Suzanne Binnemans belofte en schuld
© Het Stille Pand (2006-2025) 
© Het Stille Pand (2006-2026) 
De vzw Halle 2000 schreef in 1998 voor de eerste keer een dubbel poëziewedstrijd uit, voor kinderen en volwassenen. De wedstrijd legde geen thema op, maar merkwaardig veel inzendingen handelden over een emotionele relatie tussen man en vrouw, en bij uitbreiding over een familiegeschiedenis. Suzanne Binnemans uit Lier werd met Omwille van het bloed als tweede genomineerde gekozen. Het is een gevoelige, kwetsbare cyclus gedichten over tekortkomingen en vooral over de mislukte relatie tussen de drie hoofdpersonages van een normaal gezin.
Omwille van het bloed Belofte en schuld I. Hij was de legpuzzel die het moeilijkst was en bleef, maar ook voor hem passen de laatste stukken nooit. Zelf droeg hij de last kwam hij zelden verder dan een slordig uitgesproken belofte aan het kind. Tranen droogden al te snel hadden slechts een vloeibare waarde geen betere betekenis tranen zonder meer. Alleen nog dit: zijn kus was licht en zonder gloed als was hij bang zichzelf als vader te herkennen. II. Het was een foto die je weer levend maakte, lachend in het zonlicht van een prille zomer. Je schilderde de gevel van het huis waarin we dagen deelden voorbij de tijden dat het beter was. Het kleine meisje kijkt verwonderd naar de ladder tegen het huis vragend, met blauwe fiets aan de hand. wat voor haar niet kon, verzon jij keer op keer en telkens huilde ze vanbinnen. III. Je sprak de waarheid niet wanneer je opstond, wakker, onzeker maar welwillend de eerste stappen zette als van een kind. Bij aanvang was je veroordeeld tot de allerlaatste druppel; bezwijkend maakte je van je handen een kelk en weerom dronk je mateloos. Grondig, zeer grondig waste je nadien je handen in onschuld en mompelde een resem woorden, zinnen onvoltooid en binnensmonds. De stem in jou had alweer gewonnen een tol geëist van jaren op reis binnen genadeloze dagen, buiten westen: bloedstollende gedachte.
beelden ‘Halle op vrijdagavond’ © Laurent Hauwaert
IV. Het kind hoort schreeuwen het kind hoort jammeren het kind zegt niets en loopt op kousenvoeten naar de deur vluchtend voor het onheil. Er zijn geen woorden voor dit onuitspreekbaar groot verdriet deze onheelbare wonden (snel verbonden bloeden ze niet) de niet aan te tasten smet. De vrouw is nu vlakbij en prevelt in haar slaap: ik hou onnoemelijk veel van vellen wit papier en vul ze sprakeloos. V. Haat en vergiffenis zijn verenigd wat leefbaar is, beleven we rusteloos; wat moordend is, tergend laten wij voor wat het is bij het verlaten van de woning. Ik ken je, hoor je briesen, zingen klagen spugen huilen ik zie je verliezen. De haastige tred als van een jongeling niets ontziend, verwachtingvol bij het verlangen naar het eerste glas. En weer vergeeft mijn bloed de laveloze vader. Een deel van mij zeilt na de storm opnieuw naar huis.