AANGESLIBD
Langs Hazarddam tussen hagen
van maïs, riet en lisdodde
voorbij fluitenkruid en boterbloem
hobbelend de helling af
Hoog aan de hemel de zon
en voor de schilder en zijn doek
een wollige wolk, een vogel
een vlinder
De kerk, een rode burcht
geblakerd en verweerd
en hoog boven rollende grassen
het iele venster van meeuwen
Toch weet ik hoe in mijn rug
de fabriek nooit stopt met draaien
en haar smerige laars
lapt aan de natuur
en hoe langsheen de oever
het rimpelende water
een dreigend landschap tekent
van kringelende en kronkelende modder
Modder ook die aanslibt in mijn ziel
nu ik terugkeer naar de poel van ellende
die post heeft gevat in het huis
genaamd barmhartigheid
en zich verbreidt als venijn
waar geen kruid tegen gewassen is
schriel lachen de meeuwen me uit
in Burcht aan de Schelde