Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

HENRI VAN CUTSEM (1839-1904)

Tournai / Doornik

De op kerstdag 1839 in Brussel ter wereld gekomen Henri Émile Van Cutsem is een unieke persoonlijkheid in de Belgische geschiedenis, want enerzijds de verpersoonlijking van ‘geld maakt niet gelukkig’, anderzijds iemand die juist een groot deel van zijn levensgeluk zal halen uit het wegschenken van zijn fortuin, waarmee hij de grootste kunstmecenas van België zal worden.

Zijn vader is een zakenman, die aan de Brusselse academie een opleiding als architect heeft gevolgd en dan naar Parijs is getrokken om daar leerling van de schilder Ingres te worden. Die beroemde Franse schilder zou hem zelfs ooit zijn beste leerling hebben genoemd. Maar Joseph Adolphe Van Cutsem wordt weggeroepen van het artistiek milieu om de ‘serieuzere’ familiezaken in handen te nemen, met name het chique Hôtel de Suède aan de Brusselse Anspachlaan.


Toch zal Joseph Adolph zich blijvend voor kunst interesseren, onder meer voor de meubels van Jean Joseph Chapuis, waarvan hij zich nog enkele belangrijke werkstukken aanschaft tijdens de openbare verkoop na de dood van deze ebenist in 1865. Kunst kopen is dus voor zoon Henri ook geen onbekend terrein. Zowel pa als zoon blijken bovendien een perfect instinct te bezitten voor kwaliteit en voor kunstenaars die toonaangevend op hun terrein zullen worden.


Henri Van Cutsem gaat in Luik rechten studeren, maar zal nooit enig beroep uitoefenen dat met deze studie verband houdt. Net als zijn vader voelt hij zich aangetrokken tot de kunstwereld en tijdens lange bezoeken aan Parijs legt hij talloze contacten met kunstenaars aldaar. Hij waagt zich zelfs ook wat aan schilderen en tekenen, maakt als autodidact landschapjes en personages. Maar daar blijft het voor hem bij, de familiezaak aan de Anspachlaan roept en hij wordt beheerder van het hotel.


De zaken floreren zodat Henri vanaf zijn 35ste stilaan een eigen kunstcollectie kan gaan opbouwen, zonder daarbij al te zeer te moeten rekenen bij elke nieuwe aanschaf. Naast dat instinct is het ook zijn scherpe blik tijdens de uren die hij doorbrengt in musea en op exposities, die zijn keuze telkens bepaalt. Als eerste werk koopt hij Het atelier van Henri de Braekeleer, een kunstenaar die hij trouw zal blijven en voor wie hij zelfs bij diens dood bijna 15 jaar later een grafmonument in Antwerpen laat oprichten (thans op perk Z1 rij A van het Schoonselhof). Het atelier getuigt van de voorkeur van Van Cutsem voor het realisme en dat zet hem aan tot het kopen van werk van Édouard Agneessens, Charles Degroux, Constant Meunier en Alfred Stevens.

Maar de verzamelaar volgt de kunstevolutie op de voet, hij concentreert zich achtereenvolgens op het luminisme en op nog modernere schilders, met name Édouard Manet, Claude Monet en Georges Seurat, van wie hij telkens werken koopt en zo zal zorgen voor een van de weinige originele werken van Manet die Belgische musea rijk zijn.


In 1890, Henri is dan net de vijftig gepasseerd, krijgt hij van zijn moeder twee belendende woningen aan de Brusselse Avenue des Arts / Kunstlaan, net in de gemeente Sint-Joost-ten-Node. Intussen is Van Cutsem rijk genoeg om die door een van zijn connecties, de dan nog jonge en onbekende architect Victor Horta, te laten verbouwen tot één herenhuis.  


Maar Henri’s leven blijft niet over rozen lopen. Zijn broer, zijn eigen vrouw Laure én hun zoontje overlijden, zodat het leven in het fraaie herenhuis alsmaar eenzamer wordt. Maar precies die persoonlijke tegenslagen lijken Van Cutsem des te meer bekommerd te maken om het welzijn van anderen, met name van zijn kunstvrienden, zodat hij zich als een ware mecenas zal ontpoppen, iemand die niet enkel hun werk koopt, maar hen veel ruimer zal bijstaan als hem dat nodig lijkt. Zo nodigt hij kunstenaars uit op culturele evenementen en diners, hij betaalt hun vakanties, biedt hen studiereizen of werkruimten aan, sticht kunstprijzen aan academies.


Een heel aparte plaats tussen die kunstvrienden krijgt Guillaume Charlier. Henri heeft Guillaume

leren kennen toen die nog een gewone leerling-beeldhouwer aan de Brusselse academie was. Wanneer Van Cutsem voor hem het plaasteren beeld Le Deluge (De Zondvloed) koopt, wordt dat het begin van een grote vriendschap tussen de verzamelaar en de beeldhouwer, die een weinig later de prijs van Rome behaalt.

In 1884 sluit Charlier zich aan bij de Brusselse kunstkring Les XX (Vingt) en het jaar daarop laat Henri een atelier voor hem bouwen. Als de echtgenote en de zoon van Van Cutsem overleden zijn, stelt hij aan Charlier voor om met hem zijn huis aan de Kunstlaan te delen. Charlier trouwt wat later en zijn nieuwe echtgenote komt daar met beide heren samenwonen. Zij zal actief deelnemen aan de organisatie van artistieke samenkomsten bij Van Cutsem, die kunstenaars thuis uitnodigt of in zijn Blankenbergse kustvilla Quisiana, dan wel op zijn kasteeldomein Roumont in Ochamps, in de provincie Luxemburg.

 

Maar de grote droom van Henri Van Cutsem is om zijn eigen verzameling onder te brengen in een museum, zodat iedereen daarvan kan genieten. Daarvoor maakt hij dan ook reeds bij leven en welzijn voorbereidingen, hij biedt bij legaat de Belgische Staat zijn collectie aan. Maar wanneer die om allerlei pietluttigheden zelf een keuze wil maken uit alle werken en dus niet alles wil overnemen – enig bloot lijkt problemen te geven – hakt Henri zelf de knoop door en biedt zijn hele collectie aan de stad Doornik aan. Over de kosten van een speciaal museum hoeft het stadsbestuur zich geen zorgen te maken, die zijn toch gewoon voor Van Cutsem?


Wanneer Henri Van Cutsem op 13 september 1904 op zijn domein in Ochamps overlijdt aan een longaandoening, gaat zijn woning en de hele kunstverzameling over naar Guillaume Charlier, die de wens van zijn weldoener zal uitvoeren.  Er zijn meer begunstigden: schilder Auguste Oleffe ontvangt een som geld die voldoende is om een eigen woning te bouwen en zijn kunstbroeder André Collin erft het kasteeldomein in Ochamps. (Het huidige kasteel is van latere datum, namelijk 1912.)


Charlier ziet erop toe dat heel de collectie van zo’n duizend stuks schilderijen, meubels, porselein en beeldhouwwerk grotendeels naar Doornik kan verhuizen. Daar krijgt de inmiddels wel beroemde architect Victor Horta opnieuw een bouwopdracht namens Henri Van Cutsem: de bouw van een volwaardig en geschikt museum.

Vanaf 1911 krijgen de ideeën voor dat museum vaste vorm: Horta heeft een gebouw ontworpen dat als een schildpad over de collectie waakt, waarbij met name aandacht is besteed aan de lichtval en het veiligheidsaspect. Om heldere zalen te scheppen, heeft Victor Horta op de tweede verdieping voor veel glas gezorgd, waardoor het buitenlicht overal kan binnenvallen. En over de veiligheid wordt gewaakt door een speciale reeks van ineenlopende ruimten, waardoor zaalwachters een panoramisch zicht op de collectie hebben.


Op de terreinen van de vroegere Sint-Maartensabdij wordt in 1912 begonnen met de bouw, maar de Eerste Wereldoorlog gooit roet in het eten. Daardoor kan de uiteindelijke inhuldiging van dit nieuwe museum aan de Enclos Saint-Martin 3 pas in 1928 gebeuren. Guillaume Charlier zal dat niet meer meemaken, hij sterft in 1925 maar laat ook iets na, ditmaal aan de gemeente Sint-Joost-ten-Node. Charlier schenkt de woning van Henri Van Cutsem aan die gemeente onder voorwaarde dat ook daarin een museum komt. Nog in hetzelfde jaar als het Doornikse museum, kan in Sint-Joost op 21 oktober 1928 het Charliermuseum aan Kunstlaan 16 worden ingehuldigd. Daar is het oorspronkelijke tijdskader tot op vandaag behouden.

Charliermuseum