
HSP
Léon Suys (1823-1887)
Léon Pierre Suys (°Amsterdam, 14 juni 1823 +Elsene, 5 mei 1887) is de zoon van de aanmerkelijk beroemdere Tilman François Suys. Uiteraard heeft hij zijn opleiding grotendeels van zijn vader gekregen. Gehuwd met weduwe Cornélie Borremans, die ook hem zal overleven. Gestorven op 5 mei 1887 in de Brusselse randgemeente Elsene, maar begraven op het kerkhof van Laken, een andere Brusselse randgemeente met een begraafplaats waar veel bekende personen rusten. Kort na 1830 als model gebruikt door schilder François-Joseph Navez, een vriend van zijn vader. Meer een stedebouwkundige als een architect. In 1865 stelt hij zijn plannen voor de overwelving van het riviertje de Zenne voor, dat tot dan toe via verschillende takken dwars door het lager gelegen deel van Brussel stroomt en daar veel stankhinder veroorzaakt en onhygiënische toestanden veroorzaakt. Zijn eerste opdracht wordt in 1855 de Sint-Joriskerk aan het Mechelseplein in Antwerpen. Omdat de westkant van het bouwterrein te moerassig is om de twee zware toren te dragen, wordt de kerk west-oost georiënteerd en niet zoals gebruikelijk omgekeerd, dus het koor in het oosten en de ingang westwaarts. Zowel binnen als buiten is de kerk pure neogotiek, met rond de ingangen apostelbeelden en binnenin muurschilderingen van Guffens en De Swert. Door een conflict met de bouwheer en de aannemer wordt de samenwerking met Léon Suys vroegtijdig beëindigd. Na enkele opdrachten in het Waalse Seneffe, Nismes – nu deelgemeente van Viroinval – en Lustin, komt Léon met een groot plan voor de overwelving van de Zenne in de Brusselse binnenstad. Het Brusselse stadsbestuur wil al langer iets doen aan het kwalijk riekende en ongezonde riviertje dat zich met enkele armen door het lager gelegen deel van de stad kronkelt. Het project van Suys voorziet in de bouw van enorme gewelven, waardoor de Zenne voortaan via een recht traject dwars door Brussel ondergronds stroomt. De praktische uitvoering wordt vanaf 1865 tot 1871 gerealiseerd door The Belgian Public Works Company Ltd., een Engelse onderneming. Boven op de gewelven worden daarna de centrale boulevards aangelegd. Het sluitstuk wordt de Grote Spui aan de Poincarélaan waar de Zenne de stad binnenkomt. In 1866 is het weer een Waals gemeentebestuur dat een beroep op Léon Suys doet, namelijk Spa. Die stad moet het hebben van zijn geneeskrachtige bronnen en daarvoor zijn er badinrichtingen nodig. De eerste is in 1827 gebouwd en door een nieuw gebouw vervangen in 1842. Maar ook dat is aan vernieuwing toe op de rijkere elite te blijven ontvangen. Suys ontwerpt in 1866 een groots gebouw in Franse neorenaissancestijl, dat plaats biedt voor drie types badgasten. De eerste klasse krijgt ruime badinrichtingen en rustsalons met muurschilderingen van Carpey en ook de inkomhall wordt luxueus uitgevoerd. Voor de tweede klasse is alles wat eenvoudiger en kleinere van oppervlakte uitgevoerd op de eerste etage, terwijl badgasten van de derde klasse in de kelder hun therapie moeten volgen. Charles Henri Thorelle verzorgd beeldhouwwerk aan de gevels, Jacques Van Omberg voegt er nog wat standbeelden aan toe. Om de baden van water te voorzien wordt een 2 kilometer lange leiding aangelegd naar de bron van Nivezé, toen Maria-Hendrikabron genoemd. Op 15 augustus 1868 kunnen de nieuwe thermen worden geopend en kunnen de eerste gasten via de dubbele trap opklimmen naar de Salle des Pas Perdus, de centrale hal die de vier vleugels van de Bains verbindt. Maar sinds 2003 is deze badinrichting weer gesloten, omdat er hoog op een heuvel een modern thermengebouw is gekomen. Het oude en sinds 2014 beschermde gebouw wordt nu gebruikt door een luxe hotelresidentie. Terug naar Brussel, waar vanaf oktober 1869 wordt gewerkt aan een nieuwe Handelsbeurs langs de centrale lanen. Dat was sinds 1858 een verzuchting van de beurshandelaars, die door de toenemende industrialisatie van België nood hadden aan een ruimer onderkomen. Al in 1865 heeft Léon Suys een plan ingediend, waarin een nieuw beursgebouw deel uitmaakt van een heraanleg van een stuk oude stad met daarin de overwelving van de Zenne. Het Brusselse stadsbestuur ziet daarin een kans tot rigoureuze stadsvernieuwing en zo komt er een gebouw waarin Franse neorenaissance wordt samengebracht met Second Empire-stijl, waarbinnen in twee monumentale zalen de handel in goederen, wisselverrichtingen en aandelen plaats kan vinden. Aan de buitenzijde bewaken twee leeuwen die de Belgische Natie voorstellen de ingangstrappen en overal zijn de gevels met beeldhouwwerk opgesmukt. Daar zijn heel wat beeldhouwers bij betrokken geweest, waarvan de bekendste namen Antoine-Joseph Van Rasbourgh en de Franse beeldhouwer Albert- Ernest Carrier-Belleuse zijn. De laatste heeft een helper meegebracht, ene Auguste Rodin – men zal van hem nog veel horen … Op 27 december 1873 kan koning Leopold II de nieuwe beurs inhuldigen, maar de eigenlijke beurshandel kan pas van start gaan in de lente van 1874. En die heeft hier plaatsgevonden tot juli 1996, wanneer door de komst van de elektronische beurshandel geen behoefte meer bestaat aan lijfelijke samenkomsten van beursmakelaars. Voor het nu leegstaande gebouw wordt een nieuwe invulling gezocht, voorlopig worden er tentoonstellingen gehouden. Tot slot en eveneens kaderend in het Zenne-project ontwerpt Suys in samenwerking met Edmond Le Graive de Centrale Hallen tussen de Hallestraat (die ernaar genoemd is) en de Zwarte Onze-Lieve-Vrouwenstraat in Brussel, nabij de centrale lanen. Oorspronkelijk bedoeld als markthallen en gesplitst in een noordelijke en een zuidelijke hal, gescheiden door een dan doorgetrokken Gretrystraat met een glazen overkapping. De hele constructie is uit veel glas en gietijzer geconstrueerd tussen 1872 en 1874. Er vinden hier groothandelsveilingen plaats, maar er zijn ook kleine winkeltjes rondom. Nadat in de jaren 1890 de groothandel naar elders verhuist, worden de Centrale Hallen als spektakelruimten ingericht. Zo komt er in 1893 een ijspiste vanaf de kerstdagen en in de zomer van 1894 een Palais d’été, waar allerlei soorten van vermaak plaatsvinden, zodat dit een chique uitgaansgelegenheid wordt, waar zelfs Mata Hari eens heeft opgetreden. Dat alles gaat door tot de Eerste Wereldoorlog, waarna er nog verbouwingen plaatsvinden, maar na Wereldoorlog II is het moeilijk om de oorlogsschade nog te herstellen en wordt de noordelijke hal in 1950 afgebroken om er een parkeerplaats van te maken, terwijl de zuidelijke hal het nog tot 1963 uithoudt, maar dan ook gesloopt wordt.
Sint-Joriskerk, hoofdingang - foto: Vera Seppion