Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

PRUDENS VAN DUYSE (1804-1859)

In de door Frankrijk geannexeerde Oostenrijkse Nederlanden wordt op 17 september 1804 Prudence van Duyse geboren in Dendermonde, in die dagen wellicht officieel als Termonde aangeduid. Hij is het vijfde en laatste kind van geneesheer Joseph Van Duyse en Theresa Joanna Hanssens. Prudens krijgt zijn eerste lessen van huisleraar Jean-Baptist Lanneau en daarna neemt zijn vader over, waarbij de knaap naar hartelust kan putten uit pa's goed voorziene bibliotheek. Prudens blijkt aanleg te hebben voor taal, hij begint met gelegenheidsverzen voor rederijkerswedstrijden. Maar daarmee verdien je de kost niet, daarom gaat hij examen doen voor kandidaat-notaris en komt zo terecht als klerk op een notariskantoor in Laken. Echt naar zijn zin heeft hij het daar niet. Dus gaat Prudens in 1826-'27 filosofie studeren aan de universiteit van Leuven, om in dat laatste jaar te switchen naar rechten aan de Gentse Rijksuniversiteit.


We zijn hier dan onder het bestuur van de Nederlandse koning Willem I tot ‘verenigde Nederlanden’ geworden. Blijkbaar kan Prudens daar goed mee leven, want in 1830 neemt hij aan het begin van de Belgische Opstand als Orangist de wijk naar het noorden. Maar dat valt blijkbaar tegen, want eind 1831 is hij terug in wat dan België heet. Bij een herdenking van de Belgische omwenteling in Gent geeft dat aanleiding tot incidenten met wat er aan orangisten – aanhangers van koning Willem – is overgebleven en gezien Gent als industriestad wel voordelen van het Nederlandse bewind had, zijn dat er wel wat. Prudens ontsnapt aan echte juridische vervolging doordat hij even in de psychiatrie wordt opgenomen met als diagnose krankzinnigheid. Niettemin promoveert hij in augustus 1832 tot doctor in de Rechten. Maar ja, ook dát is weer niet zijn ware roeping en na welgeteld één zaak kapt hij al definitief met die stiel.


Vanaf 1834 wordt hij fulltime dichter en auteur van korte historische bijdragen. Om hem toch enig officieel aanzien te geven, wordt hij in 1835 tot ere-archivaris van Dendermonde benoemd, een job waar echter geen wedde aan vast hangt. Of dat de reden is, dat het onze dichter niet echt lang kan boeien, weten we niet. Maar een feit is dat Prudens in 1836 alweer in Gent opduikt als leraar aan het atheneum, om twee jaar later opnieuw te jobhoppen, nu naar de oude boeken en documenten als Gents stadsarchivaris. Eindelijk een positie die hem zint, want hij blijft die baan uitoefenen tot zijn dood op 13 november 1859.

Intussen heeft die vaste betrekking hem in staat gesteld om in 1842 te trouwen met Sophie Wautters uit Veurne, een bruid die twaalf jaar jonger is dan haar echtgenoot en hem dan ook 30 jaar zal overleven.


Prudens van Duyse heeft gevoel voor de Vlaamse taal en de Vlaamse zaak. Al in 1831 publiceert hij een eerste bundel Gedichten en in 1836 is hij medestichter van de Gentsche Maetschappy voor Vlaemsche Letteroefening 'De Tael is gansch het Volk', een naam die ontleend is aan een van 's mans gedichten. We hebben dus hier te maken met iemand die aan de wieg van de prille Vlaamse Beweging staat. In 1844 is Van Duyse promotor van het Vlaemsch-Duyts Zangverbond, waarbij je 'Duyts' wel zult mogen lezen als 'Diets', een aanduiding voor het in Noord en Zuid gesproken Nederlands. Dat zangverbond trekt rond met een koor door heel Vlaanderen en het aangrenzende Duitse Rijnland, met onder andere het Oudhollandse liedje van ‘Het loze vissertje’, anno 1709.


Ook staat Van Duyse in 1851 mee aan de wieg van het Willemsfonds, waarbij hij zich niettemin een tegenstander toont van de infiltratie van de politiek binnen de Vlaamse Beweging - iets wat hij echter niet heeft kunnen verhinderen. Ook organiseert hij het eerste Nederlandse Tael- en Letterkundig Congres.


Als literator is Prudens van Duyse bijzonder productief geweest met een omvangrijk oeuvre aan gedichten in alle genres en vormen, toneelstukken, studies over taal en letterkunde en vanuit zijn beroep ook archivalia. Zijn poëzie is van het romantische type, waar een retorische lyriek het doorgaans haalt van de eenvoud. Zijn betere werk is juist intiemer - de elegie Natalia uit 1842, of de legenden en Middelnederlandse pastiches, waarin hij de eenvoud van de middeleeuwse lyriek benadert. Tot zijn beste bundels behoren Het Klaverblad (1848) en Nazomer (1859). Na zijn dood verschijnen nog 10 (!) delen Nagelaten Gedichten tussen 1882 en 1885. En dan zijn ze nog niet van Prudens af, want een verhandeling over De rederijkerskamers in Nederland in twee delen wordt nog postuum uitgegeven in 1900-1902 door toedoen van Frans de Potter en Flor van Duyse.


De auteur zelf wordt postuum bedacht met de Vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Vlaamse Letterkunde en vanaf 1861 met een praalgraf op het Campo Santo van Sint-Amandsberg, de plek waar heel wat BV's uit die dagen een laatste rustplaats hebben gevonden, zodat dit kerkhof nu een sightseeing-oord is geworden met geleide bezoeken. In Dendermonde is in 1884 de vroegere Schoolstraat tot Prudens Van Duysestraat omgedoopt. Niet dat hij er ooit gewoond heeft, maar zo wordt zijn naam er tenminste al vroeg bij het jonge volkje ingehamerd en zullen wellicht een paar nieuwsgierige leerlingen gaan uitzoeken wie deze man geweest is.


Oeuvre:

1831

Gedichten.

1840

Vaderlandse poëzij (3 delen).

1842

Godfried of de godsdienst op 't veld (gedichten).

1842

Nathalia (elegie).

1842

De Spellingsoorlog.

1848

Het Klaverblad (gedichten).

1850

Dichtbespiegelingen na Thomas a Kempis (gedichten).

1854

Verhandeling over den Nederlandschen versbouw.

1859

Jacob van Artevelde.

1859

Nazomer (gedichten).

1882-85

Nagelaten Gedichten (10 delen).

1/02/1900

De rederijkerskamers in Nederland (2 delen).

standbeeld Prudens van Duyse te Dendermonde

(door Godfied Devreese op een sokkel van Victor Horta)

foto: Vera Seppion