
HSP
Maarschalk Etienne-Maurice Gérard (1773-1855)
De levenswandel van Étienne-Maurice Gérard loopt grotendeels over slagvelden, waarvan velen met een bekende klank. Op zijn 18de loopt hij min of meer weg van huis dat in Damvillers staat, in het departement Meuse van Frans Lotharingen om zich aan te sluiten bij een groepje vrijwilligers die hun vaderland via een revolutie een ander uitzicht gaan geven. Hij neemt dienst in een van de revolutionaire legers onder commando van generaal Bernadotte en zo maakt Étienne voor het eerst kennis met België tijdens de veldslagen van Jemappes en Fleurus, waarbij de Oostenrijkse Nederlanden door Frankrijk worden geannexeerd. Als wat later Napoleon Bonaparte zijn kwaliteiten als legerleider gaat tonen in Italië, voegt Bernadotte zich bij hem en zo gaat Étienne mee in de militaire campagnes van de latere Franse keizer. Austerlitz, Jena, Wagram, de veldtocht naar Rusland, Leipzig worden namen waar hij zijn verhaal bij kan vertellen. Na Leipzig wordt de tocht even onderbroken om van zware verwondingen te herstellen, maar de nieuwe Franse koning Lodewijk XVIII wil hem graag weer in dienst en schenkt hem meteen het grootkruis in het Legioen van Eer. Maar zodra Napoleon van Elba terugkeert, keert ook Gérard terug naar het slagveld. Hij deelt in de overwinning op de Duitsers van Blücher bij Ligny, maar wordt meegestuurd met maarschalk Grouchy om achter de Pruisen aan te gaan en mist hierdoor de beroemde slag bij Waterloo. Hij hoort wel het kanongebulder terwijl ze bij een notaris aardbeien zitten te eten, maar zijn poging om Grouchy die richting uit te sturen mislukt, omdat de maarschalk niet wil afwijken van de orders van Bonaparte en dus achter Blücher blijft jagen. Dat breekt Étienne nog zuur op, want bij een treffen met de Duitse achterhoede bij de molen van Bierges nabij Waver wordt hij door een kogel in de borst getroffen. Na deze nederlaag van Napoleon gaat Gérard herstellen van zijn verwonding, maar krijgt te horen dat hij niet langer gewenst is in Frankrijk. Zo komt hij voor de tweede maal in België terecht, hij brengt zich in veiligheid in Brussel, waar hij ondanks de Franse nederlaag in het nabije Waterloo toch welkom is. Hij maakt van zijn vrije tijd gebruik om te trouwen, maar kan in 1817 toch terugkeren naar Frankrijk, waar hij in 1830 betrokken raakt bij de driedaagse julirevolutie die Louis Philippe aan de macht brengt. De nieuwe koning benoemt hem meteen tot minister van Oorlog en hij krijgt er de titel van maarschalk bovenop. Met het Legioen van Eer, zijn naam op de Parijse Arc de Triomphe en later nog eens de Belgische Leopoldsorde is Étienne’s prijzenkast aardig gevuld. Niet slecht voor deze op 4 april 1773 geboren zoon van een deurwaarder. Maar wat heeft Étienne-Maurice Gérard met Antwerpen te maken? Zonder meer: véél. Want eigenlijk heeft hij een enorm aandeel gehad in het slagen van de Belgische onafhankelijkheid, dus het bestaan van België als land. Wanneer op 25 augustus 1830 een aantal Brusselaars na het bezoek aan een opera in de Muntschouwburg met wat geroep en relletjes het startschot geven van een ware opstand tegen koning Willem I der Verenigde Nederlanden, is het allesbehalve zeker dat hun actie zal slagen. Tenslotte heeft Willem de vroegere Oostenrijkse Nederlanden bij het Wiener Congres toegewezen gekregen om ze te verenigen met het noordelijke Nederland tot één bufferstaat om nieuwe Franse ambities in te tomen. En de andere deelnemers aan dat congres hebben zich min of meer garant gesteld om de nieuwe indeling van Europa in stand te houden. Willem beschouwt de opstand dus als een puur binnenlands gegeven, waartegen hij met geweld mag optreden. En wanneer blijkt dat de opstand uitbreiding neemt, waarbij op woensdag 27 oktober 1830 ook in Antwerpen opstandelingen de overhand halen op de burgers die trouw aan Oranje willen blijven, ontstaat er een moeilijke situatie met het Nederlandse garnizoen van generaal David Chassé, dat verblijft in de Antwerpse citadel op de plaats van de huidige wijk Het Zuid en nog daterend uit de Spaanse tijd, maar in 1830 wel al gemoderniseerd en uitgebreid. Chassé onderhandelt met de opstandelingen en een wederzijds staakt-het-vuren wordt overeengekomen, waarbij Chassé zijn soldaten in de citadel zal terugtrekken. Maar die afspraak wordt doorkruist wanneer een nieuwe groep opstandelingen arriveert en de Nederlandse soldaten begint aan te vallen, de overgave van de citadel eist en dat Zuidkasteel gaat beschieten. Chassé verbreekt het bestand en gaat vanuit de citadel en vanaf acht oorlogsschepen die in de Schelde liggen de stad beschieten. Dat bombardement heeft 611 verwoeste huizen en 85 doden tot gevolg en terwijl er opnieuw onderhandeld wordt, vliegt om 3 uur ‘s nachts in de Kloosterstraat het Arsenaal een door Willem I opgerichte wapenopslagplaats in de lucht. Uiteindelijk wordt bereikt dat Chassé zijn troepen in de citadel zal houden, maar dat ze bevoorraad mogen worden. Ondertussen wordt er internationaal onderhandeld over een eventuele afscheiding van de vroegere Oostenrijkse Nederlanden, nu onder de naam België en op 3 november 1830 wordt een Nationaal Congres gekozen, waarop de dag nadien vertegenwoordigers van Engeland, Frankrijk, Pruisen, Rusland en Oostenrijk samenkomen rond de vraag of zij eventueel gewapenderhand de orde gaan herstellen. Een Belgische delegatie van de opstandelingen bepleit in Londen de onafhankelijkheid en omdat veel mogendheden in die dagen te kampen hebben met eigen binnenlandse opstanden, wordt er niets besloten. Het Nationaal Congres neemt contact op met de in Engeland verblijvende Leopold van Saksen-Coburg om hem de Belgische kroon aan te bieden. Een republiek is op dat moment ondenkbaar en zou zeker geen internationale steun genieten. Op 20 januari 1831 is er wel reeds een ‘Grondslag voor scheiding’ vastgelegd in Londen en Leopold wil enkel koning worden als die wordt aanvaard. Dat Verdrag der XVIII artikelen wordt door het Nationaal Congres op 9 juli 1831 aangenomen, Leopold legt op 21 juli de eed op de Belgische grondwet af op de trappen van de Brusselse Sint-Jacob-op-de-Coudenbergkerk en al op 28 juli bezoekt hij Antwerpen, waar hij luisterrijk wordt ontvangen. Maar amper veertien dagen later verbreekt koning Willem I de wapenstilstand die was ontstaan door het Londense overleg en valt een Nederlands leger onder leiding van zijn zoon Willem Frederik, de latere koning Willem II, op 2 augustus 1831 vanuit Tilburg via Turnhout het zuiden binnen. Er wordt amper tegenstand ondervonden van een Belgisch leger, dat bestaat uit soldaten uit zuidelijke provincies die zich bij de onafhankelijkheidstrijders hebben gevoegd, maar waar nog geen echte strijdmacht uit is opgebouwd. Het ziet er dus niet goed uit voor de opstandelingen en enkel door op 8 augustus de grens met Frankrijk open te stellen, kan worden voorkomen dat het Nederlandse leger het hele Belgische grondgebied bezet, want Willem I ziet die nieuwe staat nog altijd als een opstandig deel van zijn koninkrijk. De Franse ambassadeur-generaal in Brussel, Augustin Belliard, houdt de Franse regering goed op de hoogte en op verzoek van de Belgische regering valt de Franse Armée du Nord onder leiding van maarschalk Étienne-Maurice Gérard op 9 augustus 1831 het land binnen. Omdat steun uit Pruisen en Rusland uitblijft, laat Willem I zijn leger terugtrekken, hij wil geen confrontatie met Frankrijk en de 70.000 man die Gérard bij zich heeft. Op 15 oktober 1831 komt er een nieuw vredesverdrag, het Verdrag van de XXIV artikelen, waarbij delen van Limburg en Luxemburg bij Nederland zouden blijven. Gezien het nieuwe België van buitenlandse steun afhankelijk is voor zijn bestaan, zit er niets anders op dan nu dit minder gunstige verdrag te accepteren. Maar nog steeds is Willem I niet tevreden en hij ondertekent niet, waarmee de situatie onopgelost blijft. Wanneer koning Leopold I samen met zijn nieuwe Franse echtgenote Louise-Marie op 29 september 1832 Antwerpen bezoekt, kan hij vanop de toren van de Sint-Andrieskerk de citadel zien, waar nog steeds Chassé met zijn garnizoen verblijft. Stilaan willen de andere ondertekenaars van de XXIV artikelen vooruitgang boeken en er wordt een ultimatum gesteld, Willem I moet zijn troepen voor 1 november 1832 uit de citadel en de nabije Scheldeforten terugtrekken. Maar Willem weigert gevolg te geven aan deze eis en heeft intussen de bezetting van de citadel en de forten juist versterkt.. Hij krijgt tijd tot 12 november om aan de voorwaarden te voldoen, maar als er niets gebeurt valt op 15 november 1832, met toestemming van de Engelsen, de Franse Armée du Nord opnieuw België binnen, weer onder leiding van Étienne-Maurice Gérard. Als zijn troepen eenmaal in stelling liggen rond de Antwerpse citadel maakt hij op 30 november 1832 een boodschap aan Chassé over om zich te houden aan het verdrag. Die heeft van koning Willem I opdracht gekregen stand te houden in de mate van het mogelijke, hij mag zich overgeven als de eer is gered. Nu volgt een verwoestend artillerieduel tussen Gérard en Chassé, die zelf in 1810 nog in Franse dienst had gestreden onder Napoleon. Tussen 4 en 23 december worden er wederzijds zo’n honderdduizend kanonskogels en houwitsergranaten afgevuurd. De 67-jarige Chassé beschikte over zo’n 4610 manschappen, zijn 59-jarige tegenstander heeft er ongeveer 65.000 meegebracht. De Antwerpse citadel telde vijf bastions - in de grachten uitstekende vijfhoekige bolwerken en nog een aantal ravelijnen en schansen in en voor de grachten. Gérard heeft ervoor gekozen om de aanval te concentreren op het bolwerk Toledo. Al die bastions dateren uit de tijd van Alva en dragen zijn namen en titels, Fernando, Toledo, Alva, Duce plus de naam van de ontwerper van deze citadel, Paciotto. Er is afgesproken dat er niet geschoten zal worden aan de stadszijde van de citadel, om zo geen burgers te doden of hun huizen te vernietigen. Vandaag is er helemaal rondom de plek van die vroegere citadel bebouwing, toen enkel aan de zijde van het centrum, waar ook het oefenveld lag, het Kasteelplein, zoals nu nog een straat tussen stad en de Zuidwijk heet. Gérard wilde ook niet vanaf de Scheldezijde aanvallen, omdat daar de grond te drassig was om loopgraven aan te leggen. Hij richt zijn aanval vanuit de huidige zuidwestzijde, zeg maar vanaf de Amerikalei. Daar ligt de Sint-Laureisschans in de weg, die op 14 december kan worden veroverd. Vanaf dan kan het zware geschut op het Toledobastion worden gericht, waarvan een muur op 22 december scheurt en afbrokkelt, waardoor daar een bres in de omwalling ontstaat. Op dat moment gaat David Chassé met zijn staf vergaderen en ze komen tot het besluit dat er geen kans meer is om de Fransen nog tegen te houden en dat dus het moment van de eervolle overgave is aangebroken. Die volgt dan in de vroege uren van 24 december 1832. Daarmee komt een eind aan het beleg, dat aan Franse zijde 108 doden en 370/687 gewonden heeft geëist en aan Nederlandse kant 90/124 doden en 349 gewonden. (Over doden en gewonden zijn verschillende aantallen in omloop.) De zware Nederlandse gewonden worden in het Antwerpse Sint-Elisabethziekenhuis opgenomen, de lichtere worden per schip naar Bergen op Zoom getransporteerd. Chassé en zijn overlevende manschappen worden aanvankelijk met rust gelaten, totdat blijkt dat koning Willem I zich niet neerlegt bij de overgave en niet bereid is de Scheldeforten Lillo en Liefkenshoek te ontruimen. Daardoor moet Gérard zijn Nederlandse collega en diens overblijvende troepen krijgsgevangen nemen en hen naar Saint-Omars en omliggende dorpen overbrengen, waar ze pas in juni 1833 worden vrijgelaten, tot spijt van de Franse middenstand, die aan de meer kapitaalkrachtige officieren goede klanten had, want ze konden vrij rondlopen in die dorpen. Wanneer koning Willem I op 1 februari 1839 uiteindelijk het verdrag van de XXIV artikelen toch aanvaart, is de Belgische onafhankelijkheid een voldongen feit. Het enthousiasme voor Étienne-Maurice Gérard kent aanvankelijk geen grenzen in België, hij krijgt van de koning de net ingestelde Leopoldsorde, maar als uit Parijs de rekening van 18 miljoen Franse franc komt, bekoelt de liefde enigszins. David Chassé wordt in Nederland een held, in Breda wordt een kazerne naar hem genoemd vandaag deels museum en later een theater. Wanneer de man op 2 mei 1849 sterft, wordt hij op eigen verzoek begraven achter de hervormde kerk van buurtschap Ginneken. In 1874 wordt zijn lichaam naar de voorzijde verplaatst, want dan wordt daar een groot monument opgericht met onder andere de naamstenen van de citadelbastions, die bij de sloop van de Antwerpse citadel vanaf 17 april 1874 beschikbaar komen. Ook de gebeenten van Nederlandse soldaten die zijn omgekomen tijdens het beleg en toen binnen de citadel zijn begraven, zijn bij de afbraak opgegraven en ook naar het Bredase monument gebracht. Étienne-Maurice Gérard heeft nog een politieke carrière gehad na zijn Antwerpse succes. Hij is opnieuw minister van Oorlog geworden, is enkele maanden premier van Frankrijk in 1834, wordt in 1836 grootkanselier van het Legioen van Eer, is van 1838-’42 bevelhebber van de Nationale Garde van het departement Seine en senator in het Franse hogerhuis, maar dat laatste in zijn sterfjaar. David Étienne Maurice Gérard overlijdt op 17 april 1852 in Parijs en wordt bijgezet in de crypte van de kerk van Nogent-sur-Oise. En wat doet Antwerpen voor hem? Hij krijgt in 1833 een straatnaam, want dan wordt de oude Sint-Jorisstraat, waar Gérard zijn hoofdkwartier had, omgedoopt tot Gérardstraat, om pas in 1937 volledig Maarschalk Gérardstraat te gaan heten. Waarom geen monument? Dat werd wel voorgesteld door een comité van Brusselaars, maar intussen is in de nieuwe staat België een tegenstelling ontstaan tussen Franstaligen en Vlamingen. Daarom weigeren de Antwerpenaars in te gaan op het voorstel van die Brusselse ‘franskiljons’ en bovendien willen ze in het belang van haven en handel de hernieuwde banden met Nederland niet verstoren. Dan besluiten die Brusselaars maar om hun monument voor Gérard op te richten in Doornik, de stad waar dat Franse leger België is binnengekomen. Daar is dan op 19 september 1897 op de Place de Lille een 12 meter hoge zuil van roze graniet ingehuldigd, met bovenop een bronzen zegegodin, wuivend met een palm en kijkend in de richting van Frankrijk, daar amper 10 kilometer verderop. Onderaan de zuil zijn bas-reliëfs, net als de Déesse zoals de godin en het hele monument heet gebeeldhouwd door Camille Debert en gegoten bij J. Petermann. Op het marmeren voetstuk de wapenschilden van de Belgische provincies. Alles ontworpen door het duo Constant Sonneville en Daret, sinds 22 november 1909 nog beschermd door een sierhek van Vandenbroecke. Het opschrift op de zuil: ‘Aux soldats Francais tombés sous les murs d’Anvers en 1832’.
Antwerpmonument - Doornik foto: Danielle Janssens