
HSP
Emile Verreecken (1866-1926)
Als je in Antwerpen op 26 december 1866 wordt geboren als zoon van een architect, raak je niet meer weg uit die stad als je in de voetsporen van je vader treedt. En dat is precies wat Emile Vereecken zal doen. Natuurlijk volgt hij eerst een opleiding aan de Antwerpse academie, maar als hij in 1893 een Grote Prijs van Rome in Bouwkunde behaalt kan hij wel meteen terecht bij vader Jean-Baptist, die er dan al een mooie carrière als architect op heeft zitten. Vanuit diens architectenbureau aan de Antwerpse Maria Theresialei 15 zullen ze nog tot begin 20ste eeuw samenwerken, wanneer in 1906 Emile uiteindelijk zijn eigen weg zal gaan en meteen zijn eigen woning bouwt in de Emiel Banningstraat 6, zelfs voor de straatnaam houdt hij het bij bekend en vertrouwd. Jean-Baptist en Emile beoefenen de architectuur in een tijd dat een bouwmeester een hele waaier aan historische stijlen beheerst en die vaak mixt tot het fraaie geheel dat onder de wat moeilijke naam eclectisch bekendstaat. Soms wordt teruggegrepen naar een zuiverder navolgen van een oudere stijl, die dan het voorvoegsel ‘neo’ krijgt: neoclassicisme, neorenaissance, neo-Vlaamserenaissance … En ook de Franse beaux-artsstijl, waaruit ware paleizen worden opgetrokken, is zeker Emilie niet onbekend. Dan mag een architect helemaal voluit gaan. Verwacht geen arbeidershuisjes of sociale appartementen van de Vereeckens, hun klantenkring bestaat uit bemiddelde tot gefortuneerde Antwerpenaren, waaronder heel wat bekende zakenfamilies, deels uit de groep van Duitse ondernemers die eind 19de eeuw een hele kolonie in Antwerpen vormen, met zelfs een Deutsche Ecke (Duitse hoek) als niet officiële buurtnaam nabij het huidige Koning Albertpark. Opvallend tussen al die opdrachtgevers is het grote aantal weduwen, dat kennelijk de erfenis van hun bemiddelde echtgenoten in vastgoed belegt.. Wie de oeuvrelijst van Emile en vader Jean-Baptist bekijkt, komt heel wat bouwprojecten tegen in de toen nieuwe Zuidwijk, in de omgeving van het Stadspark en in de straten tussen de Leien en het Harmoniepark. Je zou een wandeling in die buurten kunnen uitstippelen langs door hen gebouwde huizen. Als Emile Vereecken in 1906 voortaan onder eigen naam gaat bouwen, blijft hij aanvankelijk werken vanuit vaders architectenbureau aan de Maria Theresialei. Later brengt hij zijn bureau over naar de Nerviërsstraat 10, waar het gevestigd blijft tot 1925, wanneer Emile zijn laatste ontwerpen tekent. Op 19 juni 1926 overlijdt deze actieve bouwmeester, nog geen 60 jaar oud. DE AANLEG VAN DE LEYSSTRAAT Van Meirsteeg tot Leysstraat Een straat die zich menigmaal heruitgevonden heeft. Alles begint met een smalle Meirsteeg naar een sluippoort over de stadsvest, waar je nu links het Operaplein en rechts de Frankrijklei ziet. Verbreedt tot Statiestraat in 1855, volgt wat later de herdoping tot Barend van Orleystraat, naar een 16de-eeuwse schilder, die echter vooral in Brussel actief was. Nu ligt er aan deze nieuwe uitvalsweg naar het Antwerpse station buiten de stadsmuren de woning van de Antwerpse schilder Henri Leys, die intussen door Leopold II tot baron is benoemd. Dat geeft reden om de straat nogmaals van naam te veranderen, in 1867 wordt het dan ook de Leysstraat. Juist op tijd, in 1869 overlijdt Leys, dus hij heeft het nog net mogen meemaken dat hij in zijn eigen straat kon wonen. Henri’s erfgenamen stellen zijn door Jos Schadde in 1865 gebouwde woning geregeld open voor het publiek, want de baron heeft in zijn eetkamer zes muurschilderingen aangebracht, die samen het bezoek van een voorname Italiaanse familie aan hun vrienden weergeven. Als Antwerpen dankzij de nieuwe Brialmontvesting op grotere afstand van de stadskern zich niet langer binnen de Spaanse wallen moet opsluiten, mag het allemaal wat ruimer. Ja, het kan niet rijkelijk genoeg, het stadsbestuur wil op alle vreemdelingen die Antwerpen bezoeken een verpletterende eerste indruk maken. Daarom wordt in 1898 in de verbinding tussen de statige Meir en het nieuwe centraal station-in-opbouw nog maar eens de botte bijl gezet, om dan met het fijnste truweeltje en beiteltje alles opnieuw overeind te helpen met als resultaat het huidige pronkdecor, dat in 1971 zowel als monument en als stadslandschap is beschermd.Drie jonge architecten mogen van de stad de spits afbijten en een voorbeeld geven van het soort huizen dat hier verwachte wordt: Emile Vereecken, Alexis Van Mechelen en Michel De Braey. Zoek echter niet naar dat woonhuis van baron Leys, dat is bij die complete facelift uit het stadsbeeld geschrapt. Zijn beroemde muurschilderingen zijn nog snel verdoekt en aangekocht door het stadsbestuur, dat ze in 1897 laat aanbrengen in wat vandaag de Kleine Leyszaal van het Antwerpse stadhuis heet. We flaneren – hier wandel je natuurlijk niet – even vanaf de stationszijde door deze mooi gebogen en naar het einde smaller wordende Sinjoorse trots. We kijken zigzaggend eerst naar links, dan naar rechts. Herfst en Winter Links: Leysstraat 28-30 / Kipdorpvest 32-34. Architect Ernest Dieltiëns mag hier van de Stad Antwerpen twee seizoendames de bezoekers laten ontvangen: links de Herfst met hertekop en vruchten, werkstuk van Jules Anthone, rechts de winter van Alphonse Van Beurden met haar spinnewiel voor lange donkere dagen. Georges Geefs zorgt nog voor een gekroond stadswapen tussen de wildeman en zijn al even wildevroiuw. Jules Weyns geeft het gebouw vleugels met zijn vergulde adelaar. Ook hier een koepel, peervormig. Grand Hotel Métropole Rechts: Leysstraat 27-29 / Kipdorpvest 28-30. Een neobarokke schepping uit 1899, bij Frans Van Dijk besteld door de Stad Antwerpen. Tegen een hoge hoektoren met koepel leunen twee seizoenallegroriën: links de Lente, die van beeldhouwer Jules Weyns een ontluikende bloesemtak toegestoken kreeg, rechts de zomer, door Georges Geefs met zonnebloemen toegerust. Visvangst en Scheepvaart Rechts: Leysstraat 21. Een dak dat als een soort uitgerekte koepel is geconstrueerd wordt een Philibert de l’Ormedak genoemd, naar de 16de-eeuwse Franse architect die gebogen dakspanten toepaste. In dit op Franse Lodewijk XIV-barok gebaseerde huis zie je twee zittende dames, waarvan de linkse een zeeschelp vasthoudt als symbool voor de visvangst en de andere een Neptunusstaf in de hand heeft, waarmee zij de scheepvaart wil benadrukken. Op dakhoogte nog een arend van beeldhouwer Arthur Pierre. La Métropole Rechts: Leysstraat 19. In opdracht van de Société Nouvelle du Centre d’Anvers van uitgever August Van Nijlen zorgt Frans Van Dijk in 1904 voor dit redactiestekje van dagblad "La Métropole", met een lezerskring uit de betere handelsklasse, vandaar Franstalig. Net onder de puntgevel een reliëf waar nog juist een extra editie onder de pers gaat. Zoek onder het centrale boogvenster op de tweede verdieping naar het liggende kanon. Handel en Scheepvaart Links: Leysstraat 12-26. In opdracht van twee illustere zakenlieden uit de Duitse kolonie, Ernest Paul Grisar en zijn neef Albert Kreglinger, mogen Jean-Baptist en zoon Emile Vereecken hier in 1899 een breed stuk van deze naar voren gebogen gevelwand optrekken. Aan beide uiteinden een stevig versierde puntgevel met enig gevogelte, siervazen en halfzuiltjes en helemaal op de top rechts Mercurius, klaar voor een ‘take-off’ en links Neptunus, die een vorkje meeprikt, dankzij Frans Joris in brons tot leven gewekt. Niet toevallig de goden van Handel en Scheepvaart, de beide terreinen waarop de bouwheren zeer actief waren. Visschers Huizeken Rechts: Leysstraat 15. Bovenaan steekt een scheepsboeg uit de gevel. Hier had een visboer zijn winkel en als we de Nederlandse auteur Herman Heijermans mogen geloven, werd toen de vis duur betaald. Maar je kreeg dan ook waar voor je geld, kijk maar naar de reuzensnoeken die twee knaapjes hogerop zeer verguld torsen. Dat ze maar opletten, een meeuw is al op post boven in de toren en heeft al een vis beet. Een kanjer van een gevel uit 1898 van architect Michel De Braey. De scheepssteven is van Edward Deckers en de vergulde beelden van kinderen, vissen en meeuw van Alfons Strymans. Vrouwenhoofden Rechts: Leysstraat 9-13. De Stad Antwerpen schakelt Emile Vereecken in om om hier in 1898 een wat breder gebouw tussen de smalle en spitse gevels te laten verrijzen. Om toch het idee van opgaande architectuur te behouden, heeft hij in het midden een smaller en wat vooruitstekend gedeelte ingelast, dat bovenaan in een lantaarntoren uitloopt met nog een windwijzer in top. Op de tweede verdieping zie je in de bovenramen van de zijvensters paneeltjes met vrouwenhoofden tegen een rode achtergrond. Jan Breydel Links: Leysstraat 8. Louis.Gife mag in 1899 hier in neo-Vlaamserenaisancestijl ons herinneren aan de Gulden Spoirenslag, die overwinning in 1302 van Vlaams voetvolk tegen Franse ruiters te paard voor de poorten van Kortrijk. Als Hendrik Conscience er in Antwerpen geen boek over had geschreven, had dat gebeuren wellicht nooit aanleiding kunnen worden voor een Vlaamse feestdag op 11 juli. Jan laat zich op deze gevel echter niet zien, wat wil je? Het is het smalste en laagste pand van deze gevelkant, daar komt een held niet voor uit zijn bed. Wat je wel ziet is een Vredeman de Vries-decoratie met Ionische halfzuilen, hermen (halve mannen en vrouwen op standbeeldvoet), wortelmotieven, cartouches … De Kopstukken Rechts: Leysstraat 7. In deze gevel steken vier koppen uit de muur, de eerbiedwaardige hoofden van de heren Frans Van Kuyck, burgemeester Jan Van Rijswijck, Arthur Van den Nest en Arthur Goemaere - het stadsbestuur dat in 1896 beslist dit stukje stad te construeren. Op de top een reiger. Alexis Van Mechelen puzzelt het allemaal ineen rond 1902. Lodewijk Van Bercken Links: Leysstraat 1 / Jezusstraat 2 In deze gevel zit sinds 1907 een man duidelijk zielsgelukkig van een steentje tussen duim en wijsvinger te genieten. Het is Lode van Bercken, jarenlang als de uitvinder van het diamantslijpen beschouwd. Zoveel eer is wat teveel voor deze 15de-eeuwse Bruggeling. Want hij lijkt louter ontsproten aan de fantasie van Parijse juwelier Robert de Berquen, die in de 17de eeuw het familieblazoen dacht op te poetsen. In zijn boekje 'Les Merveilles des Indes Orientales et Occidentales' verhaalt hij hoe één van zijn voorvaders in 1476 de techniek van het diamantslijpen in Brugge heeft geïntroduceerd, waarna hertog Karel de Stoute hem meteen enkele grote stenen laat slijpen. Onze Lode is echter nooit opgedoken in de Brugse archieven, zodat het klaarblijkelijk om een vroeg staaltje van virtual reality gaat. Van Bercken staat dan ook meer symbool voor de magie rond diamant, dan voor het keiharde materiaal. Tot troost van de Bruggelingen: er zijn in die stad zelfs nog vroeger, minstens vanaf 1465, diamantslijpers actief geweest en daarmee zijn ze er wel als eerste bij in de Nederlanden. Frans Joris maakt dit beeld in 1906, de rest van het gebouw is een creatie van Walter Van Kuyck. Lodewijk is hier niet puur toevallig verzeild. Het huis waartegen hij leunt staat op de plek waar Louis Coetermans in de 19de eeuw een voorloper ervan laat bouwen, waar hij de Cercle International sticht, een club voor diamantairs en hun gasten, geschoeid op Engelse leest. Coetermans is zelf een vooraanstaand diamantair, die als consul-generaal van Perzië in 1889 in zijn woning Sjah Nassr-er-Dine himself ontvangt, tijdens diens officiële bezoek aan Antwerpen. DE BALANS – GILDEHUIS VAN DE LAKENBEREIDERS Grote Markt, 38, Antwerpen. Dit huis wordt gezien als één van de drie nog oorspronkelijke oudere gevels aan de Grote Markt, samen met buurman Rodenborch en Groote Mont toe (Café Noord). Al in 1395 wordt het vermeld, maar op 4 oktober 1541 teistert een enorme brand de Grote Markt en gaat het in de vlammen op. De lakenbereiders bouwen het in 1615 weer op, nu in natuursteen en in de nieuwe bouwstijl, de renaissance. Maar het uitzicht is nog sterk ‘op z’n gotisch’, doch de bekleding met arduin is beslist renaissance. Boven de vensters afbeeldingen van het ambacht, dat zich bezighield met wollen stoffen te bewerken: vollen (vervilten), droogscheren (glad maken), uitsnijden, draperen (op glans brengen), opmeten en verven. Enkele eeuwen later heeft weduwe Alex Winkeler hier haar verfhandel ‘In het Klaverblad’ en zij laat het huis in 1921 restaureren naar een ontwerp van Emile Vereecken. Dat staat te lezen op een gevelsteen, terwijl bij die restauratie ook het vergulde klaverblad in een medaillon is aangebracht. De Stad Antwerpen bekostigde 60 procent van het restauratiebedrag. In 1962 heeft de Stad opnieuw restauratiewerken uitgevoerd en een jaar later zorgt Bruno Gerrits voor vernieuwing van de gebeeldhouwde reliëfs in de boogvelden boven de ramen van de eerste en tweede verdieping. Die geven taferelen van de lakenbereiding weer. Boven op deze gevel staat een verguld bronzen vrouwenbeeld met een balans in de hand. Ditmaal geen verwijzing naar justitie, maar naar de huisnaam, die komt van de oorspronkelijke functie, een waag.