Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

TOURNAI / DOORNIK

Doornik is samen met Tongeren een van de oudste steden van België. Dat lange verleden heeft sporen nagelaten in de uitbouw van de stad en in de aanwezigheid van een aantal monumentale gebouwen. Op dit moment werkt Doornik aan een grote campagne om het oudste stadsdeel aantrekkelijk te maken voor de hedendaags bezoeker; gevels worden gerestaureerd, straten worden als voetgangersgebied ingericht. Ook de beroemde kathedraal wordt gerestaureerd, wat helaas betekent dat dit bouwwerk nu slechts gedeeltelijk bezocht kan worden. Onze wandeling heeft naast een hoofdroute een aantal facultatieve lussen voor wie een omweg langs minder grote bezienswaardigheden ook boeiend vindt.


Start:

Op de Place Crombez, voor het spoorwegstation van Doornik.

Wie met de auto komt, kan die kwijt op het parkeerterrein nabij het station aan de Boulevard des Déportés. Dat is een deel van de boulevardring rond het centrum van Doornik, zodat je daar vanuit alle richtingen makkelijk kan komen.


STATION

Place Crombez


De eerste trein arriveert op 24 januari 1842 in Doornik. Het eerste Doornikse stationsgebouw kan exact acht maanden later, op 24 oktober 1842 in dienst genomen worden, maar raakt pas rond 1850 voltooid aan de Quai de l’Arsenal binnen de stadsmuren en langs de Schelde. Aan dat eerste station heeft naar verluidt de bekende architect Hendrik Beyaert nog meegewerkt als eenvoudig metselaar. Beyaert wordt geboren in Kortrijk als tiende van een gezin met dertien kinderen. (Pa is wel tweemaal getrouwd, eerst met Sofie - moeder van Hendrik - daarna met haar zus Eugenie). Kindergeld bestaat nog niet, dus 15 monden vullen is 'hard labeur' en Hendrik wordt door pa als klerk naar een bank gestuurd, maar al snel gaat de jongen daar lopen om hier stenen te komen leggen. Hij zal zijn hele leven in de bouw blijven, maar dan wel als architect van onder meer de Nationale Bank in Antwerpen (een soort Loire-kasteeltje) en het kasteel van de adellijke familie Marnix de Sint-Aldegonde aan de Oude Schelde in Weert, een fusiegemeente van Bornem, juist over de Scheldebrug bij Temse. Uiteindelijk heeft hij tussen 1874 en 1879 het nieuwe station mogen bouwen dat je nu ziet. Van het eerste station zijn in 1885 alle decoratieve bouwmaterialen gerecupereerd en verhuisd naar Leuze-en-Hainaut. Daar is architect De Blieck juist aan een nieuw station bezig en hij mag de Doornikse sierstukken daarin verwerken, zodat je nu op zo’n 20 km van Doornik een gebouw uit 1887 langs het spoor ziet staan, dat in menig opzicht de herinnering aan dat eerste Doornikse station oproept. Recuperatie en duurzaamheid zijn dus niet zulke nieuwe begrippen.


VOORMALIG POSTKANTOOR

Boulevard des Déportés 1


Uit het station komend, zie je links nog het vroegere postkantoor met, enigszins merkwaardig, een tweetalig opschrift. Intussen zijn de postbodes op de hoek met het stationsplein vervangen door gokautomaten in “Express Games – Salle de Jeux” en aan de boulevardzijde door koks in restaurant “L’Ancienne Poste”.

Aan postkantoren wordt in de 19de en begin 20ste eeuw duidelijk zorg besteed, het zijn niet zomaar functionele gebouwen, ze stralen een zekere grandeur uit als staatsinstelling. De ‘facteur’ was nog geen anonieme postbezorger, hij behoorde tot de bekende gezichten van een wijk, die met Nieuwjaar door de bewoners werd beloond voor zijn diensten met een kleine geldsom. Vandaag haal je postzegels bij een supermarkt-postpunt, maar gelukkig zijn er in veel kleine en grotere Belgische steden nog prachtige postgebouwen bewaard gebleven.


Steek over naar het parkje van de Place Crombez en wandel naar het forse monument aan de andere pleinzijde.    


GEDENKTEKEN JULES BARA

Place Crombez


De liberale staatsman Jules Bara, die onder meer voor openbaar staatsonderwijs heeft gestreden en minster van Justitie is geweest, heeft hier in 1902 een monumentaal gedenkteken gekregen, waarvan de bronzen beelden zijn gemaakt door Guillaume Charlier. Bara wordt geflankeerd door twee dames, de ene heeft een wettekst in de hand, de andere is vergezeld van kindertjes die braaf een leerboekje bij zich hebben. Boven hen troont Vrouwe Justitia als versteend. De stenen sokkel is het werk van de Brusselse art nouveau-specialist Victor Horta.  

Wat kwam Horta in Doornik zoeken? Dat heeft te maken met de Brusselse zakenman Henri Van Cutsem, die een niet onaardige collectie schilderwerken van rond de eeuwwisseling heeft verzameld. Hij wil die cadeau doen aan de stad Brussel, maar die weigert deze schenking omdat er een liggende naakte vrouw (de Griekse Périmèle) bij zit. Daarom biedt Van Cutsem zijn collectie aan Doornik aan, waar men minder scupuleus is - we zitten hier dichter bij het frivole Frankrijk - en bereid is rond de collectie een museum te laten bouwen op kosten van Van Cutsem. Horta mag dat gebouw ontwerpen en na de dood van weldoener Henri zal beeldhouwer Guillaume Charlier zorgen dat het museum inderdaad afraakt. En zo hebben deze twee heren elkaar leren kennen en op dit plein nog even samengewerkt.

Op donderdagmorgen wordt aan de stadszijde van dit plein markt gehouden.


FOREM

Place Crombez / Rue de l’Athenée


Waar Jules Bara zich vooral bezighield met opleiden van de jeugd, houdt recht tegenover hem in een fraai gebouw met een vogel in top Forem, de Waalse tegenhanger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), zich intensief bezig met het opleiden en herscholen van werkzoekenden. Die zijn er momenteel zoveel dat het gebouw een moderne uitbreiding aan de rechterzijde kreeg. Forem is een samentrekking van de woorden Formation en Emploi, vorming en werk.  


 AANDACHT: Wie enkel de voornaamste bezienswaardigheden wil ontdekken, gaat hier via de Rue de l’Athenée rechtdoor naar de Place Clovis.


Wil je nog een zijsprong naar enkele fraaie woningen maken, verlaat dan het plein via de groene boulevard links.


MIDDELEEUWSE OMWALLING


Je ziet hier twee straatnamen aan weerszijde van een groenstrook: Avenue Van Cutsem aan de stationszijde, Avenue des Frères Haghe aan de overzijde. Beide avenues hebben elk aan hun zijde een doorlopende huisnummering. Dat heeft allemaal te maken met de grote omwalling van Doornik uit de 13de en 14de eeuw, die toen op de plaats van het groene gras stond. Veel is daarvan niet bewaard gebleven: twee torens en een stukje muur in het oosten van de stad en een waterpoort, waar we op de terugweg meer over vertellen. De huizen aan de Avenue Van Cutsem staan dus buiten de wallen, die aan de Avenue des Frères Haghe juist erbinnen.

Zoals in veel steden ligt ook in Doornik het station net buiten die vroegere stadswallen. Enerzijds omdat daar de grond goedkoper is, anderzijds omdat bij de komst van de spoorlijn die stadswallen vaak nog niet afgebroken zijn en er om militaire redenen geen doorbraken in die verdedigingsgordel toegestaan worden. Wanneer in de loop van de 19de eeuw de spoorweg zich tot een belangrijk vervoermiddel tussen steden en dorpen ontwikkelt en de stadswallen hun militaire functie verliezen, waardoor bouwgrond vrijkomt op het vroegere schootsveld, ontstaan er bijna overal in de Belgische steden echte stationswijken. Aan de vaak ruimer dan in het oude stadshart aangelegde straten gaat de meer gegoede burger zijn woning bouwen.


HUIZENRIJ

Avenue des Frères Haghe 9-11-12


Bij deze huizen valt het op dat er telkens op de verdieping een raam dichtgemetseld lijkt. Dat zal wellicht stammen uit de Napoleontische periode, wanneer er een belasting wordt geheven op raamopeningen. Het is dus zaak er zo weinig mogelijk te hebben. Dichtmetselen is één mogelijkheid, van twee ramen er één maken is de andere oplossing. Bij die laatste worden er metalen krammen tussen de vensterbalken boven en onder de ramen geslagen om het zaakje bijeen te houden.  


BELLE ÉPOQUE-HUIZEN

Avenue Van Cutsem


Je ziet het, Van Cutsem heeft zijn stukje 'avenue' gekregen voor zijn gulle gift. Vooral aan deze avenue staan enkele bijzondere woonhuizen. Let maar eens op de omlijsting van de voordeur op nr.16. Een gevel met opvallende muurschildering zie je op nr.19, waar een zwaan, een kraai en een haan wel een heel idyllische omgeving suggereren. Die paste kennelijk bij de activiteiten van de hier ooit gevestigde groothandel in modieuze kleding Maison Lucien Telle, zoals een roestkleurige plaat je nog laat weten.

Bijna aan het eind van deze laan staan drie art nouveau-huizen uit 1904 van de Brusselse architecten, de gebroeders Strauven, waarvan Gustave Strauven vooral een bekende naam in de Belgische architectuur is geworden. Blijkbaar heeft hij zich hier in Doornik laten bijstaan door zijn broer Pierre. Op nr.27 zie je al een mooi voorbeeld, dat een vervolg met sgraffiti krijgt op nr.29, een pand dat doorloopt tot om de hoek met de Rue des Volontaires 2. De stad heeft dit grote pand aangekocht en er sociale woningen van gemaakt. Op zichzelf is die aankoop een goede manier om het voortbestaan van zo’n monument te garanderen, waarbij bewoning het verdere verval moet voorkomen. Laten we hopen dat de bewoners ook op een sociale wijze van hun woning gebruik maken en het gebouw niet uitwonen.

Strauvens meesterwerk staat in Brussel aan de Ambiorixsquare, het huis Saint-Cyr met op de bovenste verdieping een ronde balkonerker.  

Art nouveau is aanvankelijk eerder binnenhuis design, waarvan de voorwerpen worden geëxposeerd in Parijs door ene heer Bing, die zijn galerie 'Art Nouveau' doopt en zo deze stijl van een naam voorziet. In de bouwkunst gaan architecten als Horta en Guimard dan ook zover, dat zij de hele binnenkant van een woning, met inbegrip van alle meubels, in dezelfde stijl ontwerpen. De meeste andere art nouveau-architecten houden het echter bij fraaie huisgevels.


PATRIA

Avenue Van Cutsem / Avenue des Frères Haghe


Op de middenberm ontkom je niet aan het brede Patria, een oorlogsmonument, dat met zijn zeer dramatische uitbeelding een typisch voorbeeld van de monumenten van na de Eerste Wereldoorlog is. De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog wordt daar later vaak bij aangehecht, zoals ook hier. De twee reliëfs laten nog zien hoe krijgshaftige soldaten optrekken ‘pour l’Honneur et le Droit’, daar tussenin zie je het trieste resultaat met de Doornikse stadsmaagd erbovenuit torenend. Links en rechts flankeren soldaten met volle bepakking het tafereel, alles in 1922 van de hand van Aloïs De Beule, een beeldhouwer die bekend is geworden door de Wereldtentoonstelling van Gent in 1913, waar hij samen met een compaan een fors Ros Beiaard heeft gerealiseerd, nog wel bijna op zijn geboortegrond.

Vooraan staat de versteende ‘Flambeau de la Memoir et de l’Espoir’, de Vlam van de Herinnering en de Hoop, en een tekst van Winston Churchill, vertaald in het Frans: “Oublier le passé c’est accepter son retour” (Het verleden vergeten betekent aanvaarden dat het terugkeert).


Linksaf de Rue Morel in.


Links, tussen nr.3 en nr.9, zie je een oude fabrieksschoorsteen boven de huizen uitsteken. Een reliek uit de tijd dat een industriële activiteit nog gewoon tussen woonhuizen uitgeoefend kon worden.


De Rue Morel loopt na een zijstraat over in de Rue du Quesnoy.


VOORMALIGE JEZUÏETENKERK

Rue du Quesnoy 30


Waar vandaag de klaslokalen zijn van het Koninklijk Atheneum Jules Bara – met wie we al kennis maakten -, was vroeger een klooster van de Societas Jesu, zoals de jezuïetenorde officieel heet (vandaar S.J. voor de namen van jezuïetenfraters). In dit klooster kregen nieuwe roepingen hun opleiding, het was een noviciaat. Bij zo'n instelling hoorde ook een kerk en dit gebouw in gotische stijl is er nog steeds. De kerk is tussen 1601 en 1612 gebouwd naar een ontwerp van frater François d'Aguilon, een wiskundig aangelegd man. Het vijfzijdige koor wordt bekroond door een torentje van baksteen en witte steen en is als laatste onderdeel gereedgekomen in 1614.

De voorgevel in witte natuursteen heeft een arduinen renaissanceportaal en je ziet het opschrift IHS (Iesus Hominum Salvator – Jezus de Redder der Mensheid), dat wijst op jezuïeten, plus een beeld van de Heilige Maagd. Omdat de stichter van deze kloosterorde, Ignatius van Loyola, zelf nog niet heilig was verklaard, moest deze kloosterkerk wel aan een andere heilige worden toegewijd. Nu waren de jezuïeten na de herovering van de zuidelijke Spaanse Nederlanden zowat de stoottroepen van de contrareformatie, die tot doel had om de afvallige – protestantse – christenen weer naar het oude huis van vertrouwen te krijgen. Omdat de protestanten niet in heiligen geloven en niet in de maagdelijke ontvangenis van Jezus, was Maria dus zeer welkom als symbool van die roomse tegenbeweging.  

Kort na het gereedkomen van deze kerk is frater d’Aguilon benoemd tot rector van het Antwerpse jezuïetencollege, waar hij in 1615 begint aan de Carolus Borromeuskerk, dan ook nog gewoon een eveneens aan Maria toegewijde kloosterkerk. Terwijl hier nog de gotiek hoogtij viert, is die Antwerpse kerk in de nieuwe barokstijl uitgevoerd en daarmee een van de eerste gebouwen in die stijl in België.


HET RAADSEL VAN DE SFINX

Rue du Quesnoy 39


Kijk tegenover het Koninklijk Atheneum ook even door het poorthek op nr.39. Links achter dat hek staat een huis met een balkon dat overeind gehouden wordt door twee dames, zogeheten kariatiden. Beneden liggen naast de deur twee sfinxen als wachters. Moesten bezoekers vroeger een raadsel oplossen, zoals Oedipus in de Griekse mythologie, om te kunnen passeren?


Hier woonde de familie Rose-Boucher. In 1833 begint Simon Boucher een vlasspinnerij aan de Rue des Soeurs de Charité, het straatje dat u net gepasseerd bent. Zoon Jules César gaat zich in Engeland op de hoogte stellen van de nieuwste spintechnieken en smokkelt op gevaar voor eigen leven een bouwtekening van een industriële spinmachine mee naar Doornik. Hij laat een bedrijfspand met enkele verdiepingen bouwen en installeert er zijn mechanische stoomspinnerij Filature Jules Boucher-Freyerick. Zijn Gentse vrouw Melle Françoise Freyerick is de sterke vrouw achter de ondernemer. Zijn zoon Jules François neemt het bedrijf over in 1913 en wordt als meneer Jules een populaire figuur in de wijk en bij zijn arbeiders. Hij wordt dan ook in 1878 verkozen als liberaal gemeenteraadslid en zal als Eerste schepen de Doornikse financiën reorganiseren. De derde generatie met zoon Carlos moet helaas in 1935 de deuren van het bedrijf sluiten na de tegenslagen van de Eerste Wereldoorlog, de textielcrisis in 1926 en ten slotte de grote depressie van de jaren 1930.


Hier liggen sfinxen voor een bescheiden woning in empirestijl, die herinneren aan een kortstondige modetrend van Egyptische decoraties eind 19de eeuw, toen na de ontcijfering van het hiërogliefenschrift door de Fransman Jean-François Champollion in 1822 de interesse voor die exotische cultuur sterk toenam. Wil je ook de familiale villa in Italiaanse renaissancestijl zien, het beschermde ‘Chateau Boucher’, dan keer je even op je stappen terug en sla je de Rue des Soeurs de Charité in, daar weer rechtaf bij het Centre de Santé door een smal pad langs de gebouwen van de Mutualité Chrétiens, die vandaag in die beschermde villa huizen. Wandel door tot in de Rue Saint-Brice, waar je nog eens rechtsaf slaat om op het plein te belanden waar je de wandelaars die geen omweg maken weer ontmoet. (Omweg enkel mogelijk op werkdagen.)


Aan het eind van de Rue du Quesnoy kom je aan de Place Clovis.

AANDACHT: Hier sluit ook de hoofdroute weer aan.


Aan de overzijde achter de kerk zie je het


MONUMENTJE GABRIELLE PETIT

Place Clovis


Een monumentje voor een oorlogsheldin. Gabrielle Petit is op 20 februari 1893 geboren in Doornik nabij de Quai du Luchet wat stroomopwaarts aan de Schelde, maar haar ouders verhuizen naar Ath wanneer zij 5 jaar is. Zij en haar zus Hélène groeien op in een klooster bij de nonnen, want hun ouders kunnen hun opvoeding niet aan. Na de dood van haar moeder hertrouwt haar vader met een vrouw waarmee Gabrielle absoluut niet overweg kan. Haar vader gaat regelmatig failliet en zoekt troost in louche Brusselse cafés, terwijl hij zijn dochters naar een weeshuis stuurt. Op haar 16de houdt Gaby het in Ath voor bekeken en vindt onderdak bij een tante in Brussel. Daar probeert ze zich in leven te houden met allerlei baantjes, waarbij ze in maart 1912 een jonge onderofficier Maurice ontmoet, die beroepsmilitair is. Hij zal voor haar de inspiratiebron blijven om veel ellende aan te kunnen. Terwijl Maurice naar het front trekt, komt Gaby eind 1914 in Brussel in contact met het verzet, dat een spionagenetwerk moet opzetten voor de Britten. Gabrielle krijgt in Londen een opleiding als spoorwegspionne en gaat in de streek tussen Ieper en Maubeuge aan de slag, waarbij ze reizend per trein Duitse troepenbewegingen aan de Engelsen doorgeeft via zeer precieze informatie. Maar de Duitsers blijken haar al vrij snel op het spoor te zijn gekomen en zetten een valstrik op, waardoor zij op 20 januari 1916 in Brussel wordt aangehouden. Na een verblijf in de gevangenis van Sint-Gillis, waar Gabrielle wordt verhoord en gefolterd, maar niets loslaat over andere verzetslieden, wordt ze op 2 maart 1916 veroordeeld voor ‘krijgsverraad bestaande uit verspieding’ tot de dood met de kogel. Op 1 april van dat jaar wordt ze zonder blinddoek gefussileerd op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek, die nu op het terrein van de Belgische omroepen aan de August Reyerslaan ligt. In mei 1919 wordt zij na een rouwdienst in de Koninklijke Sint-Mariakerk van Schaarbeek opnieuw begraven op het kerkhof van Schaarbeek. In 1923 onthult koningin Elisabeth een standbeeld van Gabrielle op het Sint-Jansplein te Brussel. Hier wordt een jaar later dit beeld van Paul Du Bois ingehuldigd.


Rechts van Gabrielle via de Rue Clovis met rechts de oude pastorie uit 1768 naar de voorzijde van de


L’ÉGLISE SAINT-BRICE

Sint-Brixiuskerk (niet steeds toegankelijk)

Place Clovis / ingang Rue Clovis


Op deze plek gaan we terug naar het ontstaan van Doornik. Nadat in 407 de Vandalen het West-Romeinse rijk ineen doen storten, rukken de Salische Franken op naar het onverdedigde Gallië, waar zij rond 430 Doornik bereiken onder leiding van hun koning Clodion. Zijn opvolger is de legendarische koning Merowech, die zijn naam later zal geven aan het geslacht der Merovingers. Die gaan nu een flink deel van Europa aan zich onderwerpen en dat begint met Childeric, die het op een akkoordje weet te gooien met achtergebleven Romeinen. Het graf van deze in 482 overleden Merovinger wordt in 1653 ontdekt aan de noordzijde van de Sint-Brixiuskerk. In het rijke graf wordt een ring gevonden met de naam van de koning en sieraden met bijen erop, een kenteken van deze vorst. De vondsten zijn overgebracht naar Parijs, waar het merendeel tijdens de Franse Revolutie verloren is gegaan bij een roof, waarbij de buit op de bodem van de Seine belandt. Bij recentere opgravingen tussen 1983 en 1985 zijn naast Childerics tombe de skeletten van niet minder dan twintig paarden ontdekt, meegegeven als grafgift.

Maar het zal Childerics zoon Clovis zijn, die de strijd aanbindt met de Romeinse generaal Siagrius, die er tot dan toe in geslaagd is een aardig stukje van het vroegere Romeinse Gallië tot een privé-koninkrijkje uit te bouwen. Siagrius moet wijken voor Clovis en binnen 25 jaar strekt Clovis' rijk zich uit van de Rijn tot de Pyreneeën. De latere Franse koningen beroepen zich er graag op dat zij rechtstreekse afstammelingen van de Merovingers zijn en daarom willen zij niet dat de oude koningsstad Doornik bij de graafschappen Vlaanderen of Henegouwen wordt ingelijfd. Zo behoudt de stad van 1187 tot 1526 de aparte status van 'vrije stad' onder Franse bescherming. Pas als onze Habsburger Karel V Doornik verovert, wordt zij een deel van de Nederlanden. Dit is ook de reden, waarom niet Doornik maar Mons hoofdstad is geworden van Henegouwen. In Mons en niet hier stond het kasteel van de graven van Henegouwen op een heuvel aan de Haine.


De Sint-Brixius kerk is gewijd aan een bisschop uit het Franse Tours en al zeer oud. Pal achter de hoge 15de-eeuwse voorste toren zijn er nog een romaans schip en een dwarsbeuk met kleinere toren. Romaans betekent kleine vensters, vrij lage bouw, God is nog de te vrezen hemelse vader, de kerken zijn donkere ruimten. Achter dat romaanse deel is in de 13de eeuw een gotisch koor toegevoegd, waaronder later een romaanse crypte is ontdekt. Dus dat stuk moet ook al vroeger tot de kerk hebben behoord. In de 15de eeuw wordt dit koor verlengd met drie parallelle delen die even hoog zijn, een zogenaamde hallenkerk. Je komt drie beuken van gelijke hoogte meer tegen in Nederland en Duitsland. Hier zien we dus een kerk met zowel een vieringstoren ( = toren op de kruising van schip en dwarsbeuk) als een westertoren ( = toren boven de ingang). De grote toren heeft ook gediend als belfort van de rechter Schelde-oever, toen dat gedeelte nog niet tot de stad Doornik behoorde.

Door Duitse luchtaanvallen in 1940 is deze kerk flink in puin geschoten, zodat het interieur niet zo interessant is. Hoogaltaar en doopvont (helemaal vooraan) zijn 20ste-eeuwse scheppingen van beeldhouwer George Grard, de man die aan de Vlaamse kust in Oostende ‘Dikke Matille’ heeft geboetseerd.


Aan de voorzijde van de kerk loopt de Rue de la Barre Saint-Brice naar rechts. Links staan hier


TWEE ROMAANSE WOONHUIZEN

Rue de la Barre Saint-Brice 12 + 14


Opvallend aan deze vroeg-middeleeuwse huizen zijn de kleine zuiltjes uit één stuk steen tussen de raamopeningen, waar vroeger geen glas in zat, maar wel houten luiken voor zaten. Doornikse breuksteen is als bouwmateriaal gebruikt. In de omgeving van de stad liggen steengroeven met grijze hardsteen, waarbij breuksteen zoals het woord zelf zegt, niet keurig op maat is gekapt zoals met zachtere zandsteen doorgaans het geval was. Tegenwoordig kan hardsteen wél op maat worden gezaagd en is deze ‘blauwe steen’ een bekend product uit Henegouwen. Oorspronkelijk waren de daken van deze patriciërshuizen met lood afgedekt, net zoals de kerken. Intussen zijn er nieuwe pannendaken geplaatst en heeft het rechter pand andere benedenvensters gekregen, die wat dieper liggen. Sinds 1973 komt hier de protestantse gemeente van Doornik samen. De eerste protestantse gemeente ontstaat al rond 1529 in Doornik. Pierre Brully organiseert die gemeente in 1544 naar het model van de Franse gereformeerde kerken en in 1560 bedenkt dominee Gui de Bray de naam Église de la Palme, Palmkerk. Pas in de 18de eeuw kunnen de protestanten hier hun geloof openlijk belijden, tot dan zijn hun samenkomsten clandestien.

Het enige andere voorbeeld van romaanse huizen in deze stijl is te vinden aan de Gentse Graslei, waar het Spijker als graanpakhuis staat. Dat is vandaag een restaurant en het Gentse huis is goeddeels herbouwd. Hier in Doornik schijnen deze huizen uit 1175-1200 ook gediend te hebben als vergaderplaats van de schepenen van het gedeelte ‘over de Schelde’ van de stad. Dat gedeelte reikte toen niet veel verder dan de Sint-Brixiuskerk. Nog even over de straatnaam: een ‘barre’ is een baar of slagboom, er was hier wellicht een tolhek.


Wandel verder door de Rue de la Barre Saint-Brice, waar nog een gotisch huis staat. Bij het oversteken van de Rue des Boucher Saint-Brice heb je een fraai doorkijkje naar hét Doornikse monument, de Notre-Damekathedraal. Na het passeren van het mooi gerestaureerde pand nr.24-26 kom je aan het


HUIS VAN JEHAN BOUTILLIER

Rue Barre Saint-Brice 28


De woning van koninklijk raadsheer mr.Jehan Boutillier is een 15de-eeuws gotisch huis. Het verschil met de romaanse huizen is de betere afwerking van de stenen en wat meer versieringen. Je ziet hier ook hardstenen waterlijsten horizontaal over de gevel lopen. Waterlijsten dienen om snel het regenwater van de muur weg te krijgen, zodat het niet kan binnensijpelen of de steen aantasten. Dakgoten en regenpijpen zijn in die dagen nog een onbekend verschijnsel. En van siliconenspray om muurvoegen waterdicht te maken heeft zelfs niemand nog gedroomd. Dr. Neerdaels moet dit monument voor de toekomst bewaren.


Linksaf  via de Rue de Cordes en dan even oversteken naar de smalle Rue Moncheur, die je naar de rechter Schelde-oever brengt en de Quai Saint-Brice. Je passeert in de steeg bar-resto Corto Malte, een naam die sterk doet denken aan de stripheld Corto Maltese, met ‘s zomers een flink terras en een aangepaste oude wegwijzer.

(Wie de kasseitjes van de Rue Moncheur te bar vindt, kan na de Rue de Cordes rechtsaf gaan via de Rue des Campeaux en daarna naar links de Rue Royale volgen tot aan de Scheldebrug.)


L’ESCAUT

De Schelde


De rivier die ook langs Antwerpen stroomt en verder de Zeeuwse eilanden van het vasteland van Zeeuws-Vlaanderen scheidt is hier een flink stuk smaller, want we zitten veel dichter bij de Franse bron van l'Escaut. De rivier vormt in Doornik geen grens, maar juist de verbinding met Vlaanderen via het water, in de middeleeuwen een snellere verkeersweg dan een reis over land. Vandaar ook dat deze rivier binnen de gordel van vestingmuren een speciale bescherming kreeg met de Pont des Trous (Gatenbrug), een versterkte doorgang met drie bogen over het water. Je ziet hem rechts in de verte opdoemen en we komen er later nog dichterbij.


Even de Quai Saint-Brice naar rechts volgen en dan via de voetgangersbrug – de Passerelle Notre-Dame - oversteken naar de linkeroever.


Het lijkt misschien op het eerste gezicht vreemd dat er zo’n voetgangersbrug over de rivier ligt op amper enkele tientallen meters van een verkeersbrug, de Pont Notre-Dame. Met wat geluk zie je meteen de reden: de verkeersbrug is een hefbrug, die af en toe omhoog gaat om de binnenschepen te laten passeren. Doordat hier geen grote zeeschepen komen, heeft deze hefbrug geen grote torens zoals bijvoorbeeld de bekende brug van Willebroek, waartussen het bewegende brugdeel wordt opgetrokken aan kabels. Hier wordt het brugdek hydraulisch omhoog geduwd met cylinderstangen, waardoor je amper ziet dat de brug kan bewegen als hij is neergelaten.


Als je van de passerelle komt, kijk dan eerst even rechts beneden naar het informatiebord.


Je leert hier dat de Schelde tussen deze Pont Notre-Dame en de Pont à Pont stroomopwaarts (= rechts) vroeger zo’n 70 meter breed was en dat er op steigers in de rivier een groot aantal watermolens draaiden. Op dinsdag, donderdag en zaterdag waren die molens actief, op maandag, woensdag en vrijdag gingen er afsluitingen open waardoor de scheepvaart vrij spel kreeg en op zondag viel alles even stil om de rivier een natuurlijke zuivering te laten ondergaan, wat nodig was in een tijd dat alles in zo’n stroom werd gekieperd. Lodewijk XIV heeft na zijn verovering van Doornik de Schelde laten rechttrekken en kaden laten aanleggen, waardoor de molens verdwenen.


Nu naar links de Quai du Marché aux Poisson volgen, die even verderop breed uitloopt als oude vismarkt van Doornik.


LE MARCHÉ-AUX-POISSONS

De Vismarkt


Deze vroegere vismarkt is ook ingesteld door Lodewijk XIV en aangelegd tussen 1669 en 1681. Er stond een klein gebouwtje waar vis bij afslag werd verkocht. Dat heette hier de minck, van het Vlaamse ‘mijn’, de uitroep waarmee iemand te kennen gaf dat hij de partij wilde kopen.

Bij de vernieuwing van de vismarkt in 1850 heeft architect Justin Bruyenne – je komt hem straks nog tegen – een nieuw mijngebouw ontworpen, waarin ook de klok van de visverkopers was opgehangen en een overdekte verkoopruimte met een smeedijzeren dak voor de vishandelaren, beide gebouwd door Alex Pipart. Helaas zijn die na de Tweede Wereldoorlog gesloopt – maar een infobord toont je nog oude foto’s - al mag de huidige Marché-aux-Poissons ook gezien worden, vooral op zomerse dagen met de terrasjes. Van april tot oktober wordt hier vrijdags van 16 tot 20 uur kunstmarkt gehouden. En aan de Scheldekant loopt sinds 30 juni 2006 een traject van een RAVeL-route (Réseau Autonome de Voies Lentes), een deel van een netwerk voor langzaam verkeer, zeg maar fietsers, dat de laatste decennia in Wallonië is uitgestippeld en aangelegd, vaak over oude spoorwegtrajecten.

Huis nr.15 aan deze kaai heeft dakkapellen waarvan de lijsten de vorm van vissen hebben. En als je even achterom kijkt naar de gevel op de hoek met de Rue de la Laterne, zie je daar een gouden kogel in steken. Die zou nog dateren van de belegering van Doornik door Lodewijk XV in 1745.

Groet nog even Lodewijk XIV, die hier op een paal in brons is vereeuwigd door Christine Jongen. Deze Lodewijk de Zonnekoning lijft Doornik van 1667 tot 1709 in bij Frankrijk en wil van dit strategische steunpunt op de grens met de Oostenrijkse Nederlanden een fraaie en weerbare stad maken.


Aan het verste eind van de vismarkt slaan we de smalle Rue de la Tête de Veau in, ooit een op de rivier doodlopend steegje, dit Kalfskopstraatje.


Je komt nu in het oudste deel van Doornik, waar de handelaars in voedingswaren hun bedrijfjes hadden, dicht bij de kade waar de boten aanlegden die voor aan- en afvoer van allerhande goederen zorgden.


Na twee niet geheel geslaagde muurschilderingen van Gainsbourg en de Fab Four ga je rechtdoor de Rue du Chevet Saint-Pierre in.


Dit straatje, dat ooit achter het koor van een kerk door liep en nu een handvol aparte winkeltjes heeft en een al even merkwaardig restaurantje ‘Tatie Danielle’, leidt ons naar de


PLACE SAINT-PIERRE

Sint-Pietersplein


Dit plein vormt het hart van de oude havenwijk van Doornik. Vanaf de 10de eeuw staat hier al een eerste kerkje met daarrond een kerkhof. Dat kerkje is gewijd aan Petrus als patroonheilige van de vissers en de handelaars in waren die per schip aangevoerd worden. Met financiële steun van ridder Guisbert komt er in de 12de eeuw een iets grotere kerk, ditmaal gebouwd door het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. De bevolking blijft groeien en in de 18de eeuw wordt die kerk vergroot, waarbij het koor tot aan de Rue du Chevet Saint-Pierre reikt, letterlijk de straat van het Sint-Pieterskoor.

Maar de Franse revolutionairen moeten niet weten van Sint-Pieter, het kerkje wordt niet direct gesloopt, maar wel voor allerlei andere doeleinden gebruikt, bijvoorbeeld als soepkeuken voor de armen. Uiteindelijk wordt het vervallen gebouw dan toch gesloopt tijdens de Hollandse periode in 1821. Het nieuwe België laat vanaf 1850 een hoop oude huizen rond dit plein afbreken, om die te vervangen door een nieuwe bebouwing, waarbij voor meer harmonie in de architectuur rond het plein wordt gezorgd. Wanneer hier tenslotte in 1990 opgravingen plaats vinden, zorgt men er nadien voor dat de plattegrond van de Sint-Pieterskerk in het nieuwe plaveisel wordt verwerkt.

Op woensdag wordt op dit pleintje markt gehouden.


Aan de rechterzijde van de kerkplattegrond (gezien van de voorzijde) kies je nu de Rue du Puits Wagnon.


Ook zo’n klein straatje met links en rechts wat winkeltjes en eethuisjes. De straatnaam verwijst naar een put, die ooit door ene heer Wagnon hier is gegraven om aan water te raken.


Nu rechts de Rue de la Cordonnerie in.


Cordonniers zijn schoenmakers, verschillende straatnamen in dit oude stadsdeel verwijzen naar middeleeuwse ambachten, waarvan de beoefenaars zich in dezelfde buurt vestigden. Vandaag zie je hier de eerste resultaten van de Doornikse stadskernvernieuwing: opgeknapte gevels waarin onderaan moderne winkeletalages zijn aangebracht.


Aan het eind van dit straatje zie je de

OFFICE DU TOURISME – VISIT TOURNAI (Toeristische Dienst)

Place-Emile Janson 1.

Achter de fraaie gevel van een herenhuis in Lodewijk XVI-stijl, maar wel pas in 1914 gebouwd door architect Jules Wilbaux, huizen de toeristische allesweters van deze stad. Als je over de drempel stapt, sta je meteen voor een 8m² grote spiegel, waarin de torens van de kathedraal reflecteren, de Miroir joli die je vraagt: “Dis-moi que je suis la plus belle des cathédrales.” (Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, zeg me dat ik de mooiste kathedraal ben van het land.) Binnen kan je nog twee filmprojecties bekijken: “La Couleur des Temps” vat 2000 jaar Doornikse geschiedenis samen in 20 minuten, “De la pierre au ciel” vertelt het epos van de kathedraal van stichting tot vandaag in 3D, ook weer 20 minuten. Allebei in een Nederlandstalige versie mogelijk. In de middeleeuwse kelders worden exposities gehouden.

Open: 1 apr.-31 okt. ma-vr. 9-17.30u., za.zo. 9.30-12.30 / 13.30-17.30u.; 1 nov.-31 mrt. ma.-vr. 9-17u., za. 9.30-12.30 / 13.30-17u., zo. 13.30-17u. Dicht op 1 mei, 1 nov., 25+26 dec., 1+2 jan. en op de maandag van de braderie in september.

 

Onze route gaat vanuit de Rue de la Cordonnerie naar links de Place Paul-Emile Janson op, richting achterzijde van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Daar zie je een beeldengroep:


LES AVEUGLES

De Blinden

Place Paul-Emile Janson


Een bronzen beeldengroep uit 1908 van de ons reeds bekende Guillaume Charlier. Dat het hier juist om blinden gaat, heeft te maken met Mantillius, een blinde man die door bisschop Eleutherius genezen zou zijn. Het Mantilliusportaal van de kathedraal is naar die man genoemd, maar dat is door de huidige restauratie van de Notre-Dame niet toegankelijk..


Via de Rue Soil de Moriame begin je aan een rondgang achter het kathedraalkoor door. Dit kleine stukje straat komt snel uit in de Rue des Chapeliers.


Le LOFT

Rue des Chapeliers 20.


Je loopt recht op het oude hoofdpostkantoor van Doornik, nu ingenomen door een winkel, Le Loft. Misschien is het je stilaan opgevallen, Doornik heeft geen echte grote winkelstraat in zijn stadskern. Hier en daar kom je bekende namen tegen van ketenzaken als ‘Kruidvat’, maar je zoekt tevergeefs naar het Doornikse equivalent van de Antwerpse Meir, de Brusselse Nieuwstraat of de Gentse Veldstraat. De bekende namen vind je echter in het winkelcentrum Les Bastions aan de Boulevard Walter de Marvis, een deel van de ringboulevards op de rechter Schelde-oever, waar zo’n 60 winkels bijeen zitten.

Sinds 2009 wordt er hard gewerkt aan een ware make-over van de oude stadskern, die voetgangerszone wordt. Er wordt momenteel overal tegelijk gewerkt, want Doornik heeft 30 miljoen euro van onder meer Europa gekregen, die tot 2013 gebruikt kunnen worden.


Je passeert langs de achterzijde van de getraliede vensters van de kapittel-vergaderkamers en de schatkamer van de kathedraal, die momenteel door de restauratiewerken niet permanent toegankelijk is. Enkele etalages geven je een idee van wat in die schatkamer aanwezig is.


Tegen een muur zie je een barok beeld met daaronder een gedenkplaat voor kanunnik Pierre Joseph Warichez. Hij is in 1870 in de taalfaciliteitenstad Edingen/Enghien geboren en hier in Doornik op 10 oktober 1935 bij een verkeersongeluk omgekomen. In die 65 tussenliggende jaren heeft de man een halve bibliotheek bijeengeschreven, vooral rond de geschiedenis van het bisdom en de kathedraal van Doornik. Zijn belangrijkste werken zijn dan ook “Les origines de l’église de Tournai” uit 1902, in feite het proefschrift waarop Warichez in 1897 doctoreerde in moraal en geschiedenis, en “La cathédrale de Tournai et son chapitre” uit 1934. Benoemd in 1905 tot archivaris van het bisdom en het kapittel van de kathedraal zat hij natuurlijk direct aan de bron en hij is zich daar tot aan zijn dood aan blijven laven. Ook de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen, waarvan hij corresponderend lid was, en de Koninklijke Vereniging voor Geschiedenis en Archeologie van Doornik, waarvan hij ondervoorzitter was, hebben van zijn ruime kennis kunnen profiteren.   


Even verder sla je rechtsaf, bij een paal waarop een 70 cm grote kanunnik richting kathedraal wijst.


SINT-LUCAS SCHILDERT DE MET MADONNA EN KIND

Vieux Marché aux Potteries


Een in geëmailleerd brons uitgevoerde beeldengroep uit 1936 van Marcel Wolfers, waarvoor een schilderij van Rogier van der Weyden als voorbeeld diende. In deze stad is die schilder beter gekend als Roger de la Pasture, die in 1399 in Doornik is geboren. Hij behoort tot de zogeheten Vlaamse Primitieven, waartoe ook lieden als Jan en Hubert Van Eyck ('Lam Gods' in Gent) en Hans Memlinck (‘Ursulaschrijn’ in Brugge) worden gerekend. Het tafereel waarbij Sint-Lucas een schilderij van Maria en haar Zoon maakt, gaat terug op een oude legende. Van beroep arts, werd van Lucas gezegd dat hij een afbeelding van Maria zou hebben geschilderd en door dit verhaal is hij later patroonheilige van de schilders geworden.


Voor je de kathedraal binnengaat, bekijk je eerst even de buitenkant.


CATHÉDRALE NOTRE-DAME

Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.

Open: 1 nov. – 31 mrt.  ma-vr. 9.15-12 / 14-17u.; za.zo.feestdag 14-17u.

1 apr. – 31 okt.  ma.-vr. 9.15-12 / 14-18u.; za.zo.feestdag 14-18u.


De vijf torens zijn hét kenmerk van Doornik. Alles wat nu links van die torengroep staat is romaans, rechts zie je het gotische koor. De bedoeling van bisschop Walter de Marvis was om de hele 12de-eeuwse romaanse kathedraal door een gebouw in de modernere gotische stijl te vervangen vanaf de 13de eeuw, maar dankzij acuut geldgebrek is er dat nooit meer van gekomen. Wanneer ze in de gotiek steeds hoger bouwen en de gewelven alleen nog maar op pijlers laten steunen, maar niet meer op zware muurvlakken, is het nodig om steunberen en luchtbogen aan te brengen om de buitenwaartse druk van die gewelven op te vangen. Het romaanse deel steunt nog op de zware muren, waarbij je langs de ramen van de middenbeuk aan de buitenkant een rondgang ziet lopen. Rond de zware vieringstoren staan vier kleinere torens, alle vijf zijn ze even hoog, 83 m, en ze dragen een eigen naam. Voor de middelste Lantaarntoren staan aan onze zuidkant links de Treilletoren. Volgens sommigen heet die zo omdat hierin de miswijn werd bewaard. Treille is dan druivenstok. Maar er wordt ook verwezen naar de ‘treuil’, de haspel waarrond in de middeleeuwen een lange kaars wordt gewonden, die voortdurend brandt ter ere van Onze-Lieve-Vrouw. De rechtse toren is de Pontoise-toren, waarin de  8.000 kilo wegende klok ‘Marie-Pontoise’ hangt, de luiklok van de kathedraal, die in 1843 is gegoten door de gebroeders Drouot en als toon de noot fa heeft. Naast deze grote klok hangen er nog vier klokken in de Johannestoren, die rechts de tegenhanger van de Pontoise-toren aan de andere zijde van het gotische koor vormt. Zijn naam houdt verband met een aan Sint-Jan gewijd altaar dat er tegenaan was geplaatst. Tenslotte is er als tegenhanger van de Treilletoren aan de romaanse zijde nog de Brunintoren, waarin ooit een gevangenis was en wellicht heette de eerste gevangene Brunin. Alle torens zijn verschillend qua opbouw.

De ingang aan deze zijde van de kerk heet Kapitoolportaal. Die naam verwijst naar het 12de-eeuwse raadhuis van Doornik, dat niet ver van deze plaats stond en ‘La Capitole’ heette. Of dacht je dat Washington het alleenrecht op die naam had? Aan de buitenzijde is boven de deur een tribune aangebracht. Van hieruit keken de rechters toe hoe veroordeelden lijfstraffen ondergingen. Aan deze kant was er dan ook een beeldhouwwerk dat het Laatste Oordeel voorstelde, maar dat nu zodanig verweerd is, dat bij gebrek aan herkenning wel vrijspraak moet volgen.


Je gaat nu de kathedraal binnen via het Kapitoolportaal.


Interieur Onze)-Lieve-Vrouwekathedraal:


Graaf-bisschop Eleutherius is de eerst bekende bisschop van het bisdom Doornik en zou in deze streken in 496 aangekomen zijn. Hij wordt in het begin van de 6de eeuw door de bisschop van Reims benoemd, nadat de Frankische vorst Chlodovech (onze Clovis) zich op 25 december 506 met heel zijn familie heeft laten dopen, waardoor het christendom in feite staatsgodsdienst wordt. Eleutherius wordt aangeroepen tegen koorts, tegen langdurige droogte maar ook bij aanhoudende regenval. Kortom, een man waar je alle kanten mee uit kan. Alleen heeft dat mooie liedje niet zo lang geduurd, als de man in 531 overlijdt, is het voor iedereen duidelijk dat Doornik in feite niet rijp is om een zelfstandig bisdom te zijn en komt de stad ruim zes eeuwen onder het Franse bisdom Noyon.

Pas in 1146 wordt Anselmus de tweede Doornikse bisschop. Zijn bisdom strekt zich dan wel ver uit, het grootste deel van Vlaanderen valt eronder, uitgezonderd de Vier Ambachten, een streek die nu vooral Zeeuws-Vlaanderen omvat. Daardoor komt de stad Hulst onder het bisdom Utrecht terecht. Henegouwen valt grotendeels onder het bisdom Luik en zo ontstaan er historisch sterkere banden tussen Doornik en Vlaanderen dan met het huidige Wallonië.


Ga je binnen meteen naar links, dan sta je in een grote, vrij lege ruimte. Het romaanse schip leidt onze blik horizontaal naar het grote rosetraam voorin. Het stelt de ‘Triomf van de Heilige Maagd Maria’ voor, is gemaakt door Jean-Baptiste Capronnier in 1851 naar een ontwerp van architect Justin Bruyenne en geschonken door Gaspar Labris, die hier van 1835 tot zijn dood op 16 november 1872 bisschop is. Onder dat grote glasraam het brede orgel met veertig registers, gebouwd in 1854 door de Parijse firma Ducroquet.

Vier horizontale rijen delen de muren in: de zuilen die de middenbeuk scheiden van de zijbeuken en die telkens andere kapitelen hebben, waarop bloemen, dieren en mensen staan afgebeeld; daarboven de arcaden van de tribunes, een soort wandel- en zitruimte bovenop de zijbeuken; dan kleinere boogjes die alleen als versiering dienen, een zogenaamd 'blind triforium';  tenslotte de lichtbeuk met vensters.

Helemaal vooraan staat een maquette van de kathedraal, in 2003 vervaardigd door de 82-jarige schrijnwerker Henri Dubois. Hij heeft er tien jaar aan gewerkt en je krijgt de indruk dat zijn vrouw regelmatig een stel nieuwe wasknijpers moest aanschaffen. Maar deze maquette geeft wel een uitstekend overzicht van de verschillende delen van deze kerk. Je ziet bijvoorbeeld dat het Mantilliusportaal aan de linkerzijde apart tegen de rest van de kerk lijkt aangebouwd. Er is geen echte symmetrie bij dit bouwwerk en dan moet je ook nog bedenken dat rondom tegen de kathedraal overal woonhuizen waren gebouwd, die pas begin 20ste eeuw zijn gesloopt.

Bekijk teruglopend van deze maquette eens goed de kapitelen (bovenkanten) van de zuilen. Op de vierde pijler rechts zie je twee met elkaar verbonden paarden; op de zesde pijler rechts twee mensenhoofden met een puntmuts; de achtste pijler links heeft het ‘kapiteel met de zwanen’, die met hen lange nekken elkaar omstrengelen. Het merkwaardigste kapiteel zie je echter op de achtste pijler rechts, bij het Mariabeeld. Daar lijkt een man met een schreeuw omlaag te tuimelen, naar verluidt de bouwmeester van de kathedraal die van de stellingen valt.


Het grote houten omhulsel dat het beroemde renaissancedoksaal van Cornelis Floris de Vriendt beschermt verspert ons de toegang tot het gotische koor. Dus buigen we naar rechts om even de glasramen in de zuider dwarsbeuk te bekijken. Dit gebrandschilderd glas-in-lood van de Nijmegenaar Arnold van der Spits vertelt je de bloedige geschiedenis van de familie van Clovis. Je volgt het verhaal van links naar rechts, waarbij je een onderscheid moet maken tussen de scènes aan de bovenzijde en de taferelen aan de onderkant. Het verhaal:

Clovis’ zoon Chlotarius verdeelt het rijk onder zijn zonen. Siegisbert krijgt Austrasië, het zuidoostelijke stuk, Chilperik ontvangt Neustrië, een noordwestelijk deel waarin Doornik ligt. Beide broers trouwen elk met een dochter van de koning van de Westgoten, die in het Spaanse Toledo woont. Siegisberts vrouw heet Brunhilde, de eega van Chilperik is Galeswinde. Maar onze Chilperik houdt er nog een minnares op na, Fredegonde, die best een plaatsje wil opschuiven en koningin wil worden. Geen probleem, ze laat gewoon Galeswinde wurgen. Allemaal goed en wel, maar daar is zus Brunhilde niet echt enthousiast over en ze zal haar Siegisbert het eens even laten uitleggen. Het eerste venster toont dat ‘gesprekje’ tussen beide broers. Van woorden komen daden, Siegisbert brengt zijn broer een bloedige nederlaag toe, zoals het volgende raam onderaan toont. Chilperik vlucht naar Doornik, waar de bisschop hem al staat op te wachten (venster 3 onderaan). Fredegonde legt zich niet bij de feiten neer. Ze neemt wat goudstukken van haar huishoudgeld en huurt twee maffiosi met scherpe dolken in (venster 4 onder). En net als Siegisbert in zijn legerkamp zou worden uitgeroepen tot koning van Austrasië en Neustrië samen, wordt zijn koningschap in de kiem gesmoord door een brutale moord (vijfde venster onderaan). Chilperik kan nu rustig koning gaan spelen over beide rijken, maar denkt nog even aan zijn gastheer de bisschop en overhandigt hem de sleutels - in feite de tijdelijke rechten - van Doornik (venster 6 onderaan). Sindsdien komt de stadsmagistraat jaarlijks in de bisschopskapel trouw zweren aan deze voorrechten (venster 7 onderaan) en loopt alles toch nog heerlijk slecht af. Leuke les in een kerk, nietwaar? De bovenzijden van de vensters beelden de privileges uit die Doornik van Chilperik krijgt: belastingen op elk stuk vee dat de Schelde oversteekt (venster 2), belasting op het gebruik van maten en gewichten (venster 3), op de verkoop van wijn (venster 4), op het houden van markten (venster 5) en op het brouwen van bier (venster 6). Omwille van al die privileges heten deze glasramen ook wel de ‘vensters van de privileges’. In het begin van de 16de eeuw, als deze ramen worden gemaakt, komt er nog veel volk naar de kerk en kan dus zo goed herinnerd worden aan wat men de ‘keizer’ moet doen toekomen. Omdat de inkomsten van al die heffingen ook flink bijdragen tot de financiering van de bouw van deze kathedraal, is het van belang voor de bisschoppen om enige nadruk op al die stedelijke rechten te leggen. Aanvankelijk zaten deze ramen in het koor, zodat de kerkgangers ze dus recht voor zich zagen. Na een buskruitontploffing in 1745 zijn ze naar deze dwarsbeuk verplaatst.


Door de restauratiewerken is momenteel het koor niet te bezichtingen, maar de schatkamer wel.


In de schatkamer van de kathedraal zie je onder veel meer: het reliekschrijn van Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen, een meesterwerk van Nicolas van Verdun  uit 1205, waarin de relieken van Sint-Elooi en Sint-Amandus worden bewaard; het reliekschrijn uit olijfhout bekleed met goud en zilver met de relieken van Sint-Eleutherius, de eerste bisschop van Doornik, vervaardigd dankzij giften van pauselijk legaat Odon de Tusculun en bisschop de Marvis van 25 augustus 1247; het reliekschrijn van de Saletjonkers, een broederschap waarvan de lokale autoriteiten lid waren, gemaakt in 1280; een armreliekhouder met een relikwie van de heilige Apollonia, gemaakt in de 17de eeuw uit zilver en messing en afkomstig van het ursulinenklooster. De hand houdt een tandtrektang vast, want bij Apollonia zijn als marteling haar tanden uitgetrokken en daarom beschermt zij je tegen tandpijn; het beeld van de Bruine Onze-Lieve-Vrouw met Kind, gehuld in een koningsblauwe mantel uit 1450; een 13de-eeuws reliekkruis met dubbele dwarsbalk; een ivoren reliekkastje uit de merovingische periode; het oudste kapittelzegel van West-Europa uit de 12de eeuw; wandtapijten uit Arras anno 1402; het draagaltaar van Thomas Beckett uit de 12de eeuw; een mantel van keizer Karel V en schoeisel van de enige Nederlandse paus Adrianus VI ofwel Adriaan Floriszoon Boeyens – en dat is niet van Prada.


Bezoek schatkamer op dezelfde uren als de kerk, toegang € 2,00 (Kerk gratis).


We verlaten de kathedraal via dezelfde weg als we binnengekomen zijn en gaan naar links via de Vieux Marché aux Potteries naar de Rue des Chapeliers, die je naar rechts uitloopt zodat je bij het Belfort uitkomt.


BEFFROI

Belfort

Vieux Marché aux Potteries


Een alleenstaande toren uit de 12de eeuw en daarmee meteen het oudste belfort van België. Wanneer Doornik in 1187 door Frankrijk wordt geannexeerd, vindt er een ontmoeting plaats tussen bisschop Evrard, die tot dan als vazal van de Franse koning Doornik heeft bestuurd, en koning Philippe II Auguste. Om zich van de trouw van deze strategisch gelegen stad te verzekeren, verleent de Franse vorst aan de burgers van Doornik een oorkonde, die hen een klokrecht geeft, zodat ze in een daartoe geschikte plaats een klok mogen hangen om de bevolking samen te roepen of te waarschuwen voor brand of onheil. Er wordt een vierkante toren van amper 30 meter gebouwd op een plek waar wellicht eerder een Romeinse omwallingstoren stond. In 1294 wordt deze toren verhoogd tot ruim 70 meter, met vier verdiepingen, versterkt met zijtorens en bovenop een  spits met daarop een vergulde draak, een dier dat alertheid, bescherming en waakzaamheid symboliseert.

In deze toren hangen dus de stadsklokken: de oudste is de grote ‘Bancloque’ van 5000 kg uit eind 14de eeuw, aangebracht na de grote brand die in 1391 in het belfort woedt. Die klok dient om de bevolking op te roepen om zich op de Grand-Place te verzamelen, waar dan vanaf een balkon belangrijke mededelingen worden gedaan. De ‘Bancloque’ hangt in de ruimte net boven de eerste balustrade. De ‘Vigneron’ is de klok die het openen en sluiten van de stadspoorten aangeeft en de torenwachters oproept om hun posities op de bovenste balustrade in te nemen. Luiden beide klokken tegelijk, dan moeten de Doornikse burgers hun wapens nemen om de stad te gaan verdedigen. Dan zijn er nog de ‘Timbre’ uit 1392, die elk uur luidt en de kleinere ‘appeaux’-klokken,die zich om het half uur laten horen. Dat is zeker zinvol in de dagen dat het befort nog geen wijzerplaat heeft. Deze kleinere klokken maken deel uit van de beiaard, die een  ruimte hoger dan de ‘Bancloque’ hangt, waar klankborden in de raamopeningen zijn bevestigd. Helemaal bovenaan in de lantaarn van de spits hangt nog de ‘Tocsin’, een klok die bij nood wordt geluid.

Als je goed kijkt zie je op de zware zijtorens vier stenen beelden staan van gewapende mannen als verdedigers van de stad, die door de Doornikzanen de ‘hurlus’ (schreeuwers) worden genoemd en in 1952 zijn gemaakt door beeldhouwster Stella Laurent als vervanging van vroegere exemplaren. Verder zie je op de kleine torens rond de spits vergulde sirenes, zeegoden van een lagere rang, van boven mens, van onder vis, die op een hoorn blazen. Op de dakapellen rond de spits en rond de zijtorentjes staan vergulde banieren met het Doornikse stadwapen - een waltoren - en daarboven drie Franse lelies. Waar de onderste punten van de dakkapellen elkaar raken zie je vergulde sirenes uitsteken, wezens die half vrouw, half vogel zijn.

Tot 1817 waren er in dit belfort nog cellen voor tijdelijke opsluiting van gevangenen. In Doornik is er in het belfort geen ruimte waar privileges, stadsarchieven of de stedelijke schatkist werden bewaard. Dat gebeurde in een andere toren, de Tour des Six, die met het intussen gesloopte schepenhuis was verbonden.  

Je kan de 256 treden naar boven bestijgen om van 42 meter hoogte over Doornik uit te kijken. Die beklimming is de moeite waard, want er is op diverse niveaus een rondgang om de toren mogelijk, soms achter hekwerk of glas, soms in de openlucht. In het zomerseizoen wordt 's zondags om 16.30u. de beiaard met 44 klokken bespeeld.


Openingsuren belfort: 1 apr. – 31 okt. di.-zo. 10-13/14-17.30u.


Naar links kom je in de Rue du Parc. Ga even op de splitsing met de Rue de la Wallonie staan, waar je een fraai uithangteken met een hoorn des overvloeds ziet hangen bij brasserie Charles en kijk naar het witte gebouw aan de overzijde.


LE CONSERVATOIRE DE MUSIQUE

Muziekconservatorium

Rue du Parc / Place Reine Astrid 2


Een gebouw uit 1822-‘24 met op de zijgevel een groep van zes bronzen figuren uit 1982 van Geneviève Warny, die via allegorische figuren een reeks Doornikse beroemdheden uit de kunst- en kunstnijverheidsberoepen heeft uitgebeeld. Van links naar rechts: porseleinfabricage met François Peterinck (1787) met bordje in de hand, muziek met componist Pierre de la Rue (1518) met zijn luit, schilderkunst met Robert Campin (1427) met zijn palet, tapijtweven met Pasquier Grenier (1493) met een naald in de hand, goudsmeedkunst met Lefebvre Caters (1765) met een soort pincet, koperbewerking met als personage Michel Le Maire (1423) met een hamertje in de aanslag.

Stap je verder naar de voorzijde van het conservatorium, dan zie je een rotonde met massieve zuilen, waardoor dit gebouw wat wegheeft van de Antwerpse Bourlaschouwburg. Dat is niet zo verwonderlijk, de Doornikse architect Bruno Renard die dit bouwwerk hier heeft neergezet is een neef van Pierre Bruno Bourla, wiens ouders bovendien ook uit Doornik komen.


Intussen ben je op de Place Reine Astrid aangekomen, met wat verderop rechts het


MUSÉE DE LA TAPISSERIE ET DES ARTS DU TISSU

Museum van het Wandtapijt en de Weefselkunst

Place Reine Astrid

(open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17u., 1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u.)


In het neoklassieke herenhuis Gorin uit 1825 worden de weelderige Doornikse wandtapijten uit de 15de en 16de eeuw geconfronteerd met hedendaags werk van de Forces Murales-groep, waarvan onder meer Roger Somville, Debrunfaut en Deltour deel uitmaken. Op de bovenste verdieping het meest recente werk van actuele kunstenaars. In het bijbehorende CRECIT-atelier worden wandtapijten uit de hele wereld gerestaureerd of worden nieuwe tapijten op bestelling gemaakt. Daarnaast wordt hier onderzoek gedaan naar het verven en behandelen van wol.


Nu krijg je de keuze. Of wel kies je voor de kortere hoofdroute, ofwel voor een extra lus door de Sint-Piatuswijk, die je onder andere langs een kerk en een seminarie brengt. Hier zijn minder spectaculaire bezienswaardigheden te bekijken.


AANDACHT: Voor de hoofdroute ga je rechtdoor en sla je rechts het Stadspark met vijvers en fonteinen in .


Voor de Piatus-lus, die je o.a. langs een kerk en een seminarie brengt, ga je links de Rue Garnier in, waar je meteen een toren ziet staan:


TOUR DE LA LOUCHERIE

De Schele Toren

Rue Garnier


Je ziet hier vooraan een reconstructie staan van een Romeinse toren. Die is genoemd naar de eerste straat rechts, de Rue Loucherie. De toren staat hier omdat iets verderop bij de Oude Botermarkt al in het jaar 50 voor Christus een Romeins landgoed moet hebben gelegen, niet zo ver van een doorwaadbare plaats in de Schelde en eigendom van een zekere Turnus, waarnaar Doornik later wordt vernoemd. In minder dan een eeuw ontstaat rond dat domein een belangrijke plaats, die aan de Romeinse heirbaan van Keulen naar Boulogne ligt en er wordt een brug over de rivier gebouwd. La Loucherie is de naam van een heuvel waarop een deel van deze wijk is gebouwd en waar de Romeinen een eerste steunpunt stichten. Nu wordt deze wijk ook met die naam aangeduid.


Wandel de Rue Garnier verder uit tot deze overloopt in de Place du Vieux-Marché au Beurre, de Oude Botermarkt. Hier even naar links tot het kruispunt en daar rechtsaf, de Rue de la Tête d’Or in. Vrijwel meteen slaan we nog eens rechtsaf, zodat we de Doornikse vestigingen van Lunch Garden en Carrefour voor ons zien aan een ruime parkeerplaats.


ROMEINS AQUADUCT


Nee, jammer genoeg is er niets van te zien. Maar bij het ophogen van de plaats waar nu het Carrefour-filiaal staat begin jaren 1960, is hier een aquaduct met houten buizen ontdekt dat de wijk tussen de Schelde en La Loucherie van water voorzag. Tussen 1952 en 1955 zijn elders in deze wijk resten van een muurstuk van 85 meter en twee ronde torens opgegraven.

De Gallo-Romeinse bevolking van Turnacum drijft handel in granen, wol en vooral in de locale kalksteen, die de tand des tijds flink weerstaat en uit groeven wordt gehaald om vanuit een haventje op de rechter Schelde-oever in de richting van Antoine (Luchet d’Antoine) te worden verscheept. In de 4de eeuw wordt Doornik hoofdstad van de Civitas Turnacensium en er wordt eind 3de en begin 4de eeuw een eerste ommuring aangelegd volgens Romeins model. Die helpt niet om de Salische Franken buiten te houden, die Doornik in 431 innemen. Vanaf dan wordt Doornik een tijdlang de hoofdstad van het Merovingische rijk met als vorsten achtereenvolgens Clodion, Merovech, Childeric en Cholodovech. Deze laatste, we kennen hem als Clovis, breidt het rijk sterk uit en verplaatst de hoofdstad naar Lutetia, dat vandaag bekend is als Parijs.


Verlaat het parkeerplein via de helling met trappen (rechts van de helling voor auto’s, tegen de gevels) aan de andere zijde, waardoor je in de Rue des Clairisses uitkomt, die je naar rechts volgt. Na  de eerste straat rechts zie je voor de kerk een fontein staan.


FONTAINE "L'PICHOU SAINT-PIAT"

“Lievertje van Sint-Piatus”-fontein

Hoek Rue Saint-Piat / Rue des Jésuites


Vroeger stond er een oude fontein op het kerkhof rond de Sint-Piatuskerk, die in 1883 ruwweg is vernield. Architect Jules Wibaux en beeldhouwer Paul Du Bois hebben in 1931 het initiatief genomen om een kopie van die fontein in kalksteen te maken en hem zo te doen herrijzen. Een hoge paal met het stadswapen van Doornik vormt de hoofdmoot van dit monument, dat is opgedragen aan de Waalse literatuur en het Waalse lied (‘A la litterature et à la chanson Wallonie’) en dus wel in deze volkswijk thuishoort. Daarbij past ook de Doornikse straatjongen, met zijn guitige en tegelijk wat brutale lach. Hij staat symbool voor de ziel van de echte Doornikzaan.


Sla rechts voor de fontein de Rue des Jésuites in.


L’ ÉGLISE SAINT-PIAT

Sint-Piatuskerk (niet steeds toegankelijk)

Rue des Jésuites


Sint-Piatus is de eerste geloofsverkondiger die in Doornik actief is. Hij komt helemaal uit Benevento nabij Napels naar hier met zijn blijde boodschap en moest het zonder espressso en pizza’s stellen om onze heidenen te overtuigen. De kerk staat op de plaats van een Merovingische basiliek uit begin 6de eeuw, die weer op een christelijk graf uit de 4de eeuw staat. Maar het gebouw dat je nu ziet is uit de 12de eeuw. Toch nog flink oud dus en romaans van stijl wat het schip betreft, waarmee rond 1370 een gotisch koor is verbonden. Boven de ingang zie je een reliëf van het Lam Gods.

Mocht de kerk open zijn, wat niet steeds het geval is, dan kom je in een ruimte waar door de glasramen blauw licht naar binnen valt, wat deze kerk een speciale sfeer meegeeft. Pas in 1971 is ontdekt dat de romaanse middenbeuk ook een triforium bezit. Bogen en zuiltjes zaten voordien verstopt achter ander muurwerk. In het koor zie je een 17de-eeuws retabel en nabij dat koor geeft een kleine deur toegang tot een 15de-eeuwse grafkapel.

Links en rechts van het schip twee 17de-eeuwse kapellen. In de Sint-Hubertuskapel een koorlezenaar uit 1403 met de afbeelding van een adelaar. De tegenoverliggende kapel is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Alsemberg en is versierd met schilderijen die het verhaal vertellen van de pelgrimstochten naar het Brabantse Alsemberg – ten zuiden van Brussel.


Na het verlaten van de kerk ga je verder de Rue des Jésuites door.


L’ ASILE POUR FILLES PAUVRE

Opvangtehuis voor arme meisjes

Rue des Jésuites 12-16


Drie gotische huizen uit de 13de eeuw, in 1280 eigendom van de Vilains, een familie van geldwisselaars, komen in de 16de eeuw in handen van de jezuïeten. Met een brug over de straat laten ze die bij hun al bestaande college aansluiten. In 1671 stichten Anne en Agnes Manarre hier de Fondation des Desmoiselles Manarre, een tehuis voor achttien arme meisjes. Die meisjes leren hier lezen, schrijven en naaien om later zelf de kost te kunnen verdienen. Naar verluidt hebben hier vanaf 1774 ook Charlotte en Henriette de Robespierre negen jaar onderdak gevonden op aanbeveling van de bisschop van Arras. Zij zijn zussen van Maximilien de Robbespierre, een advocaat uit Lille, die in 1792 in Parijs de beruchtste leider van de Franse Revolutie wordt en nogal wat tegenstanders onder de guillotine brengt, maar dat uiteindelijk ook zelf moet bekopen met de dood door de valbijl. Later worden deze woningen tot logement verbouwd om uiteindelijk, wanneer het verval al aardig is ingetreden, in 1958 als monument te worden beschermd.  

Dat haalt weinig uit, wanneer er niet duchtig gerestaureerd wordt. Gelukkig koopt in 1974 de Fondatie Pasquier Grenier de nrs. 14 en 16 en geeft geld voor een restauratie die in 1978 zal plaatsvinden onder leiding van architect A. Wilbone.

Zo’n restauratie houdt vaak ook vervanging van al te vervallen delen in. De zuiltjes tussen de ramen moeten het gotische aspect van deze huizen benadrukken, maar zien er verdacht nieuw uit. Daardoor lijkt nr.12 authentieker, want het oogt pitoresker met de zwarte gevel en de kleine vensterruitjes. Dat in deze wijk nog behoorlijk wat oude gevels bewaard zijn gebleven, komt doordat men hier is ontsnapt aan het bombardement van 1940 dat elders in het Doornikse centrum veel schade heeft veroorzaakt.


Na het passeren van de Rue de Bêve kom je aan


LE SÉMINAIRE ÉPISCOPALE

Bisschoppelijk Seminarie

Rue des Jésuites 28

(enkel vrij toegankelijk tijdens openingsuren van de bibliotheek)


Aan je linkerhand zie je het toegangsportaal tot het vroegere jezuïetencollege, thans Bisschoppelijk Seminarie. Daarachter ligt een binnenplein waarrond 17de-eeuwse gebouwen liggen, versierd met twee barokke nissen met tegen de linker zijmuur Sint-Pieter en aan de achterwand Sint-Karel. De eerste moest de band tussen paus en jezuïeten beklemtonen, ook al was dat niet steeds een band van wederzijds vertrouwen. De pausen waren bevreesd voor de macht van de jezuïetengeneraals – zoals hun hoogste geestelijke leider heet – en daarom waren ze bereid om de orde op te heffen op verzoek van de Franse koning. Sint-Karel is niemand minder dan Karel de Grote, die door de paus tot eerste keizer van het Westen wordt gekroond – vandaar de kroon boven zijn hoofd – als tegenhanger van de oostelijke keizer van Constantinopel. Die laatste was de opvolger van de Romeinse keizers en Karel wordt hun opvolger in dit deel van het vroegere Romeinse Rijk. Hij laat zich kronen in Aken, dat sindsdien als Keizerstad door het leven gaat. In de Romeinse tijd waren daar al heilzame bronnen, vandaar Aqua in de stadsnaam, die oorspronkelijk Aquae Granni heette, naar de Keltische god Grannus die hier vereerd werd voordat de Romeinen arriveerden.


Wandel verder door de Rue des Jésuites tot aan het volgende kruispunt. Links zie je Vrouwe Justitia tronen op het gerechtsgebouw. Maar we slaan rechts de Rue d’Espinoy in. Aan het eind ligt aan je linkerhand een parkje met een twee fonteinen in grote bassins, omgeven door rozenperken.


AANDACHT: Hier sluit je weer aan bij de hoofdroute.


STADSPARK


Het Stadspark begint hier met een formeel aangelegde tuin met perken, enkele zitbanken, rechte paden en symmetrische bassins, waar in het midden fonteinen opspuiten. Verderop gaat dit park over in een veel losser aangelegd park, dat zich enerzijds voorzet in een vierkant pleintje met een groot monument en anderzijds in een onregelmatig gevormd deel met bomen en een kiosk.


Wandel naar de andere kant van het eerste parkgedeelde en steek daar de Allée Paul Bonduelle over. Zo beland je op de Square Paul Bonduelle met het grote monument.


STANDBEELD LOUIS GALLAIT

Square Paul Bonduelle


Veel raden is er niet aan, je ziet zelf wel dat de man schilder is. Ook geen armoelijder zo te zien aan ‘s mans vestimentaire outfit. Inderdaad, nog bij leven overladen met eerbewijzen, zelfs het Franse Légion d’honneur wordt hem toegekend. Louis Gallait behoort tot het kringetje van academische schilders uit de 19de eeuw, die letterlijk grote werken penselen en daarin stukken heldhaftige of dramatische geschiedenis fors gestalte geven. In dat rijtje horen eveneens thuis Nicaise De Keyser, Gustaaf Wappers, Henri Leys en Antoine Wiertz. Namen die we vandaag beter kennen van hun straatnamen en standbeelden, dan van hun werk, ook al heeft de laatste in onze rij een eigen museum in Brussel in zijn vroegere atelier. Hun stijl wijkt te zeer af van wat we vandaag appreciëren. Maar hun werk vind je nog steeds in de grootste musea van het land en Gallait heeft zijn eigen zaal in het Musée des Beaux-Arts van Doornik. Daar hangen twee beroemde doeken van hem: “De troonsafstand van Karel V”, 5 op 7 meter welgemeten en daar kroop dan ook drie jaar werk in, van 1838 tot 1841, waarna het Doornikse stadsbestuur op zondag 29 augustus 1841 op het stadhuis een banket voor Louis aanricht. Het andere schilderij is minder vrolijk, daar geeft Gallait een pestepidemie in Doornik op weer. Beroemd is ook zijn werkstuk “De laatste eerbewijzen aan de graven Egmont en Hoorne”, waarop een schare volk rond een bed naar de afgehakte hoofden van beide edelen staren. Alva heeft hen als afschrikwekkend voorbeeld op de Brusselse Grote Markt laten onthoofden, hoewel de beide mannen zich als legerleiders en gouverneurs niet al te opstandig hadden gedragen ten opzichte van koning Filips II. De derde grote man uit die dagen wist te ontsnappen, Willem van Oranje zag de bui hangen en nam tijdig de benen. Hij zou wél de grote opstandelingenleider worden. Dit schilderij hangt in het gemeentehuis van Zottegem, de stad waar Egmont begraven is. Deze drie schilderijen zijn bruiklenen van het Koninklijk Museum van Schone Kunsten te Brussel.

Onze tandem Charlier-Horta mag dit monument oprichten voor deze op 10 mei 1810 alhier geboren schilder. Het wordt op 20 september 1891 onthuld. Gallait is dan al overleden in 1887, niet hier maar in Schaarbeek. Onder de bronzen man heeft Horta in zijn sokkel een drietal even bronzen reliëfs verwerkt. Rechts van het beeld wordt Louis toegejuicht als succesrijke jonge schilder. Links wordt hij gehuldigd op 29 augustus 1841 door het stadsbestuur. Achteraan is het volk stiller, Gallait krijgt na zijn dood op 20 november 1887 een grandiose begrafenis in zijn geboortestad.

Deze square is genoemd naar een andere Doornikzaan, architect Paul Bonduelle, die de heropbouw van Doornik na het bombardement van de Tweede Wereldoorlog heeft geleid tussen 1945 en zijn dood in 1955.


Verlaat deze square door de linkse van de twee bogen die je ziet achter het standbeeld. Je loopt zo het Stadspark binnen, waar je direct links achter de boog de eerste van twee bijzondere bomen ziet staan.


TWEE OUDSTE BOMEN VAN DOORNIK

Stadspark


Het gaat om een ginkgo biloba aan je linkerhand en even verderop rechts een diospyros lotus. Er staan panelen met alle uitleg over beide parkreuzen bij, daar hebben wij dus niets aan toe te voegen.

Dit stadspark is aangelegd in 1862, de kiosk die je wat verder links ziet, staat hier sinds 1905, toen ook de bassins met fonteinen zijn aangelegd. Als je even op de kiosk gaat staan en in je handen klapt, kan je horen hoe het houten plafond als klankbord werkt..


Wandel even rechtdoor tot op een groen binnengebied met gesnoeide buxus, dat een kloostertuin moet oproepen. Het gaat ons om het gotische gebouw aan je rechterhand.


GOTISCHE KLOOSTERVLEUGEL

Stadspark, Kloosterhof


Eind 11de eeuw wordt op de plaats van een kapel uit de tijd van Clovis de benedictijner Sint-Maartensabdij gesticht. De monniken stammen vooral uit Franse adellijke families, wat zeker bijdraagt tot de rijkdom van de abdij, waarvan vooral de zeer rijke bibliotheek en de schilderijengalerij faam zullen verwerven. Bovendien wordt de abdij het favoriete Doornikse logeeradres voor al wie tot de hooggeplaatsten behoort: prinsen en hertogen, kardinalen en pauselijke gezanten, koningen en koninginnen en daar heeft Doornik vooral baat bij. Zo verblijft hier keizer Karel V om het 20ste kapittel van de Orde van het Gulden Vlies voor te zitten van 2 tot en met 5 december 1531. En de Franse koning Lodewijk XIV komt in 1671 de eerste steen leggen voor de nieuwe abdijkerk.

Het tij voor de abdij keert wanneer de revolutionaire Fransen ook in Doornik arriveren. Zij heffen de abdij op en verjagen de geestelijken. De kerk hebben ze niet langer van doen, dus die wordt afgebroken en ook een groot deel van het klooster ondergaat dat lot, enkel deze kloostervleugel die onder abt Jean Le Flameng (een Vlaamse grote Jan dus) rond 1500 tot stand is gekomen, blijft bestaan - plus het abtspaleis, dat je zo meteen aan de andere kant te zien krijgt, met bijbehorend verhaal.     


Even terug het park in en dan rechts rond het grote schoolgebouw draaien naar de Rue Fauquet, die je inloopt. Na de lange gevel met reliëfs van ambachten van het schoolgebouw kijk je even over de muur, waar je de bovenzijde van een woning ziet met een groot gebogen raam. Zo meteen zie je de voorzijde van dit huis en die oogt heel anders. Sla de eerste straat rechts in, de Rue de l’Enclos Saint-Martin.


HUIS PION

Rue de l’Enclos Saint-Martin 18


Een door de Doornikse architect Henry Lacoste in 1936 ontworpen woning met een bronzen deur en garagepoort en op de zijgevel een gegraveerde plattegrond van de vroegere Sint-Maartensabdij met de belangrijkste data: 1092 – 1671 - 1804. Je ziet het verschil met het grote raam aan de achterzijde, dat je zojuist zag. Hier is het huis een sterk gesloten gebouw met juist heel smalle raamopeningen. Nu woont er een chirurg, mensen van wie je hoopt dat ze de openingen ook zo klein mogelijk houden.

Henry Lacoste is niet zomaar een lokale figuur, hij heeft onder meer de mijnkathedralen van Genk-Zwartberg en Beringen gebouwd, heeft meegewerkt aan opgravingen in het Griekse Delphi, Syrië en Irak, is leraar aan en later directeur van de Brusselse Academie voor Schone Kunsten geweest, heeft tijdens de Eerste Wereldoorlog samen met twee andere architecten het bedreigde patrimonium in de Westhoek opgemeten en daar de kunstwerken van in veiligheid gebracht en was de ontwerper van paviljoenen voor de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1935. Met zijn visie dat bouwen een totaalgebeuren is, waar traditie moet meespelen in de vormgeving van het heden, maar waarbij wel moderne materialen en technieken gebruikt kunnen worden, heeft Lacoste een hele generatie architecten die na WO II actief werden beïnvloed. Straks zien we nog een tweede en geheel ander huis van hem.  


Even verderop aan de andere straatzijde ligt

LE MUSÉE DES BEAUX-ARTS

Museum van Schone Kunsten

Rue de l’Enclos Saint-Martin

(open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17.30u., 1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u. Eerste zondag van elke maand vrij toegankelijk)


Dit gebouw heeft Victor Horta ontworpen voor de in 1904 overleden kunstkenner Henri Van Cutsem voor zijn verzameling impressionisten en andere moderne schilderijen uit het begin van deze eeuw. Bovenop heeft de uitvoerder van Van Cutsems testament, onze beeldhouwer Guillaume Charlier, een flink stukje brons neergepoot. Veertien meter lang dient hier de "De Natuur als inspiratie voor de Kunst". Er is vele jaren aan dit complex gebouwd, van 1913 tot 1928, Horta heeft zijn art nouveau-periode dan reeds lang achter zich gelaten. Binnenin is gezorgd voor goede lichtinval via het glazen dak. Vijf zalen liggen rond een centrale rotonde.

Voor het museum staan drie beelden. Links “Femme regardant le soleil”, een bronzen beeld van de in deze stad in 1901 geboren George Grard. Wie regelmatig aan de Belgische kust vertoeft, kent wellicht zijn “De Zee”, een nabij het Oostendse Leopoldspark liggende dame-met-een-maatje-meer, aldaar beter gekend als “Dikke Mathille”. Elders aan de kust in Sint-Idesbald heeft Grard een eigen museum-atelier, waar je de man niet meer zelf kan ontmoeten, hij is in 1984 overleden. Rechts vooraan staat het bronzen “Béatitude maternelle”, een weergave van het moederlijk geluk door Marcel Rau. Maar je blik zal eigenlijk allang afgedwaald zijn naar het vreemde beeld daarachter. Dat is “L’Ange exterminateur” van Tom Frantzen, een nog steeds levende kunstenaar uit Duisburg bij Tervuren. Met epoxy, ijzer, inox en koper-300 heeft Tom deze wraakengel geschapen, met klei en adem lukte het niet. Binnen hangt van deze redelijk veelzijdig geïnspireerde man nog een zwevend beeld met de titel “Li Belle Hippo”, met in de naam de twee componenten verborgen: een nijlpaard met libellevleugels. Staalkabels helpen wat met het luchtvaardig houden van dit bijzondere luchtdier. En nu we het toch hebben over wat er binnen is te zien, even het volledige plaatje:     

Henri Van Cutsem kocht eigentijdse kunst, zodat je binnen werk ziet hangen van Edouard Manet, Claude Monet, Georges Seurat, Vincent van Gogh, Hippolyte Boulenger en James Ensor. Naast de collectie van Van Cutsem zijn er nu ook werken te zien van Rogier van der Weyden en Jean Gossaert, de laatste werd geboren in de 15de eeuw en legde zijn penselen definitief neer in 1532. Van Rogier is enkel het linkerdeel van het tweeluik ‘Heilige Maagd en het Kind” hier aanwezig, het rechterluik waarop opdrachtgever Jean de Gros is geportretteerd bevindt zich in Chicago. Voor een compleet idee moet je dus wel wat reizen ... Maar om toch wat meer van deze Doornikzaan te kunnen zien, hangen hier fotoreproducties van zijn werk op originele grootte. Een deel van de ruimte in de zalen wordt ingenomen door beeldhouwwerk van Jacques de Lalaing, Charles van der Stappen, Maurice De Korte, Georges Grard en uiteraard van Guillaume Charlier. Zoals gezegd kreeg schilder Louis Gallait zijn eigen ruimte met twee bruikleenwerken van het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten in Brussel.


Draai je nu om en wandel in de richting van de boogdoorgang, die je op de binnenplaats van het stadhuis brengt, de Cour d’honneur de l’Hôtel de Ville.


HÔTEL DE VILLE

Stadhuis

Cour d’honneur de l’Hôtel de Ville


We vertelden je reeds over de Sint-Maartensabdij, die hier vanaf de 11de eeuw ontstaat. Voor de kers op de taart zorgt in 1763 een van de vaste bewoners, abt Robert Delzenne, die architect Laurent-Benoît Dewez opdracht geeft om een fraai nieuw abtspaleis te ontwerpen. Dat wordt een gebouw in neoklassieke Lodewijk XV-stijl, Dewez’ specialiteit. Vandaar dus die breed geschouderde gevel met een fraaie toegang onder een ‘Griekse’ driehoek met daarboven een daklijst met zogeheten vuurpotten.

De revolutoinaire Fransen breken flink wat abdijgoed af, maar Delwez’ schepping blijft overeind, die is makkelijk on te turnen in een luxueuze woning. Wanneer de Fransen wat gekalmeerd zijn, neemt de stedelijke administratie in 1809 zijn intrek in dat voormalige abtpaleis en daar huist het stadsbestuur nog steeds, want hun oude Raadshal is in 1818 gesloopt.

Toch is wat je nu ziet vooral oud van buiten, het interieur heeft het zwaar te verduren gehad bij een brand in 1940, tijdens het bombardement in de Tweede Wereldoorlog. Wel bleef nog gespaard de indrukwekkende sobere romaanse crypte uit de 12de eeuw met zware zuilen en gewelven onder dit stadhuis, waar al eens tentoonstellingen of evenementen plaatsvinden.

De drie jaartallen die je naast de plattegrond op Maison Pion zag, zijn respectievelijk de stichting van deze abdij (1092), de eerste-steenlegging van Lodewijk XIV voor de nieuwe abdijkerk (1671) en de opheffing van de abdij door de revolutionaire Fransen (1804).


Links van het stadhuis zie je een eigentijds front met daarachter een oudere ruimte.


LE MUSÉE  D’HISTOIRE NATURELLE

Museum voor Natuurwetenschappen

Cour d’honneur de l’Hôtel de Ville

(open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17u., 1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u.)


Op 16 juli 1828, in de laatste jaren van de Hollandse tijd, wordt in Doornik een vereniging voor Natuurhistorie gesticht, die op 13 september 1829 een voor het publiek toegankelijk Natuurhistorisch Kabinet opent, het eerste in wat later België zal worden. De bekende Doornikse architect Bruno Renard heeft daarvoor een galerij en een vierkante zaal ontworpen. Vandaag wordt daar een reconstructie van dat Natuurhistorisch Kabinet getoond, de Barthélémy Dumortierzaal, genoemd naar een der stichters van de vereniging – we komen de man nog tegen. Verder in het gerenoveerde gebouw kom je onder meer langs de Paul Simon-zaal met diorama’s die een overzicht geven van regionale Doornikse milieus zoals de Scheldemoerassen, de kalksteengroeves, het Henegouwse platteland en het bos van Bonsecours, plus een beeld van de Europese biotopen en van vier grote natuurgebieden in de wereld. In een derde zaal gaat het afwisselend ofwel over bedreigde plant- en diersoorten en de oorzaken van het uitsterven van honderden soorten, ofwel biedt deze ruimte plaats aan tijdelijke tentoonstellingen.  

Voort is er een tropische serre met orchideeën, varens, vleesetende planten en bromelia’s boven een vijver met Chinese alligators, waterschildpadden en amfibieën. In een zaal met achttien vivariums links na binnenkomst zie je leguanen, varanen, kameleons, boa-constrictors, ringslangen en vogelspinnen en zijn er zeven aquariums met koralen, schuttervissen en blindvissen uit Mexicaanse grotten.


Via de grote erepoort waar je vanuit het stadhuis recht doorheen loopt, verlaten we dit ereplein, waar parkeren blijkbaar zo’n eer is, om zo in de Rue Saint-Martin te komen. Hier ga je naar rechts tot je aan je linkerhand de Rue Roquette Saint-Nicaise ontmoet, die je indraait. Na een hoek links en meteen een hoek rechts sta je in de Rue Roc Saint-Nicaise en bekijk je even een redelijk modern appartementsgebouw.


GEBOORTEHUIS ROGIER VAN DER WEYDEN

Rue Roc Saint-Nicaise 76-78


Je zou niet direct verwachten dat de beroemde schilder in 1399 in zo’n straatje geboren zou worden. En nog minder dat hij zo modern woonde. Neem dus het opschrift niet al te letterlijk, het slaat uiteraard op een huis dat hier in een zeer ver verleden heeft gestaan. Roger de la Pasture, zoals hij dan nog heet, leert het vak van stadsgenoot Robert Campin en als hij de meestertitel heeft behaald, vertrekt hij naar Brussel, waar hij tot stadsschilder wordt benoemd. Van der Weyden is samen met Jan van Eyck in de 15de eeuw de belangrijkste schilder in de Nederlanden. Hij schildert, zoals dan gebruikelijk, veel religieuze taferelen, want uit kerkelijke hoek komen zijn opdrachtgevers. Daarnaast maakt Rogier ook veel portretten van tijdgenoten en hij werkt al met een atelier, zodat zijn schilderijen in feite teamwork zijn. Van der Weydens invloed strekt zich ook uit tot Duitsland. Rogier geeft de geest in 1464 en ligt begraven in de Brusselse Sint-Michielskathedraal.

Het woordje ‘Roc’ in de straatnaam komt van ‘roke’, dat steengroeve betekent. Er was hier een plek waar kalksteen kon worden gedolven.


Schuin tegenover Rogier zie je het Wapenmuseum, ondergebracht in een oud bedrijfsgebouw.


ROYAL MUSÉE D’ARMES

Koninklijk Wapenmuseum

Rue Roc Saint-Nicaise 59-61


Stap maar naar binnen als de poort openstaat en ontmoet een hellebaardier, een borstbeeld van koning Albert I en een V1 – het lijkt alsof professor Barabas met zijn teletijdmachine deze binnenplaats heeft ingericht. Wie geïntereerd is in de geschiedenis van de krijgskunst – de kunst om het er levend vanaf te brengen – kan binnen een kijkje nemen, waar een verzameling van musket tot de FAL van FN een hele tijdlijn biedt. Wie het nu al van schrik in zijn broek doet, kan meteen op deze binnenplaats een wc vinden.


Het verlengde van deze vrij smalle straat tooit zich nog met een hele reeks oudere huisgevels. Wie daarin is geïnteresseerd kan eens voortwandelen, maar onze route neemt de eerste straat rechts, de Rue Saint-Georges, met rechts, pal na een reliëf met een boogschutter, de


TOUR SAINT-GEORGES

Sint-Joristoren

Rue Saint-Georges


Hier zie je de resten van een ronde toren, die ooit tot de 12de-eeuwse omwalling behoorde en tussen 1197 en 1202 is gebouwd. De Rue Saint-Georges lag net buiten de stadsmuren, hier liep ongeveer de gracht die voor de muren lag. Omdat de kruisboogschutters daar oefenden, zijn zowel deze toren als de straat naar hun patroonheilige genoemd. Ooit grensde aan de toren hun vergaderplaats. Hoewel er eigentijdse trappen naar de toren leiden, is die niet dagelijks vrij toegankelijk voor alleman.


Draai verderop rechts de Rue Massenet in, genoemd naar een Franse componist die van 1842 tot 1912 leefde. Zo kom je aan een klein pleintje, net voor een fraaie doorgang, de Place Walter Pavez.


Er staat hier weer zo’n paal met een beeldje erop. Dat stelt Alexis Saragosse voor, die begin 19de eeuw als vondeling in de Doornikse schuif belandde. De schuif was een soort liggende trommel die aan de straatzijde geopend kon worden, waarna het kindje erin kon worden gelegd door de moeder. Bij het sluiten ging er een belletje in het vondelingenhuis, waarna zusters zich over de vondeling kwamen ontfermen. Dikwijls vonden ze op zo’n kind een kenteken, bijvoorbeeld de helft van een speelkaart, waardoor de moeder haar kind eventueel terug kon komen halen als ze in betere omstandigheden verkeerde. Met Alexis is dat niet gebeurd, hij is wel alom bekend geraakt bij de Doornikse bevolking, maar werd ook mikpunt van aller spot. Pestgedrag is niet echt een nieuw fenomeen.

Walter Ravez, de man naar wie dit pleintje is genoemd en die in 1886 is geboren, heeft in 1930 hier het Maison Tournaisienne gesticht, een soort heemkundig museum, waarvan hij tot zijn dood in 1945 conservator is geweest.


Sla meteen maar de hoek om, de Réduit des Sions in.

 

LA MAISON TOURNAISIENNE / LE MUSÉE DE FOLKLORE

Doorniks Huis / Volkskundemuseum

Réduit des Sions 36

(open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17u., 1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u. Eerste zondag van elke maand vrije toegang)


Een schilderachtig ensemble met een 17de-eeuwse gevel, waarachter het museum huist. In liefst 23 opstellingen wordt aandacht besteed aan oude ambachten, drukkerij (inderdaad, Casterman … van de Kuifjesalbums), speelgoed, carnaval en zo meer. Interessant zijn de schaalmodellen van het oude Doornik met daarbij het reliëfplan van de stad, gemaakt tijdens de regeerperiode van de Franse koning Lodewijk XIV en destijds bedoeld voor militaire doeleinden, namelijk het aanvallen en innemen van steden. In Parijs zijn al die originele reliëfplannen bewaard, maar heel wat steden hebben intussen zoals hier in Doornik een kopie van hun reliëfplan laten maken.

Een ‘réduit’ – vroeger als ‘roduit’ geschreven – is een plaats om zich terug te trekken. Kort voor de Eerste Wereldoorlog werd Antwerpen aangeduid als Nationaal Réduit, waar het Belgische leger zich zou terugtrekken als laatste steunpunt van België. Zoals we weten is het iets anders gelopen toen. Hier in Doornik ging het om de religieuze orde Notre-Dame de Sion, waarbij Sion verwijst naar de vroegere citadel van Jeruzalem en breder naar het Hemelse Jeruzalem. De kloosterorde had zich hier gevestigd.


Voor je uitkomt op de Grote Markt sta je nog even stil bij de deur op nr.1A van dit straatje – herken je in deze metalen toegang met maskers de stijl van Henry Lacoste? Sla nu links de Grand-Place op.


Le CARILLON

Grand-Place 64 / Réduit des Sion 1A


Lacoste heeft ook het bijbehorende huis ontworpen, dat je beter aan de marktzijde ziet en nu restaurant Le Carillon huisvest. Het is heel anders van stijl dan Huis Pion dat je eerder hebt gezien. Dit is modernisme, de stijl die in de periode tussen beide Wereldoorlogen doorbrak, maar toen nog moest wedijveren met art deco-huizen. Lacoste heeft de stijl hier in 1930 op zijn eigen wijze verwerkt en hij is daarbij niet al te extreem tewerk gegaan, zodat het resultaat niet vloekt met de oudere huizen rond de Doornikse markt.


Le BAILLIAGE

Baljuwhuis

Grand-Place 63


Voorheen zetelde op deze plek ooit de Bailliage, de rechtbank die sinds 1383 onder leiding van de baljuw als vertegenwoordiger van de Henegouwse graaf, recht sprak. Wie op een veroordeling wachtte, werd voorlopig opgesloten in een van de cellen in het belfort. Langdurige opsluiting in een gevangenis bestond toen niet, je werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, er werd je een lichaamsdeel afgenomen, of je werd verbannen uit de stad, eventueel op pelgrimstocht gestuurd, waarbij je dan vanuit het pelgrimsoord een kenteken moest meenemen ten bewijze dat je werkelijk daar was geraakt.

In dit huis heeft in 1531 de Orde van het Gulden Vlies vergaderd, een door hertog Filips de Goede ingestelde orde waarvan de voornaamste edelen van het land lid mochten worden. Op die wijze hield de machtigste man van het land de andere machthebbers te vriend en onder controle.

Het huidige gebouw dateert oorspronkelijk uit 1612 en is in renaissancestijl opgetrokken, maar wat je nu ziet is een herbouwing van tussen de beide Wereldoorlogen.


Tijd voor een terrasje misschien, bij het geklater van telkens opspuitende fonteinen, die kinderen intrigeren, want wie slaagt erin deze natte barrière met een droog pak te overwinnen? Of in koudere dagen vanonder een aangestraalde luifel? Zie je dat hier aan veel gevels gildenvlaggen hangen?


GILDENVLAGGEN

Grand-Place


In de middeleeuwen verenigen de mensen die eenzelfde beroep uitoefenen zich in beroepsverenigingen, de gilden. Daar worden regels opgesteld betreffende de beroepsuitoefening en worden geschillen opgelost. Elke gilde heeft ook een eigen schutspatroon, een heilige die op een of andere wijze met hun beroep in verband kan worden gebracht. De kuipers – die vaten maken – hebben de apostel Mattheus als patroon, die met een bijl in de hand aan hun vak doet denken, al is dat eigenlijk het martelwerktuig dat op de man zelf is uitgeprobeerd. Autbertus is dan weer de patroon van de bakkers. Over deze bisschop van Kamerijk (Cambrai) gaat namelijk het verhaal dat hij zich had teruggetrokken op een berg, waar hij brood bakte dat zijn ezel naar de stad beneden bracht, waar de mensen het uit de mand namen en er geld voor in de plaats legden, waarmee Autbertus de armen onderhield. Zelfs in recentere tijden worden heiligen nog als schutspatronen van beroepen aangeduid. De aartsengel Gabriël beschermt de postbodes, hij bracht immers de Blijde Boodschap, Veronica is patrones van de fotografen, want met de doek waarmee zij het gelaat van Christus afdroogde tijdens diens kruisweg maakte ze een negatief van zijn gezicht.

In Doornik nemen de gilden vanaf de 12de eeuw deel aan het stadsbestuur. Ze hebben elk hun banier, 36 in totaal. De Franse koning Charles V laat die banieren in 1366 in beslag nemen en ze achter slot en grendel opbergen in de Halle des Consaux, in die dagen het stadhuis van Doornik. In 1423 komen de gilden in opstand tegen een dreigende inmenging van de Bourgondische graaf in de zaken van de koninklijke Franse stad en tegen de lokale patriciërs. Zij halen dan hun banieren terug en weten zich machtiger op te stellen in het stadsbestuur. Maar als de Fransen in 1795 met hun revolutie ook de Oostenrijkse Nederlanden overspoelen, komt er een eind aan het voortbestaan van de gilden.

Als in 1913 de festiviteit ‘Cortège-Tournoi” wordt georganiseerd, zoekt de stadsarchivaris op hoe de oude gildenbanieren eruit hebben gezien. In 1933 worden daar nog een aantal nieuwe aan toegevoegd, zodat het er weer 36 zijn. Daar worden eerst aquarellen van gemaakt, die dan overgebracht zijn op vlaggen die sinds 1985 de gevels van de huizen langs de Grote Markt sieren. Elke vlag toont het symbool van de gilde met daaronder de naam.  


Uitgerust? Dan gaan we verder naar die dame – ja echt, het is een vrouw, al ziet ze er krijgshaftig mannelijk uit – die vanop een sokkel al die tijd reeds staat te kijken naar wat er rond haar gebeurt.


STANDBEELD CHRISTINE DE LALAING

Grand-Place


Midden op dit driehoekige plein staat sinds 1863 een prinses op een sokkel. Christine de Lalaing, prinses d'Espinoy, verdedigde Doornik tegen de Spanjaarden onder aanvoering van Alexandre Farnese, in Nederland doorgaans Parma genoemd, naar zijn hertogelijke titel. Christine's man, de gouverneur van Doornik, was een heel eind van huis, die was ergens in West-Vlaanderen bezig om het aartshertogenduo Albrecht en Isabella het leven zuur te maken. Christine moest weliswaar het onderspit delven, maar had tot bijna de laatste man laten doorvechten.

Als België zich in de 19de eeuw als jonge staat moet waarmaken, wordt teruggegrepen naar heldhaftige figuren of andere beroemdheden uit het verleden om de burgers als voorbeeld voor ogen te houden. Brussel krijgt Godfried van Bouillon op het Koningsplein, Antwerpen zet Rubens op zijn Groenplaats, Gent diept Jacob van Artevelde op en plaatst hem op de Vrijdagmarkt, Luik herinnert zich Karel de Grote en Tongeren pakt uit met de dapperste aller Galliërs, krijgsheer Ambiorix. In Doornik hebben ze dus sinds 1863 Christine, waarbij haar rol wel flink is aangedikt tot een ware legende en beeldhouwer Aimable Dutrieux heeft dan ook niet gekeken op een grammetje brons meer of minder.


Eerst bekijken we de rij huizen aan dezelfde kant als Le Carillon. Een aantal huizen rechts daarvan staat de brede


HALLE-AUX-DRAPS

Lakenhal

Grand-Place 53


Uit de tijd van de aartshertogen Albrecht en Isabella staan aan deze markt de Lakenhal en de Conciërgerie. De brede lakenhal staat op de plaats van een vroeger houten huis, "Al Treille" (De Wijnrank), dat op last van de Doornikse bisschop Walter de Marvis als verkoopshal moet worden ingericht door het stadsbestuur als straf omdat in 1227 het asielrecht van het kapittel van de kathedraal niet is geëerbiedigd en de stad de boete niet kan betalen. Dat huis is in 1601 door een storm verwoest en in de nieuwe Lakenhal zijn diverse stijlen dooreen geklutst: spitsbogen uit de gotiek onderaan, vensters van het renaissancetype op de eerste verdieping en krullende geveltoppen als barokke bekroning. De Dorische zuilen onder en de Ionische op de eerste etage zijn dan weer typisch renaissance. Meester-metselaar Quentin Ratte werkte eraan van 1608 tot 1611 naar een ontwerp van schilder Jacques Van den Steen, een aardige naam in dit verband. Men vermoedt dat de inspiratie geleverd is door de renaissancegevel van het Gentse stadhuis. Hoewel Jacques er de aanpalende huizen Le Lion d’Or en La Thoison d’Or bij trekt, mag het gebouw er toch niet al te rijkelijk uitzien, om de grafelijke belastinginners niet op ideeën te brengen.

Het is ook een Gentenaar, Gérard Spelbault, die de binnenplaats met Italiaanse galerij uit 1616 ontwerpt, waar de lakenhandelaars voortaan hun kramen kunnen opstellen. Wanneer de grote poort open is, kan je daaar een kijkje gaan nemen, bij een wederopbouw in 1888 is die galerij met een glazen koepel overdekt, dus ook bij regen kan je hier rustig rondlopen..

Links van de lakenhal sluit daarbij aan de Conciërgerie uit 1612 in vooral renaissancestijl, terwijl rechts op nummer 51 het Hôtel de l’Ecu de France zich in Vlaamse renaissancestijl kleedt.


Steek nu schuin over naar de huizenrij aan de breedste zijde van de markt en wandel de meestal open kerk binnen.


L’ÉGLISE SAINT-QUENTIN

Sint-Kwintenskerk

Grand-Place

  

Sint-Quintinus is ook een slachtoffer van het oorlogsbombardement van de Luftwaffe. Dat je daar nog weinig van ziet, komt door de recente restauratie. Deze kerk staat op een vroegere Gallo-Romeinse begraafplaats, die zich uitstrekte over de Grote Markt en een stukje naburige wijk. Waar de kerk breder wordt zie je links tegen de zijwand het grafmonument van Jacques Castaigne uit 1327 met onder een reeks treurbeelden ('pleurants'), die door eeuwenlang tranen te storten al behoorlijk verweerd zijn. Jacques moet vandaag zijn ligplaats delen met het 17de-eeuwse zilveren beeld van Onze-Lieve-Vrouw van de Wingerd, de stadspatrones van het Franse Lille. Een Doorniks priester die uit Lille afkomstig is richt in 1649 een broederschap van pelgrims op die jaarlijks naar Rijsel trekt, om maar eens de Vlaamse naam voor Lille te bezigen. Beide stadsnamen betekenen trouwens hetzelfde: eiland – in het Frans île, in oud-Vlaams ongeveer als het Duitse Insel. Nu wordt dit beeld telkens op de tweede zondag van september meegevoerd in de grote processie van Doornik.

Deze kerk heeft ook een band met de beroemde Doornikse wandtapijten. De bekendste Doornikse tapijtwerker Pasquier Grenier laat in 1464 op zijn kosten de kooromgang en drie kapellen bouwen en nadat hij in 1493 is overleden heeft zijn grafkapel daar uiteraard een plaatsje gekregen. Het nog bij leven geschonken wandtapijt met de Zeven Sacramenten is jammer genoeg niet meer in deze kerk te zien en de grafkapel toont dan ook wat doods, zeker voor een man die hele paleizen van kleurrijke wandbekleding heeft voorzien. Hij staat tegenwoordig ook in brons op een zuil (nr.13) op dit marktplein.


Na dit kijkje in de kerk terug naar de buitenlucht.

 

 AANDACHT: Wie de hoofdroute wil volgen gaat buiten de kerk meteen naar links en dan de doorgang in naar het Fort Rouge .


Wie een extra lus wil maken met onder meer de Saint-Jacqueskerk, behorend tot de ‘Open Kerken’, dus veelal toegankelijk, slaat bij de uitgang van de kerk meteen rechtsaf, waar even verder de Rue des Maux vanaf de Grand-Place naar rechts vertrekt. Daar zie je


Le GRANGE DES DÎMES

Tiendenschuur

Rue des Maux


Een typisch barokhuis uit 1633, deze Tiendenschuur van de Sint-Maartensabdij, herbouwd in 1900 door C. Sonneville. Hier werd het graan opgeslagen dat de boeren die grond van deze belangrijke Doornikse abdij bewerkten als pacht moesten afdragen, tien procent van de oogst. Aan de gevel zie je het beeld van Sint-Martinus, een bisschop van Tours die zijn mantel in tweeën scheurde om een bedelaar te kleden (Daaronder lees je: ‘Sante Martine orapro nobis’, Martinus bidt voor ons). En een verdieping lager: ‘Pax sit hvic domvi’, Vrede zij met dit huis. Een derde opschrift en een wapen herinneren eraan dat abt Antoine de Roore deze tiendenschuur heeft laten bouwen; zijn wapenspreuk ‘Omnia vanitas’ wil zeggen ‘Alles is ijdel’, waarbij je ijdel moet begrijpen als vergankelijk.

De straatnaam duidt op de plek waar in de Karolingische periode recht werd gesproken door een college dat als ‘malli’ bekendstond, in het Frans ‘maux’.


Aan het eind van de Rue des Maux langs de fontein van de Place Roger de la Pasture rechtdoor oversteken naar de Rue Dorez, die uitkomt op de Place de Lille bij een grote zuil.


OORLOGSMONUMENT

Place de Lille


Dit monument is opgericht voor slachtoffers van een episode uit de Belgische onafhankelijkheidsstrijd, namelijk voor de “Soldats français tombés sous les murs d’Anvers en 1832”. Die soldaten staan onder leiding van de Franse maarschalk Maurice Gérard en moeten de Nederlandse bevelhebber generaal David Chassé uit de Antwerpse citadel zien te krijgen. Hij blijft namelijk met zijn garnizoen rustig zitten, terwijl de rest van België al door de Belgische vrijwilligers wordt gecontroleerd. Na een lang beleg met hevige beschietingen van beide kanten lukt het de Fransen om een bres in de citadelmuur te slaan en daarop geeft Chassé zich over. Hij mag even later met zijn overlevende soldaten naar het vaderland terugkeren.

Rond het monument de wapenschilden van alle provincies die vanaf dan de nieuwe staat België vormen, maar die hier pas in 1897 schitteren, net als de zuil zelf, allemaal werk van beeldhouwer Camille Debert en architect Constant Sonneville. Maar waarom dit monument in Doornik? Wel, het was bestemd voor Antwerpen, maar het stadsbestuur wilde daar helemaal niet zo’n monument hebben … een straatnaam voor Maurice Gérard volstond.


Links staat


L’ÉGLISE SAINTE-MAGUERITE

Sint-Margarethakerk (zelden open)

Place de Lille


De Sint-Margarethaparochie is in 1288 in het leven geroepen door de Doornikse bisschop Michel de Wareghien en vanaf eind 12de eeuw is hier in stilletjes-aan stijl gewerkt aan een kerk, waarvan de toren het 14de-eeuwse sluitstuk is en vandaag het enige overblijfsel. In de Franse tijd als Doornik onder het bestuur van koning Lodewijk XIV valt, wordt de parochie opgeheven en worden kerk en pastorie overgedragen aan de kanunniken van Saint-Nicolas-des-Prés, die er hun abdij van maken. Die abdij brandt uit in 1723 en wordt dan vanaf 1760 herbouwd in neo-classicistische stijl. Het neo-classicisme is een soort herleving van de renaissance na de periode van de contra-reformatie met zijn pracht-en-praal barok. Het classicisme wil opnieuw soberheid en kijkt daarvoor naar de klassieke Grieken en verschilt daarin van de renaissance, waarvoor vooral in Italië de Romeinse ruïnes inspirerend werkten. Als de kerk open is, kom je via het witstenen Lodewijk XVI-portiek binnen in een beuk vol zuilen met Korintische kapitelen en een mooie 19de-eeuwse preekstoel.


Rechts van deze kerk zie je op nr.19 het kleinste huis van Doornik.


Ga achter het oorlogsmonument de Rue des Carmes in. Daar staat een flink eind verderop aan je rechterzijde de


MONT-DE-PIÉTÉ – Le MUSÉE D’ARCHÉOLOGIE

Berg van Barmhartigheid – Museum voor Archeologie

Rue des Carmes 8 / Ruelle du Mont-de-Piété

(open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17u., 1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u.)


Hier heeft Wenceslas Cobergher, hofarchitect van de aartshertogen Albrecht en Isabella, een van zijn 'Montes Piétates' (Bergen van Barmhartigheid) gesticht. Dat zijn Banken van Lening, die moeten concurreren met de praktijken van de Lombarden, de Italiaanse geldschieters die tegen hoge woekerrenten geld lenen. De Ruelle du Mont-de-Piété heette vroeger dan ook Rue du Lombard, dus zij waren ook op deze plek gevestigd.

Cobergher heeft er in heel België gebouwd, o.a. in Antwerpen, Gent, Kortrijk, Namen en Mons. De architect-ingenieur woont tussen 1618 en 1630 in Doornik en is verder bekend van de basiliek van Scherpenheuvel, het stadhuis van Ath, de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen en het droogmalen van De Moeren op de grens van West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.

Cobergher heeft in één moeite door ook de barokstijl geïntroduceerd in Doornik, maar bij dit gebouw heeft hij het nog klassiek gehouden, compleet met sierlijk traptorentje op een binnenplaats waar ook nog de vroegere Kruisvaardersboog staat. Dit openbare pandjeshuis, waar je dus geld kon lenen tegen onderpand, dat je terugkreeg als je het geleende bedrag kwam aflossen, heeft hier vanaf 1622 tot 1866 gewerkt. Vandaag functioneert enkel in de Marollenwijk van Brussel nog steeds zo’n Berg van Barmhartigheid en de laatste jaren floreert die weer bijzonder goed.

Thans huist hier het Museum voor Archeologie, dat drie afdelingen omvat: pre- en protohistorie, de Gallo-Romeinse en de Merovingische periode. Je ziet er onder meer een 4de-eeuwse loden sarcofaag en vondsten uit twee Merovingische begraafplaatsen uit de 5de en 7de eeuw, onder meer uit de grafheuvel van Childerik bij de Sint-Brixiuskerk.


Wandel de Rue des Carmes uit zodat je aan de Rue du Palais Saint-Jacques de bijna gelijknamige kerk voor je ziet.


L’ÉGLISE SAINT-JACQUES

Sint-Jacobskerk (regelmatig toegankelijk)

Rue du Palais Saint-Jacques


Een kerk met wat je noemt een forse toren, die achter een lager ingangsportaal oprijst. Deze kerk staat langs de oude bedevaartsweg van Vlaanderen naar Santiago de Compostella (Sint-Jacob in Galicië) in de verre Spaanse provincie Gallicië. Daar meende men het graf van de apostel Jacobus de Meerdere te hebben ontdekt, al is het historisch zeer onwaarschijnlijk dat de man ooit in Spanje is geweest. Maar het is in de middeleeuwen wel veruit de nummer 1 van de bedevaartsoorden. Overal in onze middeleeuwse steden kom je dan ook Jacobsgasthuizen tegen, waar de pelgrims in die dagen kunnen overnachten. Dat is hier ook zo, de straatnaam verwijst er nog naar, want dat ‘paleis’ in die naam was zo’n gasthuis.

Deze kerk vervangt een romaanse kapel uit 1167, waarvan nog wat resteert in het voorportaal. Meteen daarna volgt de toren uit het einde 12de eeuw, waarvan de hoge spits echter veel recenter is, want die is het resultaat van een restauratie door architect Bruno Renard in 1849.

De kerk is doorgaans open en dus stappen we naar binnen. De grafstenen in het portaal dateren uit de 16de, 17de en 18de eeuw en illustreren dat hier heel wat rijke lieden van hoge burgerlijke of adellijke komaf liggen, want daarvoor stond deze parochie bekend. Wanneer je vervolgens onder de toren door het kerkschip betreedt, kom je in een 13de-eeuwse ruimte, die dankzij grote ramen niet donker is. Opvallend is de stenen brug dwars over het kerkschip, die bovenaan de zijgalerijen met elkaar verbindt. Dit gotische schip heeft model gestaan voor heel wat andere kerken in Vlaanderen. Achteraan is het koor, dat in 1368 is vergroot en waarvan de glasramen uit de grote restauratiecampagne eind 19de eeuw stammen. Ze worden nu ook zelf gerestaureerd. Die restauratie uit 1871 en volgende jaren is uitgevoerd door Justin Bruyenne als opvolger van Renard en door Louis Cloquet. Er is daarbij advies ingewonnen bij de beroemste adept van neogotiek, de Bruggeling Jean-Baptiste Béthune die ook het ontwerp heeft gemaakt voor de glasramen die de zeven sacramenten uitbeelden. Béthune was een kunstpaus in zijn tijd, die ook de glasramen heeft ontworpen van de Keulse dom, die in de 19de eeuw afgebouwd is. In deze Sint-Jacobskerk is ook het hoogaltaar met retabel door hem bedacht. Het retabel is geschilderd door Jules Helbig en gebeeldhouwd door Léopold Blanchaert. De luiken geven episodes uit het leven van Sint-Jacob weer.

Rechts naast het koor een 18de-eeuws houten beeld van Jacobus met de schelp, het pelgrimsteken voor wie naar Compostella ging. Op de gewelven van de aangrenzende zijkapel zie je musicerende engelen, die de luit, harp, horlepijp en doedelzak bespelen, allemaal instrumenten die gangbaar zijn in 1405, wanneer deze schildering tot stand komt. Jules Helbig heeft deze engelen gerestaureerd in 1895. Ook even een blik waard in deze zijkapel is de koorlezenaar met adelaar uit 1411, als een van de weinige stukken ontsnapt aan de beeldenstormers uit 1566.

Teruglopend naar de uitgang zie je het orgel in een kast in Lodewijk XV-stijl uit 1755.


Bij het verlaten van de Sint-Jacobs steek je voor de kerk even de Rue du Palais Saint-Jacques over en volg je die straat verder naar links. Die gaat meteen over in de Rue Arthur et Edgar Hespel – waar in een nieuwer straatnaambord Arthur afgevoerd is – en mondt niet veel verder uit in de Rue des Bouchers Saint-Jacques, die je rechts inslaat. Weer iets verder zie je links de Rue des Cloches en die loop je door, zodat je uitkomt in de Rue Perdue met vrijwel voor jje


Le FORT ROUGE

Het Rode Fort

Rue Perdue


Je staat hier bij het gerenoveerde restant van een toren van de 13de-eeuwse stadsmuur, tot stand gekomen onder impuls van Philippe II Auguste, die van 1180 tot 1223 koning van Frankrijk is. De tussen 1197 en 1202 gebouwde toren ontleent zijn naam een de rode dakpannen. Hij staat naast een trapeziumvormige voorganger, waarvan je onder de metalen trappen van de ronde toren nog een overblijfsel ziet. Schietgaten en een rondgang zijn de kenmerken van een verdedigingstoren uit de 13de eeuw. Vlakbij zie je op een paal de Boogschutter staan. De afstand tussen twee waltorens werd vooral bepaalt door het bereik van een handboog, zodat de schutters samen de volledige muur konden bestrijken.  

Na jarenlange verwaarlozing is dit hele terrein heraangelegd en wordt er gesproken over het “Ilôt des XII Caesars” (Eilandje van de 12 Caesars), een naam die stamt van het huis van graaf du Mortier, dat hier in 1750 is gebouwd en waarvan de voorgevel met borstbeelden van Julius Caesar was versierd.


Als je het pad door de groenzone volgt, kom je aan het


MONUMENT VOOR 1e SERGEANT ROGER DELANNAY

Square Roger Delannay


De uit Doornik afkomstige Roger Delannay is aan het prille begin van de Tweede Wereldoorlog met zijn Fiat CR42 Italian fighter tweedekker op 10 mei 1940 neergehaald boven Sint-Truiden. Een propeller van zijn vliegtuig is hier neergezet en het embleem van de 15de Wing, een Siouxhoofd, is in het monument verwerkt.


Via de Passage duVieux-Marché bereik je opnieuw de Grand-Place.


AANDACHT: Wie voor de verkorting heeft gekozen, kan tussen het AXA-bankfiliaal en de Histoire des Vins-winkel de Passage du Vieux-Marché inslaan en zo even een kijkje nemen bij het Rode Fort. Lees dan even de hierboven staande passage vanaf ‘Le FORT ROUGE’. Daarna keer je terug naar de Grand-Place om hieronder met de hoofdroute verder te gaan.


Vanuit de Passage du Vieux-Marché ga je naar links de Grand-Place op. Je volgt de gevellijn en steekt de Rue de l’Yser over. Die heette voor de Eerste Wereldoorlog nog Rue de Cologne, maar omdat nadien alles wat ook maar naar Duitsland verwees niet echt populair was, werd de Keulenstraat herdoopt tot een herinnering aan het slagveld van de IJzer.

Nog even verder langs de gevels van de Grand-Place en dan rechts de Rue des Orfèvres in.


STATEN VAN DOORNIK

Rue des Orfèvres


Na de annexatie van Doornik bij de Habsburgse Nederlanden in 1521 door keizer Karel V wordt het jaar daarop een vergadering van burgers en geestelijken opgericht, de Staten van Doornik. Onder leiding van de Doornikse bisschop wordt daar beslist over fiscale en administratieve aangelegenheden die zich binnen de stad en het omliggende platteland voordoen. De Doornikse Staten zijn ook vertegenwoordigd in de Staten-Generaal van de Habsburgse Nederlanden. Bisschop François-Ernest, graaf van Salm-Reifferscheid, neemt in 1734 het initiatief om voor die Staten van Doornik een passend gebouw neer te laten zetten aan de noord-westzijde van het bisschoppelijk paleis. Aan weerzijden van een centrale ingang strekt het zich breed uit. Boven de grote houten poort komt een ovalen medaillon in schelpvorm, waarin vandaag de toren als symbool van Doornik prijkt.

Het gebouw is op mirakuleuze wijze ontsnapt aan het Duitse bombardement van mei 1940, dat veel schade heeft toegebracht aan de gebouwen in de directe omgeving. Wel gaven de branden in de buurt zoveel hitte af, dat de zegels op de documenten van de vele akten die hier werden bewaard smolten en voor een vreemde rode kleur in de straatgoot zorgden. Overigens werden die documenten eertijds bewaard in zakken die aan een touw werden opgehangen. Daar komt de uitdrukking ‘il est dans le sac’ vandaan, in Vlaanderen bekender als ‘het is in de sacoche’, ofwel: de zaak is in orde gekomen.

Op een paal voor dit gebouw staat een bronzen bisschop. Ja, de goudsmeden (orfèvres) wisten waar ze zich moesten vestigen, nabij hun voornaamste klanten.


Wandel even verder, waar dit straatje tot een heus plein verbreedt, de Place de l’Evêche, het Bisschopsplein.


Le PALAIS EPISCOPAL

Bisschoppelijk Paleis

Place de l’Evêche 1


Nadat Doornik zo’n vijf eeuwen vanuit het Franse Noyon kerkelijk is bestuurd, komt in 1146 Anselmus zich hier in Doornik vestigen. Daar hoort dus een behoorlijk onderkomen bij en de nieuwe bisschop kan zijn ‘paleis’ nog datzelfde jaar inwijden. Lang heeft hij daar niet van kunnen genieten, al in 1149 wordt Anselmus ten grave gedragen. Zijn opvolgers resideren in dat eerste, intussen uitgebreide, gebouw tot het in 1304 door een brand in de as wordt gelegd. Maar het wordt uiteraard herbouwd en verrijst grootser dan tevoren rond een binnenplein, waar bisschop Jean Chevrot tussen 1440 en 1460 de hand in heeft. Het gebouw dient meteen als logeerplek voor de machtige lieden die Doornik bezoeken, zoals de Franse koning Philippe Auguste en keizer Karel V. Ook Alexander Farnese, hertog van Parma, neemt er zijn intrek wanneer hij in 1581 de stad inneemt bij zijn strijd tegen de opstandelingen tegen het regiem van koning Filips II, die zich ver weg in Spanje ophoudt. Het huidige voorkomen dank het bisschoppelijk paleis vooral aan de stapsgewijze restauratie, ondernomen onder bisschop Maximilien Villain de Gand, in de periode dat de Zuidelijke Nederlanden onder het aartshertogenpaar Albrecht en Isabella een bloeiperiode beleven. In 1643 wordt die bouwcampagne afgesloten met het traptorentje dat je wat achteraan ziet oprijzen.

Bisschop François de Beaureau maakt in 1709 van de nood een deugd door tijdens het beleg van Doornik door de hertog van Marlborough het gebouw in te richten als een enorm verpleegtehuis voor gewonde soldaten. Wanneer aan het eind van die eeuw de revolutionaire Fransen Doornik innemen, wordt vanaf 1795 dit gebouw de zetel van het arrondissementsbestuur. Vandaag is het weer in zijn oorspronkelijke functie hersteld.


FAUSSE PORTE

Schijnpoort

Place de l’Evêche


Tussen het bisschoppelijk paleis en de kathedraal zie je een doorgang met daar bovenop een bouwsel, de Sint-Vincentiuskapel ofwel de bisschoppelijke huiskapel en meteen het eerste voorbeeld van gotische architectuur in het Scheldebekken. De overwelving wordt de ‘Fausse Porte’ genoemd, omdat het nooit een echte stadspoort was, af te sluiten met houten poorten of een valhek. Het is bisschop Etienne d’Orléans die zich in 1198 deze aanbouw aan zijn paleis permitteert tegen de zin van het stadsbestuur. Zo kan hij zonder nat te worden als het regent recht vanuit zijn woning in de kerk komen. Nu, een hoogmis opdragen met een doorweekt kazuifel is natuurlijk ook geen gezicht en bovendien ongezond.  

Tot in de 18de eeuw komt het stadsbestuur in deze kapel jaarlijks de eed afleggen, waarbij gezworen wordt dat het de voorrechten van de Kerk in Doornik zal eerbiedigen.


WESTPORTAAL VAN DE KATHEDRAAL

Place de l’Evêche


Bovenin zie je het rozet van Justin Bruyenne van de buitenzijde, dat sinds 1851 een vroeger rond glasraam uit 1526 vervangt. Het oude roosvenster is naar de kooromgang verhuisd. Daaronder staat het gotische voorportaal uit eind 13de eeuw met een breedte van 26 meter en grotendeels met standbeelden en reliëfs bekleed. Die zijn intussen wel sterk verweerd, al heeft er ook enige restauratie plaatsgevonden. In het midden staat uiteraard Onze-Lieve-Vrouw, we zijn hier in een Notre-Damekerk, hier in haar functie van Notre-Dame des Malades, beschemvrouwe van de zieken dus. Rechts naast haar staat bisschop Eleutherius met in zijn hand het model van de kathedraal en links zie je de heilige Piatus, die een stuk van zijn eigen schedeldak vasthoudt, want de eerste die hier het geloof kwam prediken wordt niet echt hartelijk ontvangen. Hij verliest er letterlijk zijn hoofd bij, maar laat dat zijn humeur niet bederven en wandelt nog even rustig voort met zijn schedel onder zijn arm. Dát zal indruk gemaakt hebben op die wildebrassen van heidenen! Als je goed kijkt, zie je nabij Piatus nog gebeeldhouwde scènes uit het Aards Paradijs: schepping, zondeval, straf. In de smallere centrale horizontale zone zijn links pelgrims en zieken die de Septemberprocessie volgen weergegeven, terwijl rechts nog eens de strijd tussen de merovingische vorsten Siegisbert en Chilperik wordt opgevoerd in diverse taferelen. Apostelen, schriftgeleerden, evangelisten, bisschoppen, een hele verzameling van christelijk personeel, is nog boven en onder aanwezig in beelden die van rond 1625 dateren. In die tijd kenden de gelovigen hun heiligen en profeten nog bij naam, want daar waren hun attributen een prima geheugensteuntje bij.


Aan de andere kant van de hoofdingang van de kathedraal staat een lang gebouw:


L’HÔTEL DES ANCIEN PRÊTRES

Tehuis voor Oude Priesters

Place de l’Evêche


Bisschop Walter de Marvis sticht al in 1252 een rusthuis voor moegewerkte priesters. Wanneer dat gebouw eeuwen later flink vervallen is, mogen een architect uit Douai, Michel-François Playez, en zijn collega Emmanuel Van Dael uit Doornik tussen 1755 en 1760 het gebouw dat je nu voor je ziet in de plaats zetten. In het timpaan, de driehoek boven de toegang, heeft Jerôme Denau de wetenschappen en kunsten afgebeeld via allegorische personages. Nicolas Lecreux tekent ze allemaal voor Jerôme uit.

Priesters die hier van hun pensioen wilden genieten, moesten wel een kleine bijdrage meebrengen, te weten een zilverstuk van minimaal 8 ons. Wie in zo’n evangelische armoede had geleefd, dat hij dit onmogelijk kon opbrengen, mocht toch binnen maar kreeg dan geen wijn te drinken totdat de zo bespaarde wijn het bedrag van die zilvergift had bereikt.

In dit gebouw was ook de bibliotheek van het kapittel ondergebracht, met tal van kostbare manuscripten, boekrollen en boeken, liefst zo’n 70.000 tezamen. Wanneer de Duitse Luftwaffe van 16 tot 19 mei 1940 een zwaar bombardement op Doornik laat neerkomen, verbrandt het grootste deel van deze collectie. Van de 247 kostbare manuscripten blijven er welgeteld 23 over. .   


Het plein was vroeger een deel van het kapitteldomein, zeg maar een vrijthof, waar de stedelijke wetten niet golden voor de kanunniken, die ook geen belasting betaalden.


Aan de overzijde van de Place de l’Evêche ga je door de Rue du Four Chapitre naar de Rue du Curé Notre-Dame, die je rechts inslaat.

De eerste straatnaam verwijst naar de ovens van het kapittel, waarin brood werd gebakken. De ‘curé Notre-Dame’ was de priester die de pastorale zorg in deze wijk voor zijn rekening nam. De kanunniken, wier huizen langs deze straat stonden, hielden zich daar niet mee bezig. Zij zorgden voor zaken waar ze wat minder in aanraking kwamen met het gepeupel, zoals de zang in de kerk, of  de administratie van het bisdom.


Voordat je de Place Paul-Emile Janson bereikt, ga je linksaf de Rue de l’Hôpital Notre-Dame in.


VROEGERE ZWARTZUSTERKLOOSTER

Rue de l’Hôpital Notre-Dame 13-15


Aan de linkerzijde van deze straat een vroegere kanunnikenwoning, waar tussen 1839 en 1980 de Zwartzusters hun klooster hebben ondergebracht. In dit soort kanunnikenhuizen was er steeds een kapel, een ontvangstruimte, een studeerkamer en een paardenstal. Nu is dit een onderdeel van de academie.


L’ACADÉMIE DES BEAUX-ARTS ET ARTS DÉCORATIVES

Academie van Schone en Decoratieve Kunsten

Rue de l’Hôpital Notre-Dame 12


De Doornikse kunstacademie is gehuisvest in het vroegere gasthuis van de kathedraal, oorspronkelijk gesticht in de 12de eeuw. Elke kathedraal beschikte over zo’n gasthuis met personeel en middelen om de armen uit de eigen stad en pelgrims van elders onderdak te verlenen en ook de zorg voor zieken was daar geconcentreerd. Vandaar dat de naam ‘gasthuis’ of ‘hospitaal’ later is overgenomen door wat we vandaag als ziekenhuizen kennen.

Dat eerste gasthuis staat destijds wel in deze straat, maar helemaal aan het begin, vlakbij de kathedraal. Omstreeks 1250 verhuist dat gasthuis naar wat nu nr.12 is, dichter bij de rivier om beter aan te sluiten bij de watermolens in de bedding van de Schelde, waardoor de aanvoer van gemalen producten sneller kan verlopen en er ook makkelijker water beschikbaar is voor het reinigen en laven van wie in dat gasthuis verblijft.

In 1758 is dat tweede gasthuis herbouwd door het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in klassieke stijl, net zoals dat gebeurde met het Tehuis voor Oude Priesters en de Sint-Maartensabdij. Het toegangsportaal bezit daardoor boven de deur een Maagd-met-Kind beeld van de Doornikse beeldhouwer Nicolas Lecreux.


Nu kan je opteren voor een lus door de Châteauwijk op rechteroever, waarbij de route eerst stroomafwaarts een stukje Schelde volgt. Je kan dan tot aan de Pont des Trous gaan, de iconische waterpoort over de rivier. Hier en daar komen we langs fraaie huizen, maar verwacht verder geen spectaculaire bezienwaardigheden op deze route die terugkeert naar het station.


AANDACHT: De hoofdroute gaat gewoon rechtdoor, waarbij je aan het einde van de Rue de l’Hôpital Notre-Dame via de Pont Notre-Dame de Schelde oversteekt en vervolgens rechtdoor de Rue Royale kiest. Die brengt je rechtstreeks terug naar de Place Crombez. We geven daar verder geen tekst bij en zien je terug bij het einde van onze route, aan het station.


Wie de route door de Châteauwijk wil volgen slaat in de Rue de l’Hôpital Notre-Dame na de academie de straat links in, de Rue du Bas-Quartier, die meteen op een aardig pleintje uitloopt, waar je de straat kiest die er schuin rechts van wegloopt, de Rue des Cheoncq Clotiers.


BAS-QUARTIER


Deze straatjes in een lager gelegen Doornikse wijk hadden vroeger veel last van overstromingen als de rivier weer eens buiten zijn oevers trad. In de Rue des Cheoncq Clotiers woonde in de 19de eeuw een huisschilder, die een lied maakte in het Picardisch dialect, waarin hij de vijf klokkentorens van de kathedraal bezong. Zoals een eeuw later La Esterella in Antwerpen zal doen met de Onze-Lieve-Vrouwetoren. Zelfs ongelovigen voelen aan dat zo’n kerkgebouw vaak het bindmiddel van een heel stedelijk weefsel is, dat je niet zomaar wegneemt zonder een stadskern te verminken, zoniet te vernietigen.


Aan het eind van de Rue des Cheoncq Clotiers sla je rechtsaf, de Rue Dame Odile in, zodat je even later op de Quai Notre-Dame langs de Schelde staat, die je naar links volgt. Even verderop zie je


CHANTELIVRE

Quai Notre-Dame 10-11


In april 2003 nemen drie vrouwen de boekhandel over waar ze samen werken. Die ligt dan nog in het stadscentrum. Na enkele jaren evalueren ze hun aanpak en besluiten ze het roer wat om te gooien en op 1 oktober 2011 opent hun nieuwe zaak op deze plaats. Naast kinder- en jeugdboeken vind je in deze toch wel aparte winkel ook houten speelgoed en gezelschapsspellen.


L’ÉGLISE DES RÉDEMPTORISTES ET MAISONS LOUIS XIV

Redemptoristenkerk en Lodewijk XIV huizen

Quai Notre-Dame


Voordat hier de kade werd aangelegd liep de bedding van de Schelde op de plaats waar nu de huizen en de kerk aan de Quai Notre-Dame staan. Die huizen vormen een fraai geheel en dateren uit de periode 1680-1685. De Franse koning Lodewijk XIV heeft Doornik in 1667 op de Spaanse troepen heroverd na een beleg van maar enkele dagen en laat de Schelde kanaliseren. Er worden dan huizen gebouwd in een combinatie van lokale traditionele stijl en Franse ideeën. De puntgevels worden vervangen door overhangende daken op gebeeldhouwde steunen.

De kerk is van latere datum, gebouwd in neo-romaanse stijl in 1861-’62 naar ontwerp van architect Justin Bruyenne. Midden- en zijbeuken zijn van baksteen, de door twee vierkante torens geflankeerde voorgevel van blauwe hardsteen. In die voorgevel zie je een roosvenster, ingewerkte zuiltjes in een rondboogportaal en een timpaan op een opengewerkte galerij. Als dat je doet denken aan de voorgevel van de kathedraal is dat wellicht niet toevallig, want Justin Bruyenne heeft in 1849 de restauratie van de Doornikse kathedraal geleid als opvolger van Bruno Renard. De bekendste Vlaamse realisatie van Bruyenne is vermoedelijk het Godshuis in Sint-Laureins, dat intussen als monument beschermd is.

In Doornik zelf springt men wat minder scrupuleus om met het werk van deze zoon. Naast de kerk lag voorheen het klooster van de paters redemptoristen met een fraaie tuin. Maar in 2003 zijn de laatste paters vertrokken en heeft het diocees Doornik de kerk ontwijd en het hele complex te koop gesteld. Klooster en tuin zijn gekocht door een Nederlandse projectontwikkelaar, die op dat terrein een appartementsgebouw heeft gezet. De kerk staat nog steeds te koop. Tijdens de bouw van de appartementen is het altaar echter uit de kerk verdwenen. Wel is daar nog aanwezig het orgel dat Charles Anneessens in 1881 heeft gebouwd en dat 22 pijpen telt, verdeeld over twee klavieren en een pedaal. Er zijn plannen om het dak van deze kerk te vervangen door een soort serre-constructie en van het architectenbureau dat hieraan werkt is een zekere Jacques Bruyenne medewerker.

Omwille van de ligging langs de Schelde stonden de redemptoristen in Doornik bekend als ‘les Pères au quai’, de paters van de kaai.


Wie erg geïnteresseerd is in vestingwerken slaat aan het eind van de Quai Notre-Dame even links de Rue du Cygne in, om daar in een steegje aan je linkerhand de Tour du Cygne te bekijken. De anderen slaan de volgende alinea gewoon over.


TOUR DE CYGNE

Ringwaltoren

Impasse de la rue du Cygne


Deze toren is een restant van de stadsmuur uit de 12de eeuw. Hier passeerde ook reeds de eerste stadsmuur, de zogeheten bisschoppelijke ringwal of Gallo-Romeinse muur, die ruwweg het gebied rond de kathedraal omsloot, maar nog niet de Grote Markt. Die kwam pas bij de vergroting van de 12de eeuw binnen de veilige muren. Van de diverse Doornikse stadsmuren zijn er hier en daar nog resten bewaard gebleven, maar dat gaat steeds om afzonderlijke torens of muurdelen, met als voornaamste restant de versterkte brug over de Schelde. Cygne is hier niet het gewone Franse woord voor zwaan, maar een verbastering van het woord cingle, afkomstig van het Latijnse cingulum, dat ring betekent. Dus hier hebben we het over een toren van de ringwal.


Sluit nu weer aan bij de hoofdroute door terug te keren naar de Schelde.


STANDBEELD BARTHÉLÉMY DU MORTIER

Pont de Fer


Op 3 april 1797 wordt Barthélémy Du Mortier in Doornik geboren en hij zal blijven leven tot 9 juni 1878. Hij maakt dus heel wat mee: Napoleon, Willem I en het ontstaan van het nieuwe België. Barthélémy verwerft internationaal faam als botanicus, die zich vooral met de plantenwereld bezighoudt en een van de eerste is om de vermeerdering via celdeling vast te stellen. In 1829, nog net tijdens de Hollandse periode wordt Du Mortier als lid opgenomen in de Koninklijke Academie van België te Brussel en in hetzelfde jaar sticht hij de Courrier de l’Escaut in Doornik. Aan de Belgische Omwenteling het jaar daarop neemt hij actief deel en dat wordt het begin van een politieke loopbaan als parlementslid, later voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en in 1872 minister van Staat. Dankzij die politieke contacten kan Barthélémy ijveren voor de oprichting van een Museum voor Natuurlijke Historie nabij het stadhuis – waar nu een Barthélemy Du Mortierzaal is -,  een Botanische Tuin in Brussel en de oprichting van de Société d’Horticulture. Intussen laat hij tal van publicaties verschijnen over botanische onderwerpen en ook enkele over politieke zaken als de schuldenverdeling tussen België en Nederland. Financieel gekrakeel is van alle tijden.

Deze beroemde Doornikzaan krijgt in 1893 zijn marmeren standbeeld, gebeiteld door Charles Fraikin, niet de minste onder de Belgische beeldhouwers.


Steek de Pont de Fer over naar de rechteroever en daal daar linksaf naar de Quai Dumon.


Nog tijdens die afdaling kijk je even naar een afbeelding met tekst op de hoekgevel van de Quai Dumon en de Rue Saint-Bruno. Daar gaat het over het


PARLEMENT DE FLANDRE


Wie gaat er in Spanje de troon krijgen na de dood van koning Filips IV op 17 september 1665 ? Wordt dat de 4-jarige Kareltje II uit Filips’ tweede huwelijk, wiens moeder dan regentes zal worden? Bijlange niet, vindt de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV, gehuwd met Maria-Theresia, Filips’ dochter uit zijn eerste huwelijk. Volgens hem heeft zij dus voorrang op Kareltje. En die kwestie is voor Lodewijk wel een oorlog waard, de zogeheten devolutie-oorlog, gebaseerd op aloud erfrecht in de Nederlanden, waarbij de Franse vorst dan ook aanspraak maakt op de Spaanse gebieden in de Nederlanden. Hij verschijnt met een leger voor Doornik, dat hij reeds na drie dagen beleg op 21 juni 1667 kan innemen. De Zonnekoning heeft grootse plannen met de strategische gelegen stad. Hij laat een citadel op de rechteroever aanleggen door architect Deshouillères en ingenieur Jean de Mesgrigny, die raad krijgen van Lodewijks befaamde vestingbouwer Sébastien Le Prestre, beter gekend als Vauban.

In 1676 volgt de oprichting van het Parlement de Flandre, een soeverein gerechtshof dat bevoegd is voor heel het gebied van Duinkerken tot Philippeville. Het gebouw van dit gerechtshof komt hier langs de Schelde te staan, terwijl de raadsheren in het achterliggende gebied hun statige huizen laten bouwen. Na zo’n kwart eeuw komen de Spaanse troepen echter terug. Zij hebben er wel 57 dagen voor nodig voor ze op 3 september 1709 Doornik kunnen heroveren. Het Parlement van Vlaanderen wordt dan eerst overgebracht naar Cambrai (Kamerijk) om uiteindelijk in Douai neer te strijken. In die Franse stad kan je nog steeds het gebouw van dat Parlement de Flandre aanschouwen, hier in Doornik moet je het doen met de afbeelding op deze gevel.  

   

Als we afgedaald zijn van de Pont de Fer-helling, staan we op de Quai Dumon.


Iets voorbij de zijstraat rechts, stond tot 1887 het eerste Doornikse station gebouwd door Auguste Payen aan wat dan nog de Quai de l’Arsenal heet, later de Quai Staline wordt en nu herdoopt is in Quai Andréï Sakharov. De eerste trein arriveert in Doornik op 24 januari 1842. Porseleinfabrikant François Carpentier zal dan ook niet toevallig zijn faïencebedrijfje in 1850 aan de Quai Dumon vestigen. François Peterinck brengt het zachte porselein van deze manufactuur vanaf 1851 tot Europese bekendheid.


Je slaat nu rechts de Rue du Château in. Maar wacht even, je kan ook nog even doorlopen naar de Pont des Trous, die je verderop over de Schelde ziet. Wie dat te ver vindt, slaat de volgende alinea over en gaat zo door naar de hoofdroute.


PONT DES TROUS

Gatenbrug

Schelde – Quai Andréï Sakharov


Deze bijzondere waterpoort, een der weinige van deze soort die in het Westen bewaard zijn, maakt deel uit van de tweede Doornikse stadsmuur uit de 13de eeuw. Die muur volgde grotendeels het traject van de huidige ringboulevards rond de stad. Buiten deze waterpoort is er nog enkel een stukje met de restanten van twee torens bewaard gebleven langs de Boulevard de Marvis, helemaal aan de andere kant van de stad, stroomopwaarts nabij de Schelde.

De naam Gatenbrug heeft niets te maken met de drie openingen waardoor het rivierwater stroomt, maar slaat op een sluis die vroeger vlakbij dit verdedigingswerk lag. In het binnenvaartmilieu was ‘trou(s)’ het woord voor sluis.

Deze poort bestaat uit drie onderdelen, die tussen 1281 en 1302 gebouwd zijn. Er wordt in 1281begonnen op de linkeroever met de Tour du Bourdiel (Bordiel-toren), waarvan de naam gewoon een samentrekking is van ‘du bord de l’eau’ – aan de waterkant. Nadat Doornik de Bruillewijk op rechteroever heeft gekocht – die lag immers binnen het Duitse Rijk, terwijl Doornik tot het Franse gebied behoorde, met de Schelde als rijksgrens – volgt hier de Tour de la Thieulerie (Tuletoren), die vermoedelijk zijn naam ontleent aan een nabijgelegen fabriek van tule, een fijnmazig garenweefsel. Ten slotte worden in 1329 beide torens verbonden met een muur op bogen over de Schelde. Je moet je daarbij wel voorstellen, dat die bogen met valhekken afgesloten kunnen worden, zodat vijandelijke schepen niet zomaar de stad binnen kunnen varen. Bovendien wordt er tol geheven voor de doorvaart, nog tot 1832 geïnd door bewakers. De buitenzijde – stroomafwaarts – maakt een zeer gesloten indruk, terwijl de stadszijde veel meer opengewerkt is, zodat er volop licht en lucht in dit verdedigingswerk kan binnendringen.

De Gatenbrug heeft zijn nut bewezen bij het begin van de Honderdjarige Oorlog. In 1340 belegert de Engelse koning Edward III met zijn leger van Engelsen en Vlamingen Doornik. Met ramschepen tracht hij de valhekken van de waterpoort te forceren. Maar de Doornikse aanvoerder Godemar Dufay biedt heldhaftig weerstand en in de stad wordt op het Maria-altaar in de kathedraal een waskaars gebrand, die op een windas is gerold, net zo lang als de weg van de traditionele Septemberprocessie. Voordat de kaars is opgebrand hebben de belegeraars het opgegeven.

Bij de bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de middelste boog van de Pont des Trous vernield. Maar in 1947-‘48 wordt het vestingwerk weer opgebouwd en men maakt meteen van de gelegenheid gebruik om de pijlers van de brug 2,40 meter hoger op te metselen en de middelste boog te verbreden, om het zo de moderne scheepsvaart gemakkelijker te maken dit kunstwerk te passeren.    

Jammer genoeg is het niet mogelijk om over deze brug naar de overzijde van de Schelde te komen.


Terug naar het begin van de Quai Andréï Sakharov en daar linksaf de Rue du Château in.


Volg de Rue du Château tot aan het tweede kruispunt.


QUARTIER DU CHÂTEAU

Kasteelwijk


Oorspronkelijk heet dit gebied le Bruille, het moeras of drassig terrein. Denk aan de in Vlaamse steden voorkomende naam ‘Bruul’, die dezelfde betekenis heeft. Maar wanneer de graaf van Vlaanderen op een eilandje in de Schelde een verblijf laat bouwen voor zijn kastelein (de man die namens hem het gebied bestuurt), verandert ook de wijknaam. In 1513 zal de Engelse koning Hendrik VIII ervoor zorgen dat die naam nog eens wordt opgepoetst met een nieuwe versterking in dit stukje Doornik en na hem zal in 1667 de Franse koning Lodewijk XIV ook zijn duitje in het zakje voor de versterkingen doen, zoals je reeds weet..


Je ziet nu voor je


L’ÉGLISE SAINT-NICOLAS

Sint-Niklaaskerk

Rue du Château / Rue du Curé du Château


In de 12de eeuw start met het koor de bouw van deze kerk, die ook wel de Kasteelkerk wordt genoemd, naar de wijknaam. De bouwmeesters twijfelen tussen het traditionele romaans en de dan opkomende gotiek, waardoor deze kerk een mix wordt van beide stijlen. De zuilen van het schip met de eerste Doornikse kapitelen en een buitengaanderij met spitsbogen maken dit gedeelte uit 1213 zuivere Scheldegotiek. De toren staat hier niet vooraan, maar op de rechterarm van de kruisbeuk. Een geplande tweede toren aan de andere (noord)zijde is er nooit gekomen. Eind 15de eeuw krijgt de kerk er nog twee kapellen bij.

Momenteel huist hier een parochie van de grieks-orthodoxe ritus en dat maakt het wellicht moeilijker om deze kerk open te vinden en een blik op de binnenkant te werpen. Mocht dat toch lukken, dan zie je daar Lodewijk XIV-houtsnijwerk, dat is weggehaald uit de jezuïetenkerk van het seminarie. Verder drie grote koperen kandelaars in het koor, echt 15de-eeuws, in tegenstelling tot de koorlezenaar, die is een kopie. Het origineel staat in het Parijse Cluny-museum. In de Franse hoofdstad wordt meer Belgisch kunstpatrimonium gekoesterd …

Een goede restauratie van deze kerk heeft in 1982 plaatsgevonden.


Sla bij de Sint-Niklaaskerk rechtsaf de Rue du Curé du Château in.


La BRASSERIE TOURNAISIENNE

Rue du Curé du Château 8 / Rue Saint-Bruno 20


Dit is een oud herenhuis uit begin 18de eeuw, in Lodewijk XIV-stijl en misschien nog juist gebouwd voordat die Franse koning Doornik weer moest prijsgeven aan een coalitie van onder meer Spaanse troepen. In dit soort huizen wonen in die tijd de raadsheren van het Parlement de Flandre. Weliswaar is deze gevel eind 19de eeuw verbouwd, maar om de hoek zie je nog de grote inrijpoort voor de koets. Als de zaak open is, kan je binnen van een fris Belgisch biertje genieten.


De Rue du Curé du Château komt uit op de Place Verte.  


Hier staan huizen in diverse stijlen naast elkaar, maar geen echte uitblinkers. Je kan midden over het plein wandelen, waar het veelal rustig is.


Al wandelend naar het andere eind van de Place Verte, zie je reeds in het groen tussen de Rue du Rempart en de Avenue Leray een ronde toren staan, thans omgeven door steigers.


LA TOUR HENRI VIII

Hendrik VIII-toren


In 1513 komt op uitnodiging van Maximiliaan van Oostenrijk de Engelse koning Hendrik VIII Tudor naar Doornik om deze tot dan toe door de Franse koning bestuurde stad in te nemen op 25 september. Daardoor wordt Doornik een tijdlang zowaar een Engelse stad, met eigen afgevaardigden in het Engelse parlement in Londen. Hendriks gouverneur laat in 1515 in de Kasteelwijk een citadel bouwen, die met een muur en een gracht omgeven wordt. Die Engelse aanwezigheid duurt tot 1519. De jonge keizer Karel V lijft Doornik in 1521 weer in bij zijn Habsburgs-Spaanse Nederlanden.

Deze stevige knaap met muren van 6,25 meter dikte aan de basis en een diameter van 25 meter is het enige restant van die Engelse citadel, want buiten deze wachttoren zijn alle andere Engelse bouwwerken onder Lodewijk XIV weer gesloopt. Twee ronde zalen boven elkaar worden verlicht door een ronde opening in de dakkoepel. Wie goed kijkt, ontdekt dat de verschillende lagen steen onderling verbonden zijn door ijzeren krammen.

Vandaag vormt de toren vooral een stukje nostalgisch parkmeubilair en is het voor hem een beetje ‘wachten op godot’.


Wandel rond de toren en steek dan over naar de Place Victor Carbonnelle, een plein dat daar als tegenhanger van de Place Verte ligt.


Op de plaats van de vroegere tweede stadswal komen groene boulevards en er ontstaat een wat chique stationswijk aan het begin van de 20ste eeuw. Links zie je naast elkaar enkele gevels die soms een opknapbeurt kunnen gebruiken: nr.6, nr.10 met onder de vensters tegels met dameshoofden, nr.12 met sgraffiti waarvan de kleur helaas is verdwenen. De parel aan dit plein staat aan de overzijde:


ART NOUVEAU-HUIS

Place Victor Carbonnelle 5


Architect De Porre schept in 1905 deze creatie met het grote ronde raam, sgraffiti en de ronde erker. Nu woont er een collega, architect Wauter Devaux.


Nog éénmaal rechtsaf en je staat op de Boulevard des Nerviens. Dat zijn niet de zenuwlijders die elke morgen hier de trein moeten halen naar hun werk, maar de Nerviërs, een van de stammen die onze streken bevolken als Julius Caesar ons een portie beschaving komt opdringen. Hier besluiten we deze route, je trein komt wellicht weldra, je auto heeft geduldig op je gewacht.


Wie nog wil winkelen, volgt met die auto de brede boulevard die voor het oude postkantoor door loopt, de Boulevard des Déportés. Deze loopt naadloos over in de Boulevard des Combattants, die op zijn beurt weer aansluit op de Boulevard Walter de Marvis. Daar ligt aan de linkerzijde het winkelcentrum Les Bastions met parkeerterreinen.