
HSP
Van Aerschot, Kempische IJzergieterij en Smederij
De 19de eeuw lijkt wel een nieuwe IJzertijd, metaal verschijnt alom in het dagelijks leven van de mensen in een steeds sterker geïndustrialiseerde omgeving. De dorpssmid en meer nog de smid in de kleinere stadjes krijgen het druk, maar doorgaans blijven het lokale bedrijfjes. Een uitzondering vormt het Herentalse bedrijf van August Van Aerschot. Wanneer zijn vader Johan - een herbergier uit Mechelen - trouwt met Regina Heylen uit het Herentalse gehucht Noorderwijk, gaan ze in 1824 in Herentals wonen. Hun jongste zoon August leert in Antwerpen en Brussel voor smid en bankwerker, zodat hij zowel het ijzer heet weet te smeden als koudweg kan bijvijlen op de draaibank. August schaft zich in 1845 enkele boormachines aan en richt aan de Bovenrij in Herentals een smidse in. Met één knecht en een hondenmolen als drijfkracht start hij zijn bedrijfje. Herentals ligt in die dagen nog vrij geïsoleerd, enkel bereikbaar langs vrij recent gereed gekomen steenwegen naar Lier en Geel. Er wordt gewerkt aan het Kempisch Kanaal van Dessel naar Herentals, maar op de ingebruikname van het stuk tot Antwerpen is het nog zowat 15 jaar wachten, terwijl het Albert Kanaal een kleine eeuw in de toekomst ligt. Ook per spoor is de stad eerst na 1855 bereikbaar. August Van Aerschot koopt in 1853 een tweedehands 4 pk stoommachine en vanaf 1856 kan hij ijzer gaan gieten in de werkplaats achter zijn woning. Maar dan gaat het ook snel, al maakt August niet alles zelf, hij verkoopt ook metalen spullen uit Engeland, Frankrijk en Duitsland. Zijn eigen productie bestaat uit hekken, lantaarnpalen met lampen waarvoor hij desgewenst ook de olie - vanaf 1870 petroleum - kan leveren, poorten en machines. Tot die laatsten behoren tabakspersen, brouwinstallaties en toestellen om wollen lakens te scheren. Wanneer de kanalen gereed komen, levert August daar bruggen voor. Maar een van zijn succesrijkste producten zijn metalen molenassen en molenaskoppen, want ondanks de industriële revolutie draaien in Vlaanderen en Nederlands Noord-Brabant nog honderden windmolens. Zelfs voor de molens die de Moeren drooghouden op de grens van West- en Frans-Vlaanderen levert Van Aerschot de assen. Dan zijn er ook de grote kruisbeelden, die verschillende kerkhoven markeren én de vreugdevollere tegenhanger, muziekkiosken. In het Sint-Niklase stadspark staat het pronkjuweel van die productie, een kiosk in Oosterse stijl. Vanaf 1871 produceert August zelfs zijn eigen gas uit steenkool, waarmee hij zijn flink gegroeide bedrijf verlicht, lang voordat de stad Herentals openbare gasverlichting heeft. Van smid tot leider van een landelijk bekend metaalbedrijf, August Van Aerschot maakt de droom waar. Van zijn drie zonen zullen er twee zijn richting kiezen: Joseph als succesvolle opvolger en weldra geduchte concurrent, Leonard als de al te voorzichtige ondernemer, die weer langzaam afbouwt wat pa heeft ontwikkeld. Joseph gaat eerst de leiding van August overnemen, maar de familie staat in Herentals bekend om de vele onderlinge ruzies. Vanaf 1885 richt Joseph zijn eigen bedrijf op nabij de Kempische Vaart en het Herentalse station op een terrein, dat bijna cynisch als 'De Roest' bekend staat. Die naam betekent zoveel als verzamelplaats van vogels en zal later door Joseph ook aan zijn eigen villa worden gegeven, een huis dat als enig overblijfsel van 's mans activiteiten nog steeds bestaat. Die activiteiten zijn niet min: in een speciaal daarvoor gegraven droogdok worden zelfs metalen binnenschepen gebouwd, maar ook een brug voor Rotterdam en een spoorhal voor het Antwerpse goederenstation Schijnpoort. Daarnaast vervaardigt Joseph exact dezelfde producten als zijn vader, wat natuurlijk tot vinnige concurrentie leidt. Zoon Leonard neemt rond 1890 vaders bedrijf over, maar beperkt zich meer en meer tot de kleinere succesnummers als lantaarnpalen, kruisen, hekken en molenassen. Joseph werkt mee aan de bouw van het Brusselse goederenstation Thurn en Taxis, maar zal daaraan failliet gaan in 1910, nadat zijn ijzerwerk voor dat project is afgekeurd. Hij slijt zijn verdere bestaan in de Cogels-Osylei te Antwerpen, waar hij vooral ideeën verkoopt, die hij door anderen laat gieten. Leonard vlucht voor het geweld van de Eerste Wereldoorlog naar Engeland, vindt bij terugkeer zijn bedrijf leeggehaald door de Duitsers en verhuist dan maar naar de Brusselse randgemeente Sint-Gillis na verkoop van het restant aan zijn meestergast. Daarmee valt het doek over een roemrucht hoofdstuk Herentalse metaalnijverheid.