Rose Vandewalle verwaaid
Een uitgave van De Oostakkerse Cahiers, uitgeverij bf Ampersand & Tilde, 2006. De bundel wordt voorafgegaan door volgende verzen van Vasalis: Ik ben verdwaald in een seizoenenloos gezicht, verdronken in een bodemloze stem, verwaaid in een gedachte
ze zitten na te tafelen klinken met de glazen op hun povere bestaan een poes uit porselein twee plaasteren muizen is al wat overblijft gebroeders, stelt hij ze voor en wat vooral van belang is 's morgens zijn ze nooit verdwenen geruststellend wel terwijl alles in dit huis voortdurend blijft verdwijnen een bril of een gebit maar net zo goed een eigen vrouw, een kind of zelfs een straat, een hele stad elke dag opnieuw ook naar zichzelf op zoek
Over de poëzie van Rose Vandewalle GEDICHTEN DIE VERWAAIEN ALS EEN WARME PASSAATWIND In haar derde bundel “Verwaaid” legt Rose Vandewalle alle accenten op het verstrijken van de tijd, het voorbijgaan der dingen, het verdwijnen van de zorgeloosheid, nu de jaren met het ouder worden echt gaan tellen. Dat klinkt nogal droevig, zeker voor wie zich daarin herkent, maar de gedichten beklemmen je nergens. In tegendeel. Vandewalle presteert het om flink afstand te nemen van dit niet te keren feit door hier en daar een vrolijke noot op te werpen waardoor alles lichter en draaglijker wordt dan het eigenlijk is. De bundel is in drie afdelingen verdeeld. De eerste twee hebben vooral betrekking op de ouder(s), een geliefd familielid, het moeizame en tragische vanwege de aftakeling, fysieke problemen die gepaard gaan met de ouderdom (geestelijke achteruitgang, blindheid). In de derde afdeling voert ze je mee naar haar eigen ervaringen en observaties. In Parijs bv. kruipt ze in de huid van een eenzame vrouw (die wekenlang dood in haar appartement gelegen heeft). Ook hierin wordt het proces van de aftakeling voortgezet en op een heel subtiele en betrokken wijze beschreven, waarin de zelfkant van het leven ligt weerspiegeld. Door de fijnbesnaarde toon, de lichtheid van haar woorden, de transparantie van de gekozen beelden komen de woorden nooit over als zwaarmoedig. M.a.w.: Vandewalle is er uitstekend in geslaagd om het bestaan, hoe gerafeld, misvormd en miskend ook, een draaglijke signatuur te geven. Ondanks dit gegeven blijven haar gedichten pijn doen, ergens schrijnen, weliswaar vooral tussen regels en in het wit van het onzichtbare dat niet zo makkelijk met het blote oog valt vast te stellen. In dit spanningsveld en schemergebied vind ik haar gedichten het best tot hun recht komen. De woorden bewegen tussen eb en vloed, licht en duisternis, vorm en vormeloosheid en laten zich niet meteen vangen. De vorm, bijna geheel interpunctieloos, speelt hierin ook een belangrijke rol, evenals de korte versregels, veelvuldig gebruik van enjambement. Er is geen enkel gebruik van hoofdletters en nergens een punt aan het einde van een gedicht. Weinig heeft een vaste plek, er kan nog veel anders zijn en dat is voor een lezer prettig omdat hij zelf ook diezelfde ruimte krijgt om de verbeelding en het verbeelde vrij spel te kunnen geven. Deze vrijheid van interpretatie mag je als een geschenk beschouwen, want niets is vervelender dan iets wat onwrikbaar vast ligt en waar niets meer aan te verschuiven valt. Het maakt dat haar gedichten je dwingen om te herlezen, om opnieuw de woorden te proeven, om te kijken of een tekst anders wordt afhankelijk van het moment waarop je leest. En dat zou goed mogelijk kunnen zijn in de gedichten van Rose Vandewalle door de grote mate waarin zij niet alles geheel wil invullen, een vaste plek wenst te geven, ook al is ze vrij concreet in taalgebruik. Het waait immers. En waar het waait gaan dingen schuiven en waaien ze soms weg, uit het zicht. En verder: niets blijft hetzelfde, alles is verwaaid, in the end. Het is een oefening in onthechting, loslaten, durven loslaten. De dichteres is zich ervan bewust dat dat een weg is die we allen vroeg of laat moeten gaan zoals ze besluit in de laatste regels van het laatste vers in deze bundel: voor het laatst zal ik me oprichten//..//..//klanken uit een donkerend en veel later bed/ik zal spreken met mijn ogen, met mijn handen. Ze weet dat woorden niet alles tot uitdrukking kunnen brengen en veel ongezegd blijft. We hopen dat dat nog lang zal uitblijven. Intussen tuimelen we terug in de tijd, zien onze moeder weer voor ons, worden we weer kind: in dit heilig halfduister duikt ze plots op, die gekke hoed van toen op haar kop/en ik aan haar hand het meisje met vlechten. Intussen blijven onze herinneringen voortbestaan: altijd zal hij me uitwuiven wankel en/wapperend in zijn te wijd geworden kleren/het gevoel dat ik hem achterlaat/op een verlaten en winderig eiland. Hannie Rouweler 'De dichteres zegt véél met weinig (...) glashelder tekent elk gedicht de situatie'. Aleidis Dierick 'Rose Vandewalle schrijft poëzie met een fluïdum (...). Zij noteert op tedere, respectvolle wijze een reeks observaties over oude mensen. Zij schrijft niet alleen over hun stollende lichamelijkheid, maar durft ook de geestelijke aftakeling in een delicate poëtische vorm te verwoorden (...) 'Verwaaid' is een kostbaar kleinood, een pareltje van indringende poëzie'. Nicole Van Overstraeten
A rose is a rose is a rose   tekening: Eva Leclercq
© Het Stille Pand (2006-2025) 
© Het Stille Pand (2006-2026) 