Suzanne Binnemans
belofte en schuld
De vzw Halle 2000 schreef in 1998 voor de eerste keer een dubbel poëziewedstrijd uit, voor kinderen en volwassenen.
De wedstrijd legde geen thema op, maar merkwaardig veel inzendingen handelden over een emotionele relatie tussen man en vrouw, en bij uitbreiding over een familiegeschiedenis.
Suzanne Binnemans uit Lier werd met Omwille van het bloed als tweede genomineerde gekozen.
Het is een gevoelige, kwetsbare cyclus gedichten over tekortkomingen en vooral over de mislukte relatie tussen de drie hoofdpersonages van een normaal gezin.
Omwille van het bloed
Belofte en schuld
I.
Hij was de legpuzzel
die het moeilijkst was
en bleef, maar ook voor hem
passen de laatste stukken nooit.
Zelf droeg hij de last
kwam hij zelden verder
dan een slordig uitgesproken
belofte aan het kind.
Tranen droogden al te snel
hadden slechts een vloeibare waarde
geen betere betekenis
tranen zonder meer.
Alleen nog dit:
zijn kus was licht en zonder gloed
als was hij bang zichzelf
als vader te herkennen.
II.
Het was een foto die je weer
levend maakte, lachend
in het zonlicht van een prille zomer.
Je schilderde de gevel van
het huis waarin we dagen deelden
voorbij de tijden dat het beter was.
Het kleine meisje kijkt verwonderd
naar de ladder tegen het huis
vragend, met blauwe fiets aan de hand.
wat voor haar niet kon, verzon
jij keer op keer en telkens
huilde ze vanbinnen.
III.
Je sprak de waarheid niet
wanneer je opstond, wakker, onzeker
maar welwillend de eerste stappen zette
als van een kind.
Bij aanvang was je veroordeeld
tot de allerlaatste druppel; bezwijkend
maakte je van je handen een kelk
en weerom dronk je mateloos.
Grondig, zeer grondig waste je nadien
je handen in onschuld en mompelde
een resem woorden, zinnen onvoltooid
en binnensmonds.
De stem in jou had alweer gewonnen
een tol geëist van jaren op reis
binnen genadeloze dagen, buiten westen:
bloedstollende gedachte.
IV.
Het kind hoort schreeuwen
het kind hoort jammeren
het kind zegt niets en loopt
op kousenvoeten naar de deur
vluchtend voor het onheil.
Er zijn geen woorden voor dit
onuitspreekbaar groot verdriet
deze onheelbare wonden
(snel verbonden bloeden ze niet)
de niet aan te tasten smet.
De vrouw is nu vlakbij
en prevelt in haar slaap:
ik hou onnoemelijk veel van vellen wit papier
en vul ze sprakeloos.
V.
Haat en vergiffenis zijn verenigd
wat leefbaar is, beleven we rusteloos;
wat moordend is, tergend
laten wij voor wat het is
bij het verlaten van de woning.
Ik ken je, hoor je briesen,
zingen klagen spugen huilen
ik zie je verliezen.
De haastige tred
als van een jongeling
niets ontziend, verwachtingvol
bij het verlangen naar
het eerste glas.
En weer vergeeft
mijn bloed
de laveloze vader.
Een deel van mij zeilt
na de storm opnieuw
naar huis.