeldhouwers uit de familie Geefs wonen ook in Brussel en daardoor is Jozef daar op 9 oktober 1885 overleden. Hij is er evenwel niet begraven, daarvoor is hij overgebracht naar Antwerpen, waar hij begraven is op het kerkhof van Berchem aan de Koninklijke Laan op perk 05 – A. Zijn zoon Georges is in hetzelfde graf gelegd.