
HSP
Rose Vandewalle laatste strohalm
Ik leerde haar kennen op een schip dat voor zoveel als aan zijn laatste vaart toe was en ons van Le Havre naar New York voer. Ze heette Auli en kwam uit het noorden, ze was blond als wat en had iets oprechts en warmhartigs over zich. Onze aankomst in New York vergeet ik nooit: die nacht was ik op het dek gebleven om bij het naderen van N.Y. de zon te zien opgaan. Ik was zeer onder de indruk. Maar eenmaal aan wal, kwam de ontnuchtering. Mijn kennis van het Engels bleek ontoereikend om aan The Port Authority Bus Terminal te geraken en er tijdig de Greyhound naar Louisville te halen. Toevallig hoorde ik dat Auli net als ik richting Kentucky uit moest. Ik sprak haar aan en vroeg of ik haar mocht vergezellen. Natuurlijk, zei ze. Was het toeval dat we beiden en elk afzonderlijk gedurende een zestal weken in een gastgezin te Louisville zouden verblijven, toeval ook dat we allebei tegen het eind van ons verblijf een studiebeurs aan de U of L (universiteit aldaar) kregen aangeboden? Het werd een jaar om nooit meer te vergeten. We werden vrienden voor het leven, ook al duurde het na onze terugkeer lang vooraleer we elkaar weerzagen. We schreven elkaar niettemin vaak. * Er waren enkele jaren voorbijgegaan toen er laat op een avond werd aangebeld. Wat een verrassing van Auli in de deuropening te zien staan! Ze was trouwens niet alleen. Aan haar zijde stond Carl, net als vroeger breed glimlachend. Carl was in de tijd onze nog jonge prof Engels geweest. Had mijn intuïtie toen al juist gezeten? Auli praatte niet veel maar wanneer ze iets zei, was dat nooit voor niets. Het leek alsof ze heimwee had naar Finland – naar zijn meren en wouden. Ook miste ze haar jongere broertje Marrti. Was er toen al iets aan het broeden? Ze had me er nooit iets over verteld. Typisch Fins, zou ik later vernemen. Feit is dat Carl Auli is gaan opzoeken in Suomussalmi en daar een tijd is blijven hangen en dat ze nadien samen voor goed naar Tampere zijn gaan wonen. Pas later, veel later, hebben wijzelf voor het eerst de reis naar Tampere ondernomen. Auli was toen jammer genoeg al overleden. Voor mij kwam ze hier in zekere zin terug tot leven. Ik kwam haar weer tegen: op het serene maar imposante kerkhof en vooral in de flat die ze samen met Carl deelde. Alles ademde er Auli. Nauwelijks iets bleek er sedert haar overlijden te zijn veranderd, herschikt. Er heerste stilte, persoonlijkheid en goede smaak. Eenvoud ook. Elk voorwerp had hier zijn bestemming. Het mooie gedicht van Eeva Kilpi, opgehangen in Auli’s werk- en later ziekenkamer, hing hier niet voor niets, de reeks kunstboeken gewijd aan de uitzonderlijke schilderes Hélène Scherfbeck, de verschillende edities van Carls publicaties die Auli met zorg bewaarde. Wanneer Auli zich vastbeet in een bepaald auteur, dan verzamelde ze al wat ze van die auteur kon vastkrijgen. Alles van de (onlangs overleden) dichter Lassi Nummi bijvoorbeeld. * Het was op 20 oktober van het jaar 1981, dag van de moorddadige aanslag in de joodse wijk te Antwerpen dat ik een brief van Auli ontving, waarin ze me liet weten dat ze aan lymfeklierkanker leed. Ik was hier erg door aangedaan. Auli zou evenwel nog vele jaren een redelijk normaal leven kunnen lijden wat haar toeliet om ons, samen met Carl, nog verscheidene keren te komen bezoeken. Natuurlijk kende ze ups en downs, periodes van herval met bestraling en chemotherapie: haar levenswil hield haar niettemin overeind. Haar motivatie had een Naam. * Meer dan vijf en twintig jaar later, zou plots een nieuw soort agressieve kanker bij haar opduiken. Een kanker waar ditmaal geen kruid tegen gewassen bleek. In snel tempo namen haar krachten af. Tijdens die periode zat ze vaak in een rieten stoel op haar terras, een soort glazen kamer aan de voorkant van het gebouw vanwaar ze uitkeek op de drie berken die er stonden en in het bijzonder op de berk vlak voor haar raam, waarachter ze het meer wist met wat dit meebracht aan fauna en flora. Ze genoot er van haar geraniums, van het verschuivende licht en van de vogels en de vele signalen die deze doorgaven. Maar op een dag besloot de beheerraad van het gebouw dat één van de drie berken moest worden geveld. De boom nam teveel licht weg, klonk het. Verdacht genoeg was het net de boom pal voor Auli’s raam, die men viseerde. De boom die voor Auli fungeerde als laatste strohalm. Kon het wreder? De beheerraad liet er geen gras over groeien. De boomhakkers kwamen. Carl en Auli trachtten de mannen er nog van te overtuigen hoe onzinnig de geplande boomkap wel was, ze bleken evenwel voor geen rede vatbaar. Hoe ze het heeft klaargespeeld weet ik niet want Auli was toen al erg ziek, het verhaal loopt dat ze zich met stoel en al onder de berk is gaan zetten. Dat heeft ze vast niet alleen gekund, haar toestand was hiervoor op korte tijd te fel achteruitgegaan. Waarschijnlijk heeft Carl haar hierbij geholpen en ik kan me voorstellen dat hij dit heeft gedaan met alle respect voor Auli’s beslissing en met bewondering voor haar vasthoudendheid. Het leidt geen twijfel dat hij diep was aangegrepen door de moedige daad van haar verzet. Aangezien Auli daar zo onder haar berk bleef zitten, konden de boomhakkers er niet aan beginnen. Wellicht voelde de beheerder van het flatgebouw zich in het nauw gedreven en heeft hij om geen gezichtsverlies te lijden, er – meedogenloos - de politie bijgeroepen. Toen de politie eraan kwam, heeft Carl er de agenten erover ingelicht hoe ziek Auli eigenlijk wel was en hoe onverantwoord heel deze situatie. Ook Auli maakte hen duidelijk waarom ze onder die boom zat en dat ze niet zinnens was op te stappen, dat ze haar zouden moeten wegdragen zo ze aanhielden, want dat ze terminaal was en niet meer in staat om tot bij de politiewagen te geraken. De agenten waren nog jong en vatbaar voor haar woorden en men kon voelen hoe ze respect voor haar hadden. Er zat voor hen evenwel niets anders op. Ze hebben Auli dan met zachte hand opgepakt en haar naar de politiewagen gedragen, haar weggevoerd en haar pro forma voor korte duur in een cel opgesloten. Zodra de berk geveld was, heeft men haar weer vrij gelaten. En aangezien er geen lift in het gebouw was, moest Auli drie hoog de trap op. Of Carl haar toen de trap op heeft gedragen, is me niet verteld. Zeker is dat zijn bewondering en liefde voor haar die dag nog sterk is toegenomen. Drie maanden later zou Auli overlijden. Haar assen werden verstrooid op een kerkhof, oase van rust in de omgeving van Tampere. Rose Vandewalle Symforosa nr 86, 24e jrg/2, september 2012, met eigen foto’s
© foto: Rose Vandewalle